ECLI:NL:RBOVE:2026:3986

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
08.397254.24, 08.327279.24, 08.326990.25, 08.326986.25, 08.007971.26, 08.015078.26 en 18.101311.26 (ttz. gev.) (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 138 SrArt. 180 SrArt. 184a SrArt. 266 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling verdachte voor stalking, afpersing, verduistering en andere strafbare feiten met gevangenisstraf en TBS

De rechtbank Overijssel heeft verdachte schuldig bevonden aan meerdere strafbare feiten waaronder stalking van zijn ex-partner, poging tot afpersing, verduistering van fietsen en voertuigen, oplichting, opzetheling, het overtreden van een gedragsaanwijzing, belediging van ambtenaren, erfvredebreuk, vernieling en wederspannigheid. De feiten vonden plaats tussen 2024 en 2026 en betroffen onder meer herhaaldelijk contact zoeken met het slachtoffer ondanks een contactverbod, het binnendringen van het erf van het slachtoffer, het verduisteren van elektrische fietsen en bestelwagens, en het beledigen van BOA’s.

De rechtbank achtte het bewijs, waaronder camerabeelden, getuigenverklaringen en bekentenissen, wettig en overtuigend bewezen. Verdachte vertoonde een patroon van recidive en had een licht verstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en verslavingsproblemen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, met aftrek van voorarrest, en de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging vanwege het hoge recidiverisico en de noodzaak van behandeling.

Daarnaast werd een contactverbod van vijf jaar opgelegd jegens het slachtoffer, met een vervangende hechtenis bij overtreding. Verdachte werd veroordeeld tot betaling van diverse schadevergoedingen aan meerdere benadeelden, waaronder het slachtoffer, bedrijven en ambtenaren, met wettelijke rente en gijzeling bij niet-betaling. De rechtbank wees verzoeken tot vrijspraak af en verwierp verweren van de verdediging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, TBS met dwangverpleging en een contactverbod van vijf jaar wegens diverse strafbare feiten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige [slachtoffer 6]
Zittingsplaats Almelo
Parketnummers: 08.397254.24, 08.327279.24, 08.326990.25, 08.326986.25, 08.007971.26, 08.015078.26 en 18.101311.26 (ttz. gev.) (P)
Datum vonnis: 9 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1979 in [geboorteplaats 1] ,
nu verblijvende in de P.I. [locatie 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 2 april 2026 (de parketnummers 08.397254.24 en 08.327279.24) en van 25 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. R.M. Bissumbhar, advocaat in Barneveld, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat door haar als benadeelde partij is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

-
Parketnummer 08.397254.24
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:zijn ex-partner, [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), in de periode van 1 juli 2024 tot en met 28 november 2024 heeft gestalkt;
feit 2:heeft geprobeerd die [slachtoffer 1] af te persen dan wel dat hij haar heeft bedreigd;
feit 3:zonder toestemming van [slachtoffer 1] haar woning en/of erf heeft betreden.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2024 tot en met 28 november 2024 te
[plaats 1] ,
althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] ,
door
- veelvuldig, althans één of meermalen te bellen met die [slachtoffer 1] en/of
- veelvuldig, althans één of meermalen de voicemail van die [slachtoffer 1] in te
spreken (met dwingende en/of vervelende teksten) en/of
- veelvuldig, althans één of meermalen (vanuit de PI) brieven te sturen naar die
[slachtoffer 1] en/of
- veelvuldig, althans één of meermalen in de nabije omgeving van de woning en/of
in de wonng van die [slachtoffer 1] zich te bevinden en/of
- veelvuldig, athans één of meermalen aan te bellen bij de woning van die
[slachtoffer 1] en/of
- één of meermalen tegen de (voor)deur van de woning van die [slachtoffer 1] te
schoppen en/of te trappen en/of
- één of meermalen (door over een schutting te klimmen) zich in de achtertuin van
die [slachtoffer 1] te bevinden en/of
- één of meermalen (terwijl hij bij de woning van die [slachtoffer 1] stond) te roepen:
"Kankerhoer, doe die (kanker)deur open", althans woorden van gelijke strekking
en/of
- ongewenst de moeder van die [slachtoffer 1] te bezoeken
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te
dulden en/of vrees aan te jagen;
2
hij op of omstreeks 28 oktober 2024 te [plaats 1]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (van 600 euro) en/of
één of meer goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1]
toebehoorde(n)
(vanuit de Penentiaire Inrichting) met die [slachtoffer 1] te bellen en/of tegen die
[slachtoffer 1] te roepen/zeggen: "Als jij mij binnen 2 weken ja, niet mijn kankergeld
stort op deze rekening. Ik zweer het op mijn kinderen [naam 1] . Ik zweer het ik blaas
jou hele kankerhuis op. Dus dan weet je dat. Want ik heb niks meer te verliezen",
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 oktober 2024 te [plaats 1]
[slachtoffer 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf:
- tegen het leven gericht en/of
- met zware mishandeling en/of
