ECLI:NL:RBOVE:2026:3984

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 26/331
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:106 AwbArt. 7 AKWArt. 18, vierde lid, AKW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning volledige kinderbijslag aan moeder na geschil over verdeling

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een geschil over de verdeling van kinderbijslag voor twee kinderen tussen de moeder en de andere ouder. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) had besloten de kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2025 gelijk te verdelen, wat door de moeder werd bestreden.

De moeder stelde dat beide kinderen het merendeel van de nachten bij haar verblijven en dat zij de dagelijkse zorg en kosten draagt. Zij voerde aan dat er geen gelijkwaardig co-ouderschap is en dat de SVB ten onrechte de verklaringen van de andere ouder heeft meegewogen. De rechtbank stelde vast dat de feitelijke woonsituatie bestendig is en dat beide kinderen meer dan vier nachten per week bij de moeder verblijven.

De SVB had onvoldoende gemotiveerd dat de woonsituatie niet vast te stellen was. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de SVB een nieuw besluit moet nemen waarbij de volledige kinderbijslag aan de moeder wordt toegekend. Tevens moet de SVB het betaalde griffierecht aan de moeder vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de SVB en kent de volledige kinderbijslag toe aan de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/331

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

M.R. [eiseres], uit [woonplaats 1], eiseres (hierna te noemen: [eiseres]),

en
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, (hierna te noemen: de SVB)
gemachtigden: mr. S. Venema en mr. C.A. van der Vlist.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [woonplaats 2] (hierna te noemen: [derde belanghebbende]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de kinderbijslag die [eiseres] krijgt voor haar kinderen [naam 1] en [naam 2]. Vanaf het derde kwartaal van 2025 krijgt [eiseres] de helft van de kinderbijslag en [derde belanghebbende] de andere helft. [eiseres] is het hier niet mee eens en zij vindt dat zij de volledige kinderbijslag voor beide kinderen moet krijgen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze zaak.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB niet goed heeft gemotiveerd dat [eiseres] met ingang van het derde kwartaal van 2025 niet de volledige kinderbijslag voor [naam 1] en [naam 2] krijgt. [eiseres] krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staan de standpunten van de SVB en van [eiseres]. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. In het besluit van 11 juli 2025 heeft de SVB aan [eiseres] meegedeeld dat zij, als aanvrager van de kinderbijslag van [naam 1], vanaf het derde kwartaal van 2025 de helft van de kinderbijslag krijgt en [derde belanghebbende] de andere helft.
2.1.
In het besluit van 25 juli 2025 heeft de SVB van [eiseres] € 204,60 teruggevorderd, omdat over het tweede kwartaal per ongeluk de helft van de kinderbijslag van [naam 2] naar haar is overgemaakt.
2.2.
[eiseres] heeft tegen de besluiten van 11 juli 2025 en 25 juli 2025 afzonderlijk bezwaar gemaakt.
2.3.
In het bestreden besluit van 5 december 2025 heeft de SVB beslist op de bezwaren van [eiseres]. Het bezwaar van [eiseres] gericht tegen de toekenning van de helft van de kinderbijslag voor [naam 1] en [naam 2] vanaf het derde kwartaal van 2025 (besluit 11 juli 2025), is ongegrond verklaard. Het bezwaar van [eiseres], gericht tegen de terugvordering van € 204,60 (besluit van 25 juli 2025), heeft de SVB gegrond verklaard.
2.4.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [derde belanghebbende] heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van de SVB en [derde belanghebbende]. Tevens is verschenen [naam 3].

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. [eiseres] krijgt vanaf het vierde kwartaal van 2012 kinderbijslag voor [naam 2]. Vanaf het derde kwartaal van 2014 krijgt zij dit ook voor [naam 1]. [eiseres] en [derde belanghebbende] hebben met een door hen beiden op 21 maart 2016 ondertekend formulier bij de SVB gemelde dat hun gezinssituatie is gewijzigd. Zij hebben aangegeven dat geen co-ouderschap is afgesproken. En verder in een toelichting onder punt 7: “Ivm co-ouderschap graag beide ouders kinderbijslag”.
3.1.
In het besluit van 11 april 2016 heeft de SVB [eiseres] laten weten dat zij de volledige kinderbijslag voor [naam 1] blijft ontvangen en dat [derde belanghebbende] vanaf het tweede kwartaal van 2016 de kinderbijslag voor [naam 2] ontvangt.
3.2.
Op 7 april 2025 heeft [eiseres] zich bij de SVB gemeld met een vraag over, onder meer, de verdeling van de kinderbijslag in relatie tot de verdeling van de zorg voor [naam 2] en [naam 1]. Op 21 mei 2025 heeft de SVB telefonisch contact gehad met [eiseres]. In dit gesprek heeft [eiseres] onder meer aangegeven dat zij ook de aanvrager van de kinderbijslag wil worden voor het kind waarvoor [derde belanghebbende] nu aanvrager is en kinderbijslag ontvangt.
3.3.
Op 22 mei 2025 heeft [eiseres] het ouderschapsplan dat zij en [derde belanghebbende] hebben opgesteld en ondertekend op 22 maart 2016, bij de SVB ingeleverd.
3.4.
Vervolgens is de besluitvorming gevolg zoals die hiervoor in het procesverloop uiteen is gezet.