- met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen
en/of goederen ontstaat en/of
- brandstichting en/of
- openlijk geweld tegen personen of goederen,
door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Als jij mij binnen 2 weken
ja, niet mijn kankergeld stort op deze rekening. Ik zweer het op mijn kinderen
[naam 1] . Ik zweer het ik blaas jou hele kankerhuis op. Dus dan weet je dat. Want ik
heb niks meer te verliezen", althans woorden van gelijke dreigende aard of
strekking;
3
hij op of omstreeks 4 augustus 2024 en/of 29 augustus 2024 en/of 16 september
2024 en/of 24 september 2024 te [plaats 1]
in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, [adres 1]
bij een ander, te weten bij [slachtoffer 1] , althans bij een ander of anderen dan bij
verdachte, in gebruik
wederrechtelijk is binnengedrongen
-
Parketnummer 08.327279.24
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1, feit 2, feit 4, feit 5 primair, feit 6 en feit 7:op verschillende data bij verschillende bedrijven een elektrische fiets/fatbike/ bestelbus/auto heeft verduisterd danwel een bestelbus heeft geheeld (
feit 5 subsidiair)
feit 3:[slachtoffer 2] heeft opgelicht;
feit 8:samen met anderen koperen leidingen van het Deltion College heeft gestolen;
feit 9:kentekenplaten heeft geheeld.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 27 september 2024 te Hardenberg
opzettelijk
een (elekrische) fiet (Fatbike, Ouxi, V8), in elk geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] B.V. en/of [slachtoffer 3] , in elk
geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten
als (potentiële) koper en/of lener (voor het maken van een proefrit),
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend
2
hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Wezep, gemeente Oldebroek
opzettelijk
een (elektrische) fiets (Victoria, Tresalo 7, [nummer] ), in elk geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [bedrijf 2] , in elk geval aan
een ander of anderen dan aan verdachte,
en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten
als (potentiële) koper en/of lener (voor het maken van een proefrit),
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend
3
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te [plaats 1] en/of te Zwolle, althans in Nederland
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een
dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of
het teniet doen van een inschuld, te weten
een geldbedrag van 140 euro en/of een autorit (van [plaats 1] naar Zwolle en terug),
door
- bij die [slachtoffer 2] aan te bellen bij de voordeur en/of
- aan te geven dat hij zojuist over een balkje was gereden en daarbij een lekke band
had gekregen en/of
- aan te geven dat hij met spoed naar de 1e hulp van het ziekenhuis moest om
medicijnen te halen voor zijn dochter die leukemie heeft en/of
- dat zijn dochter zou bij zijn schoonmoeder verblijven en/of
- dat zijn ex-vrouw die in het ziekenhuis ligt al wat had geregeld maar dat de
medicijnen (ter waarde van 140 euro) nog wel betaald moeten worden en/of
- dat zijn zoon in het park bij het provinciehuis zou zijn en die kon die 140 euro wel
regelen en/of (vervolgens)
- terug te rijden naar de woning van die [slachtoffer 2] en/of
- aan te geven dat hij het geld bij een vriend om de hoek ging halen en/of
- het geldbedrag van 140 euro niet terug te betalen;
4
hij op of omstreeks 9 oktober 2024 te Elburg
opzettelijk
een auto (Mercedes, type E300, kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 3] en/of [slachtoffer 5] , in elk
geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten
als (potentiële) koper en/of lener (voor het maken van een proefrit),
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend
5
hij op of omstreeks 11 oktober 2024 te Borne
opzettelijk
een bestelbus (Renault, Traffic, wit, kenteken [kenteken 2] ) voorzien van
handelaarskenteken [kenteken 3] ), in elk geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 4] GMBH en/of [slachtoffer 6]
en/of [bedrijf 5] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten
als (potentiële) koper en/of lener (voor het maken van een proefrit),
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 oktober 2024 te Borne,
een bestelbus (Renault, Traffic, wit, kenteken [kenteken 2] ) voorzien van
handelaarskenteken [kenteken 3] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft
gehad, en/of heeft overgedragen,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,
althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen
goed betrof
6
hij op of omstreeks 11 oktober 2024 te Hengelo, gemeente Hengelo (O)
opzettelijk
een auto (Mercedes, Vito, kenteken [kenteken 4] ), in elk geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 6] B.V. en/of [slachtoffer 7] ,
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten
als (potentiële) koper en/of lener (voor het maken van een proefrit),
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend
7
hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te [plaats 2], gemeente [plaats 1]
opzettelijk
een fatebike, in elk geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 7] en/of [slachtoffer 8] ,
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten
als (potentiële) koper en/of lener (voor het maken van een proefrit),
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend
8
hij op of omstreeks 1 augustus 2024 te Zwolle
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
één of meer bundels met koperen leidingen (totale waarde ongeveer 1800 euro), in
elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Deltion College, in elk geval aan
een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
9
hij in of omstreeks de periode van 10 oktober 2024 tot en met 13 oktober 2024 te
[plaats 4], gemeente Ommen, althans in Nederland
kentekenplaten ( [kenteken 5] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft
gehad, en/of heeft overgedragen,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist of
redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed
betrof;
-
Parketnummer 08.326990.25
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte de hem gegeven gedragsaanwijzing heeft overtreden.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 04 juli
2025 tot en met 8 juli 2025 te Zwolle en/of [plaats 1] en/of (elders) in Nederland
(telkens) opzettelijk
heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel
509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de
gedragsaanwijzing d.d. 3 juli 2025, gegeven door de officier van justitie te
Oost-Nederland
door
-één of meermalen (direct en/of indirect) telefonisch contact met [slachtoffer 1] te
zoeken en/of
-één of meermalen (direct en/of indirect) berichten te sturen naar [slachtoffer 1] ;
-
Parketnummer 08.326986.25
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte de hem gegeven gedragsaanwijzing heeft overtreden.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 25 september 2025 te [plaats 1]
opzettelijk
heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel
509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de
gedragsaanwijzing d.d. 3 juli 2025, gegeven door de officier van justitie te
Oost-Nederland door het contactverbod te overtreden;
-
Parketnummer 08.007971.26
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op treinstation Zwolle twee BOA’s heeft beledigd.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 9 januari 2026 te Zwolle
opzettelijk
een of meerdere ambtenaren, te weten [verbalisant 1] , werkzaam als Buitengewoon
Opsporingsambtenaar aangesteld in domein IV Openbaar Vervoer en/of [verbalisant 2]
, werkzaam als Buitengewoon Opsporingsambtenaar aangesteld in
domein IV Openbaar vervoer, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening
van zijn/haar/hun bediening,
in zijn/haar/hun tegenwoordigheid,
mondeling
heeft beledigd,
door hem/haar/hen de woorden toe te voegen:
- " Je kan de kanker krijgen’,
- " Kankermogolen’,
- ‘ Kankerlijers’, en/of
- " Kankersukkel’,
althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
-
Parketnummer 08.015078.26
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zonder toestemming van [slachtoffer 9] zijn woning en/of erf heeft betreden.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 14 januari 2026 te Zwolle
in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, [adres 2]
bij een ander, te weten bij [slachtoffer 9] , althans bij een ander of anderen dan bij
verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
-
Parketnummer 18.101311.26
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:een toiletruimte in een trein heeft vernield;
feit 2:zich heeft verzet tegen zijn aanhouding.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij, op of omstreeks 5 april 2026, te Leeuwarden, opzettelijk en wederrechtelijk een
toiletruimte in een (Arriva) trein, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele
aan een ander, te weten aan Arriva, toebehoorde heeft vernield, beschadigd,
onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2
hij, op of omstreeks 5 april 2026, te Leeuwarden, zich met geweld en/of bedreiging
met geweld, heeft verzet tegen één of meer ambtenaren, te weten: [verbalisant 3]
en/of [verbalisant 4] (beiden hoofdagent bij politie Eenheid
Landelijke Expertise En Operaties), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van
zijn/hun bediening, te weten ter aanhouding en overbrenging van verdachte, door
(op het moment dat voornoemde agenten verdachte wilden boeien):
- zijn, verdachtes, lichaam aan te spannen, en/of
- zijn, verdachtes, armen (met kracht) onder zijn lichaam te houden, althans in een
andere richting te bewegen dan daar waar verbalisanten die armen trachten te
bewegen.

3.De bewijsmotivering

3.1
Parketnummer 08.397254.24
3.1.1
Feit 1
3.1.1.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.1.1.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van het feit bepleit. Verdachte heeft in de tenlastegelegde periode contacten met aangeefster gehad, maar hij heeft geen opzet gehad om inbreuk te maken op haar persoonlijke levenssfeer.
3.1.1.3 Het oordeel van de rechtbank
- De feiten en omstandigheden
Verdachte heeft tot november 2023 een relatie gehad met [slachtoffer 1] . Deze relatie is beëindigd in verband met huiselijk geweld van verdachte richting [slachtoffer 1] .
Op 1 juli 2024 heeft verdachte – door tussenkomst van de politie – een brief van [slachtoffer 1] ontvangen waarin zij heeft geschreven dat zij op geen enkele wijze nog contact met verdachte wil.