Standpunten van partijen

Standpunt van de SVB
4. Aan het bestreden besluit ligt de motivering ten grondslag dat de betaling van de kinderbijslag vanaf het derde kwartaal 2025 over beide ouders wordt verdeeld. [eiseres] blijft de aanvrager en ontvanger van de kinderbijslag voor [naam 1] en [derde belanghebbende] blijft de aanvrager en ontvanger van de kinderbijslag voor [naam 2]. Volgens de SVB is de feitelijke woonsituatie vanaf 1 april 2025 vanwege de verschillende verklaringen van [eiseres] en [derde belanghebbende] niet vast te stellen.
Standpunt van [eiseres]
4.1.
stelt zich op het standpunt – samengevat weergegeven – dat de SVB uitgaat van een onjuiste situatie. [naam 1] en [naam 2] verblijven beiden meer dan 4 nachten per week bij [eiseres] en zij hebben daar hun hoofdverblijf. Zij neemt de dagelijkse zorg op zich en draagt de structurele kosten, zoals de kosten voor schoolspullen, ouderbijdragen, kinderfeestjes, schoolreisjes en hobby’s. Er is voorts geen sprake van een gelijkwaardig co-ouderschap. Ter onderbouwing van haar betoog verwijst [eiseres] naar een door haar opgesteld verblijfsschema. Ten onrechte betrekt de SVB de verklaringen van [derde belanghebbende] bij de beoordeling. De verklaringen van [derde belanghebbende] worden onder meer weerlegd door het ouderschapsplan en een verklaring van de wijkcoach die volledig overeenkomt met het door [eiseres] geschetste schema. Zo strookt de verklaring van [derde belanghebbende] dat de kinderen de helft van de vakanties bij hem zijn, niet met de werkelijkheid. [eiseres] wijst er verder op dat er sinds de echtscheiding twee ouderschapsplannen zijn opgesteld. Het eerst plan had een verdeling van 45%-55%. Dit is later aangepast in een nieuw plan met een verdeling van 30%-70%. In dit plan staat ook dat [eiseres] verantwoordelijk is voor de zorgtaken, zoals huisartsbezoek en tandartsbezoek. Ook is [eiseres] het eerste aanspreekpunt voor school en kinderopvang. [eiseres] stelt verder dat [derde belanghebbende] structureel te weinig alimentatie betaald. Daarnaast brengt [derde belanghebbende] andere kosten voor de kinderen bij [eiseres] in rekening.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de SVB terecht de betaling van de kinderbijslag voor [naam 1] en [naam 2] vanaf het derde kwartaal over [eiseres] en [derde belanghebbende] verdeelt. In het bijzonder gaat het om de vraag of de SVB terecht heeft beslist dat [eiseres] geen recht heeft op de uitbetaling van de kinderbijslag voor [naam 2]. De rechtbank doet dat aan de hand van wat [eiseres] heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
5.1.
Verzekerden voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) hebben recht op kinderbijslag voor kinderen jonger dan achttien jaar die tot hun huishouden behoren of door hen worden onderhouden. [1] Over hetzelfde tijdvak wordt per kind slechts éénmaal kinderbijslag uitbetaald. Als twee verzekerde ouders geen gezamenlijke huishouding meer voeren en het kind tot het huishouden van één van de ouders behoort, wordt de kinderbijslag aan de andere ouder niet uitbetaald. [2]
5.2.
Bij de toepassing van de wettelijke regels hanteert de SVB op basis van beleid het criterium dat een kind wordt geacht te wonen waar het kind het merendeel van de voor de nachtrust bestemde tijd doorbrengt. Het gaat dan om ten minste vier nachten per week. [3] Als sprake is van een overeengekomen of opgelegde regeling over de opvoeding van het kind, gaat de SVB in beginsel uit van wat is bepaald in de betreffende regeling. Alleen als blijkt dat zo’n regeling bestendig niet wordt nageleefd, dient de feitelijke situatie als richtsnoer voor de uitbetaling van het recht op kinderbijslag. In het algemeen heeft de niet-naleving van een regeling een bestendig karakter als ouders de gemaakte afspraken langer dan zes maanden niet naleven. [4]