Vervolgens heeft verdachte vanaf 2 juli 2024 meerdere keren (zo’n 70 keer) gebeld met [slachtoffer 1] , ook vanuit de P.I. waar hij op dat moment gedetineerd zat. Wanneer [slachtoffer 1] de telefoon niet opnam, sprak verdachte meerdere keren (22 keer) haar voicemail in, ook met vervelende en/of dwingende teksten. Uiteindelijk is er op verzoek van [slachtoffer 1] vanuit de P.I. een blokkade op haar telefoonnummer gekomen. Desondanks heeft verdachte toch nog weer vanuit de P.I. naar haar gebeld, maar dan met een andere belkaart. Daarnaast heeft verdachte haar vanuit de P.I. vier brieven gestuurd. Ook heeft verdachte zich meermalen in de nabije omgeving van haar woning bevonden, waarbij hij ook meermalen bij haar heeft aangebeld, tegen de (voor)deur van haar woning heeft getrapt, over haar schutting is geklommen en zich in haar achtertuin heeft opgehouden en naar haar heeft geroepen “kankerhoer, doe die (kanker)deur open”. Ook heeft hij ongewenst de moeder van [slachtoffer 1] bezocht. Verdachte deed dit alles naar eigen zeggen omdat [slachtoffer 1] hem nog geld schuldig zou zijn en omdat hij zijn vogel weer terug wilde. Zodra hij dit geldbedrag en de vogel weer terug zou hebben, zou [slachtoffer 1] van hem af zijn.
- De overwegingen van de rechtbank
Stelselmatige inbreuk
Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij de feitelijke gedragen, zoals hiervoor omschreven en zoals ze zijn ten laste gelegd, heeft gepleegd.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster naar objectieve maatstaven bezien zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. De opvatting dat een in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) omschreven gedraging uitsluitend dan als inbreuk makend op de persoonlijke levenssfeer van een ander kan worden aangemerkt indien die ander voorafgaand aan die gedraging aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt geen contact met hem te willen, vindt geen steun in genoemd artikel. [1]
Opzet
Gelet op het verweer van de raadsvrouw dient de rechtbank vervolgens te beoordelen of verdachte, door aldus te handelen, ook opzet heeft gehad om inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Opzet zoals de delictsomschrijving belaging vereist, heeft niet de betekenis van datgene wat de verdachte als motief bij zijn handelen had, noch wat hij uiteindelijk met zijn handelen heeft willen bereiken. Dat verdachte wellicht niet de uiteindelijke bedoeling had een inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, staat niet aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg. Het opzet heeft tevens de betekenis van ‘kleurloos opzet’, wat erop neerkomt dat de dader niet hoeft te hebben geweten dat zijn gedragingen in strijd met de wet dan wel strafbaar waren en dat het slachtoffer het feit als onrechtmatig heeft ervaren. Het moet dus voor de belager kenbaar zijn geweest dat het slachtoffer met zijn gedrag niet instemde, of de verdachte moet bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer de inbreuk van de belager ongewenst vond. Voor een bewezenverklaring van belaging is niet vereist, zoals hiervoor reeds weergegeven, dat het slachtoffer voorafgaand aan de gedraging van de dader aan hem kenbaar heeft gemaakt geen contact met hem te willen.
In onderhavige zaak is dat laatste juist wel het geval. Verdachte heeft op 1 juli 2024 van de politie een brief van [slachtoffer 1] uitgereikt gekregen waarin zij verdachte te kennen heeft gegeven op generlei wijze contact met hem te willen. Desondanks is verdachte doorgegaan met zijn gedrag. Daarmee is het opzet op bedoelde inbreuk gegeven.
De verweren van de raadsvrouw worden daarmee verworpen.
-
De conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft belaagd.
3.1.2
Feit 2
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
3.1.3
Feit 3
3.1.3.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.1.3.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van het feit bepleit, nu de wederrechtelijkheid niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.1.3.3 Het oordeel van de rechtbank
- De feiten en omstandigheden
Zoals onder feit 1 reeds is uiteengezet heeft verdachte op 1 juli 2024 – door tussenkomst van de politie – een brief van [slachtoffer 1] ontvangen waarin zij heeft geschreven dat zij op geen enkele wijze nog contact met verdachte wil en waarin zij ook expliciet heeft opgenomen dat verdachte onder andere niet meer in of bij haar woning mag komen. Omdat verdachte toch telkens weer naar haar woning kwam, heeft [slachtoffer 1] camera’s in haar woning geplaatst. Deze camera’s registreren beelden van haar voortuin en het pad naar haar voordeur, alsook van haar achtertuin. Door de politie zijn de beelden van deze camera’s uitgekeken. Op deze beelden is te zien dat verdachte op 4 augustus 2025 op verschillende momenten die dag het pad naar de voordeur van de woning van [slachtoffer 1] is opgelopen en heeft aangebeld. Op de beelden van 29 augustus 2025 is te zien dat verdachte over de schuttingdeur is geklommen en in de achtertuin van [slachtoffer 1] terecht is gekomen. Hij heeft zich vervolgens buiten het zicht van de camera in de achtertuin opgehouden, totdat hij door de politie is meegenomen.
Ook op 15 september 2025 is op de camerabeelden te zien dat verdachte naar de voordeur van de woning van [slachtoffer 1] loopt en wederom aanbelt. Daarnaast is op de beelden van
24 september 2025 te zien dat verdachte wederom naar de voordeur van de woning van [slachtoffer 1] loopt, waarna hij vervolgens in beeld komt bij de camera die op de achtertuin gericht staat. Daarop is namelijk te zien dat hij tot tweemaal toe via de open schuttingdeur de achtertuin van [slachtoffer 1] inloopt.
-
De overwegingen van de rechtbank
Verdachte heeft op 1 juli 2025 de brief van [slachtoffer 1] ontvangen waarin zij duidelijk te kennen heeft gegeven dat verdachte per direct moet stoppen met het zoeken van contact met haar en dat verdachte ook niet meer bij of in haar woning mag komen. Door toch telkens weer naar de woning van [slachtoffer 1] te komen, bij haar aan te bellen en zich in haar achtertuin te bevinden - zelfs door over de dichte schuttingpoort te klimmen - heeft verdachte tegen de uitdrukkelijke wil van [slachtoffer 1] haar erf betreden. Uit artikel 138 Sr Pro en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het betreden van een ruimte of erf tegen de uitdrukkelijke wil van de rechthebbende per definitie wederrechtelijk is. De rechtbank verwerpt daarmee dan ook het verweer van de raadsvrouw.
-
De conclusie
De rechtbank is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2
Parketnummer 08.327279.24
3.2.1
Feit 1
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
3.2.2
Feit 2
3.2.2.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2.2.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.2.2.3 Het oordeel van de rechtbank
- De feiten en omstandigheden
Op vrijdag 4 oktober 2024 kwam in de fietsenwinkel [bedrijf 2] van [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) in Wezep een man de winkel inlopen. Zodra [slachtoffer 4] tijd voor de man had, heeft [slachtoffer 4] hem twee proefritten laten maken op twee verschillende elektrische fietsen. Bij terugkomst vertelde de man dat zijn vriendin een andere elektrische fiets op de website had zien staan. Dat was een Victoria Tresalo 7 met framenummer [nummer] . Ook met deze fiets heeft de man een proefrit gemaakt. Hij heeft de fiets niet meer teruggebracht. [slachtoffer 4] heeft hierop de camerabeelden van de winkel met daarop de desbetreffende man op Facebook gezet in de hoop dat iemand hem zou herkennen. Door dit bericht is [slachtoffer 4] in contact gekomen met de eigenaar van een fietsenwinkel in Zwolle, die hem liet weten dat hij de persoon op de beelden herkende als [verdachte] (hierna: verdachte), die bij hem hetzelfde had gedaan in februari 2024. Even later is [slachtoffer 4] nog toegevoegd aan een groeps-app met de naam ‘[verdachte] de bak in’. Daarin werd gedeeld dat verdachte mogelijk zou verblijven bij een camping in [plaats 2]. [slachtoffer 4] heeft de beelden van de man ter beschikking gesteld aan de politie.
Op 4 oktober 2024 heeft een verbalisant, die op dat moment belast was met een noodhulp dienst in Ommen en [plaats 1] , van een collega vanuit Veluwe-Noord via WhatsApp camerabeelden en een afbeelding doorgestuurd gekregen uit de fietsenwinkel van [slachtoffer 4] . De verbalisant herkent de persoon op de camerabeelden en de afbeelding als [verdachte] , zijnde verdachte. Hij herkent hem, omdat hij hem op 29 augustus 2024 heeft aangehouden en omdat de verbalisant hem kort geleden heeft gezien en met hem in een dienstvoertuig heeft gezeten.
-
De overwegingen en conclusie van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor als feiten en omstandigheden ten aanzien van dit feit heeft opgenomen, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.
3.2.3
Feit 3
3.2.3.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2.3.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van het feit bepleit. Verdachte is niet te herkennen op de afbeeldingen/camerabeelden van het tankstation, zodat alleen de aangifte als bewijsmiddel overblijft. Het bewijs dat een verdachte een feit zou hebben begaan, mag niet worden aangenomen op basis van één bewijsmiddel.
3.2.3.3 Het oordeel van de rechtbank
- De feiten en omstandigheden
Op 6 oktober 2024 werd omstreeks 20.45 uur ’s avonds aangebeld bij de woning van
[slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en zijn vrouw in [plaats 1] . De man voor de deur vroeg om hulp; hij was zojuist over een balkje gereden en had een lekke band met zijn auto en was onderweg naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis voor zijn dochter die leukemie had. Hij moest met spoed medicatie voor haar ophalen. Hierop heeft [slachtoffer 2] de man naar het ziekenhuis in Zwolle gebracht. Onderweg vertelde de man dat zijn dochter bij zijn schoonmoeder zou verblijven. Aangekomen bij het ziekenhuis ging de man naar binnen en toen hij weer terug kwam bij de auto van [slachtoffer 2] , vertelde de man hem dat hij de medicatie van € 140,-- niet kon betalen. Zijn ex-vrouw zou in het ziekenhuis liggen en zij zou al wat geregeld hebben, maar de medicijnen moesten nog wel worden betaald. De man heeft [slachtoffer 2] vervolgens een pinautomaat gewezen en [slachtoffer 2] heeft voor de man gepind en hem € 140,-- gegeven. Daarop vroeg de man of [slachtoffer 2] hem naar het park bij het provinciehuis kon rijden. Daar zou zijn zoon zijn, die [slachtoffer 2] het geld weer zou kunnen terugbetalen. De man is uitgestapt en onder het provinciehuis doorgelopen. Enkele minuten later kwam de man weer terug en is weer bij [slachtoffer 2] in de auto gestapt. Onderweg is [slachtoffer 2] nog met de man op diens verzoek gestopt bij tankstation ‘[bedrijf 8]’ waar de man een flesje Coca Cola Cherry heeft gekocht. Daarop is [slachtoffer 2] weer met de man naar zijn huis gereden waar hij de man op de hoek heeft afgezet. De man vertelde dat hij bij een vriend om de hoek moest zijn. Daar zou hij € 160,-- ophalen en dat geldbedrag zou hij bij [slachtoffer 2] brengen. Het extra geld was voor de benzine en een bosje bloemen voor de vrouw van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] kende de man niet. Onderweg heeft de man nog wel benoemd dat hij in [plaats 1] aan de Kievitsbloem zou wonen. De man heeft het geldbedrag nooit terugbetaald.