5.3.
[eiseres] en [derde belanghebbende] zijn overeengekomen dat [naam 2] bij [derde belanghebbende] staat ingeschreven en dat [naam 1] bij [eiseres] staat ingeschreven. Zij hebben geen verdere afspraken gemaakt over hoe de kinderbijslag verdeeld moet worden, zodat [eiseres] en [derde belanghebbende] ieder 50% van de kinderbijslag ontvangen. Dit alles volgt uit het door beiden op 21 maart 2016 ondertekende formulier ‘Wijziging van uw gezinssituatie’. Uit het ouderschapsplan van 22 maart 2016 volgt een verdeling van 55% bij [eiseres] en 45% bij [derde belanghebbende].
5.4.
[eiseres] stelt dat de verdeling op enig moment is gewijzigd in 70% bij haar en 30% bij [derde belanghebbende] en dat dit ook een bestendig karakter heeft gekregen. Deze verdeling is al 10 jaar het uitgangspunt, aldus [eiseres].
5.5.
[derde belanghebbende] heeft in zijn reactie van 24 april 2026 te kennen gegeven dat uit het ouderschapsplan een zorgverdeling van 55%-45%, maar dat in de praktijk [naam 1] en [naam 2] gemiddeld 2,5 nacht per week bij hem verblijven en 4,5 nacht bij [eiseres]. Als de vakantie worden meegerekend, dan komt dit op jaarbasis neer op ongeveer 3 nachten per week bij [derde belanghebbende] en 4 nachten per week bij [eiseres], aldus [derde belanghebbende]. Op de zitting heeft [derde belanghebbende] dit bevestigd en hieraan toegevoegd dat [naam 1] en [naam 2] vaker bij [eiseres] zijn dan bij hem en wat hem betreft op het adres van [eiseres] mogen worden ingeschreven.
5.6.
De SVB hoeft zich niet te verdiepen in de overwegingen van ouders en kinderen om een regeling al dan niet na te leven. Het gaat alleen om de feitelijke situatie. [5] Naar het oordeel van de rechtbank is met het voorgaande genoegzaam gebleken dat de feitelijke situatie zo is, dat zowel [naam 1] als [naam 2]
in ieder geval4 nachten per week bij [eiseres] verblijven en dat deze situatie ook bestendig is. Van de door de SVB genoemde inconsistentie en wisselende verklaringen is de rechtbank niet gebleken. Niet valt dan ook in te zien dat de SVB op basis van de feitelijke situatie zoals die door zowel [eiseres] als [derde belanghebbende] is geschetst, uitgaat van een verblijfssituatie van [naam 1] en [naam 2] op grond waarvan een verdeling van 50% gerechtvaardigd zou zijn. Daar komt bij dat de SVB in het verweerschrift zelf ook aangeeft uit te kunnen gaan van een co-ouderschap met een verdeling van 60%-40%, wat feitelijk neerkomt op een gemiddeld verblijf van 4,2 nachten per week bij [eiseres] en 3,8 nachten per week bij [derde belanghebbende]. Als gekeken wordt naar het door de SVB gehanteerde beleid zou dit betekenen dat de beide kinderen geacht worden bij [eiseres] te wonen.
5.7.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de door de SVB gehanteerde afwijzingsgrond dat de feitelijke woonsituatie van [naam 2] en [naam 1] niet is vast te stellen, geen stand kan houden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat [eiseres] gelijk krijgt. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de SVB een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de SVB hiervoor vier weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de SVB het door [eiseres] betaalde griffierecht vergoeden. [eiseres] heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 5 december 2025;
  • draagt de SVB op binnen vier weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat de SVB het griffierecht van € 54,- aan [eiseres] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van
A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.artikel 7 van Pro de AKW.
2.artikel 18, vierde lid, van de AKW.
3.Beleidsregel SB1014.
4.Beleidsregel SB1096.
5.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:122.