Door de politie zijn de beelden van het tankstation ‘[bedrijf 8]’ van 6 oktober 2024 omstreeks 21.24 uur opgevraagd en uitgekeken. Op de camera die opnames maakt van buiten is te zien dat na 00.59 minuten de personenauto van [slachtoffer 2] in beeld kwam rijden. De bijrijder stapte uit en liep uit beeld. Na 00.25 seconden kwam dezelfde bijrijder weer terug naar de auto lopen met een flesje in zijn hand. Hij stapte in en de auto reed weer weg. Op de camerabeelden van de shop van het tankstation is dezelfde man te zien. Hij liep in de shop naar de koeling, pakte daar wat uit en liep naar de kassa. Door de verbalisant wordt deze man herkend als [verdachte] , zijnde verdachte. Hij herkent hem, omdat hij met hem in verhoor heeft gezeten in een andere zaak. Ook een andere verbalisant herkent de man op de beelden als [verdachte] , zijnde verdachte. Hij herkent hem, omdat hij bij de aanhouding van verdachte is geweest op 12 oktober 2024 (feit 7) en hem toen heeft gezien.
-
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid en de geloofwaardigheid van de verbalisanten die hebben gerelateerd verdachte te herkennen op de camerabeelden van het tankstation van 6 oktober 2024. De verbalisanten hebben verdachte niet alleen herkend, maar ook gerelateerd dat en waarom zij verdachte kennen. De rechtbank kan slechts beoordelen of een dergelijke herkenning in redelijkheid mogelijk is. Voor dit oordeel heeft de rechtbank niet alleen gelet op de mate van duidelijkheid en helderheid van de foto’s en meer in het bijzonder op de weergave van de persoon die op de stills van de camerabeelden van het tankstation staat afgebeeld, maar ook op de bewegende beelden die zich in het dossier bevinden. De rechtbank overweegt dat op met name de duidelijke bewegende beelden de man op korte afstand zowel recht als van opzij in beeld is gebracht. Op basis daarvan acht de rechtbank het mogelijk dat iemand die deze persoon kent, hem ook van deze beelden herkent. De rechtbank verwerpt daarmee dan ook het verweer van de rechtbank dat slechts sprake zou zijn van een bewijsmiddel.
-
De conclusie van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor als feiten en omstandigheden ten aanzien van dit feit heeft opgenomen, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.
3.2.4
Feit 4
3.2.4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2.4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.2.4.3 Het oordeel van de rechtbank
- De feiten en omstandigheden
Op 9 oktober 2024 kwam een man aanlopen bij [bedrijf 3] . De man vertelde de eigenaar dat hij een klant had voor de Mercedes, type E300, met kenteken 06-05-HF, die bij [bedrijf 3] te koop stond. De man ging een proefrit maken met de auto, maar heeft de auto niet meer teruggebracht daarna. Door de eigenaar van [bedrijf 3] zijn de camerabeelden die gemaakt zijn aan de politie ter beschikking gesteld. Deze camerabeelden zijn door de politie uitgekeken en op de beelden wordt de man die de Mercedes heeft meegenomen voor een proefrit herkend als [verdachte] , zijnde verdachte.
-
De overwegingen en conclusie van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor als feiten en omstandigheden ten aanzien van dit feit heeft opgenomen, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.
3.2.5
De feiten 5 en 6
3.2.5.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.2.5.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van de feiten 5 en 6 bepleit. Ten aanzien van feit 5 allereerst omdat de tijdstippen waarover aangever spreekt strijdig met elkaar zijn, zodat geen sprake kan zijn van verduistering dan wel heling. Daarnaast verwijst de aangifte niet naar het bericht van Boevenspotter dat zich in het dossier bevindt, aangever heeft zelf geen foto of screenshot aangeleverd van dat bericht en aangever heeft niet verklaard dat hij verdachte herkend heeft doordat hij eerder zijn identiteitsbewijs heeft gezien, zodat het bericht van Boevenspotter niet kan worden gezien als steunbewijs voor de aangifte. Dan blijft enkel de aangifte over als bewijsmiddel op basis waarvan geen bewezenverklaring kan volgen. Mocht de rechtbank dat verweer niet volgen dan heeft verdachte zowel onder feit 5 als onder feit 6 geen opzet gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van de beide bestelbussen.
3.2.5.3 Het oordeel van de rechtbank
- De feiten en omstandigheden
Aan het eind van de ochtend op 11 oktober 2024 kwam een man het terrein oplopen van [bedrijf 6] B.V. in Hengelo (O). Die man toonde interesse in een witte bestelbus van het merk Mercedes, type Vito, met het kenteken [kenteken 4]. Omdat de man vertelde dat zijn zoon in het verleden bij [bedrijf 6] B.V. een auto had gekocht, dacht een werknemer van het bedrijf, genaamd [slachtoffer 7] (hierna: [slachtoffer 7] ) dat de gegevens van de man in hun systeem stonden. Daarop kreeg de man de sleutels van de Mercedes mee voor het maken van een proefrit. Na de lunchpauze vond [slachtoffer 7] het vreemd dat de Mercedes nog niet was teruggebracht door de man. Na bevraging van de GPS-locatie van de bestelbus, kon [slachtoffer 7] zien dat de Mercedes vanaf het terrein van [bedrijf 6] B.V. rechtstreeks is gereden naar de [adres 3] en daar stilstond. Op dit adres was het autobedrijf [bedrijf 9] gevestigd. [slachtoffer 7] is naar deze locatie toegegaan en trof daar de Mercedes met schade aan.
Daar vertelde de eigenaar van [bedrijf 9], genaamd [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ), aan [slachtoffer 7] dat er zojuist ook iemand met een soortgelijk verhaal bij [bedrijf 9] was gekomen, die ook een bestelbus had meegenomen. Dat betrof een witte bestelbus van het merk Renault, type Trafic, met het kenteken [kenteken 2]. Deze man had aan [slachtoffer 6] laten weten belangstelling voor deze bestelbus te hebben en er graag een proefrit mee te willen maken. Omdat [slachtoffer 6] het op dat moment druk had, gaf hij de man de autosleutels om alvast in de bestelbus te kunnen kijken. [slachtoffer 6] zag op een gegeven moment dat de man met de Renault Trafic wegreed. [slachtoffer 6] heeft tevens gezien dat de man kwam aanrijden met de witte Mercedes Vito bestelbus, die [slachtoffer 7] later weer kwam ophalen. De Renault Trafic is niet door de man teruggebracht.
[slachtoffer 6] heeft op de Facebookpagina van Boevenspotter een bericht zien staan waarin stond vermeld dat een man zowel in Emmen als in Elburg een auto had gestolen. Dat bericht was voorzien van een foto van de desbetreffende man. [slachtoffer 6] zag dat het dezelfde man was als die bij hem was geweest. In de reacties onder het bericht stond geschreven dat mensen hem herkenden als [verdachte] uit [plaats 3].
Uiteindelijk is de Renault Trafic met het kenteken [kenteken 2] vlak voor middernacht op
12 oktober 2024 onder verdachte aangetroffen op vakantiepark de [locatie 2], welke feiten en omstandigheden hierna nader onder feit 9 door de rechtbank zullen worden vastgesteld.
-
De overwegingen van de rechtbank
De tijdstippen van verduistering van feit 5
De rechtbank stelt voorop dat [slachtoffer 6] in zijn aangifte inderdaad verschillende tijdstippen heeft benoemd waarop de bestelbus op 11 oktober 2024 al dan niet zou zijn weggenomen. Nu verdachte enkel wordt verweten dat hij de bestelbus op 11 oktober 2024 in Borne zou hebben verduisterd en niet dat dit op een bepaald tijdstip zou zijn gebeurd en [slachtoffer 6] de datum juist benoemd heeft, verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw op dit punt.
Het Facebookbericht van Boevenspotter
De rechtbank stelt vast dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid en de geloofwaardigheid van de vaststelling door aangever [slachtoffer 6] dat de persoon die bij hem de Renault Trafic heeft meegenomen voor een proefrit, dezelfde persoon is als die op de foto staat bij het Facebookbericht op Boevenspotter, die zich ook in het dossier bevindt [2] en dat dit verdachte betreft. [slachtoffer 6] heeft face-to-face contact met verdachte gehad alvorens verdachte met de bestelbus is weggereden. Daarnaast is de man op de foto’s bij het Facebookbericht zowel van voren als van opzij in beeld gebracht en komt de beschrijving die [slachtoffer 6] geeft van de man en de kleding die hij droeg overeen met wat op de foto’s bij het Facebookbericht in het dossier is te zien. Op basis daarvan acht de rechtbank het mogelijk dat [slachtoffer 6] deze vaststelling heeft kunnen doen en dat verdachte de persoon is geweest die de Renault Trafic heeft meegenomen voor een proefrit. De rechtbank verwerpt daarmee dan ook het verweer van de rechtbank dat slechts sprake zou zijn van een bewijsmiddel.
Tussenconclusie
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die de Renault Trafic op 11 oktober 2024 in Borne heeft meegenomen. Gelet op het feit dat [slachtoffer 6] heeft gezien dat verdachte met de witte Mercedes Vito bij zijn bedrijf is aan komen rijden en het feit dat op de GPS van de Mercedes is te zien dat deze de Mercedes vanaf het terrein van [bedrijf 6] B.V. rechtstreeks is gereden naar de [adres 3], is de rechtbank van oordeel dat het ook verdachte is geweest die deze Mercedes Vito heeft meegenomen bij [bedrijf 6] B.V.
Het opzet op de wederrechtelijke toe-eigening
De rechtbank is van oordeel dat de uiterlijke verschijningsvorm van de feitelijke gang van zaken, zoals die hiervoor is weergegeven onder de feiten en omstandigheden, te weten het voor een proefrit meenemen van de Mercedes Vito bij [bedrijf 6] B.V., deze Mercedes vervolgens achterlaten bij [bedrijf 9], daar een Renault Trafic meenemen voor een proefrit, en die vervolgens ruim anderhalve dag later voorzien van valse kentekenplaten op vakantiepark de [locatie 2] wordt aangetroffen, zo gericht zijn op het als heer en meester over beide bestelbussen beschikken dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte zich de bestelbussen wederrechtelijk heeft toegeëigend.
3.2.6
Feit 7
3.2.6.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2.6.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.2.6.3 Het oordeel van de rechtbank
- De feiten en omstandigheden
Op 12 oktober 2024 kwam een man bij [bedrijf 7] in de winkel. Hij vertelde dat hij een fatbike wilde kopen als verjaardagscadeau voor zijn zoontje. De man mocht de fiets alleen op het terrein van de fietshandel uitproberen. Nadat de man een paar rondjes op het eigen terrein heeft rondgereden, zei hij plotseling dat hij de fiets nog aan zijn vrouw wilde laten zien die aan de overkant op het woonwagenkamp zou zitten. Daarop draaide de man de fiets en fietste weg. De man heeft de fiets niet teruggebracht.
Door de politie zijn de camerabeelden van het incident bekeken. Door de verbalisant ter plaatse wordt de man herkend als [verdachte] , zijnde verdachte. Ook een andere verbalisant herkent de man op de beelden als [verdachte] .
-
De overwegingen en conclusie van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor als feiten en omstandigheden ten aanzien van dit feit heeft opgenomen, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.
3.2.7
Feit 8
3.2.7.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2.7.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair vrijspraak van het feit bepleit, nu op grond van onderhavig dossier niet eenduidig kan worden vastgesteld of daadwerkelijk toestemming was gegeven door [naam 2] voor het ophalen van de koperen leidingen, zodat geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening. De verdediging heeft subsidiair aangevoerd dat [naam 2] als getuige moet worden gehoord indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt.
3.2.7.3 Het oordeel van de rechtbank
- De feiten en omstandigheden
Door de Adviseur Integrale Veiligheid van het Deltion College in Zwolle werd op de camerabeelden gezien dat op 1 augustus 2024 een witte bestelbus van het merk Fiat, type Ducato voor de nooduitgang van het pand werd geparkeerd. Hij zag dat een van de mannen uit de bestelbus zich bij een medewerker van de balie meldde. De man vertelde dat hij een pakketje kwam ophalen en hierna zag de adviseur op de camerabeelden dat de man uit een stelling in de praktijkruimte een bundel koperen leidingen pakte. Kort hierna verscheen nog een man in beeld die twee bundels koperen leidingen pakte. De mannen liepen met de bundels koper naar de Fiat Ducato en legden het in deze bestelbus. Hierna liep de eerste man samen met een derde man wederom naar de praktijkruimte en daar pakten zij allebei nog een bundel koperen leidingen uit de stelling. Vervolgens werd de eerste man aangesproken door een medewerker van het Deltion College, waarop de man vertelde dat hij toestemming had van een docent. Hij gaf hierop een naam ([naam 2]) en een telefoonnummer aan de medewerker door. Daarop zijn de mannen in de bestelbus gestapt en weggereden.
Door de wijkagent is de eerste man op foto’s van het incident herkend als [verdachte] , zijnde verdachte.
-
De overwegingen en conclusie van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor als feiten en omstandigheden ten aanzien van dit feit heeft opgenomen, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.
-
Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige
De rechtbank stelt voorop dat het verzoek eerst ter zitting is gedaan, zodat het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verdachte zelf geen verklaring over het feit heeft afgelegd. Daarnaast heeft de verdediging aan het verzoek tot het horen van de getuige geen gemotiveerde, duidelijke en stellige onderbouwing ten grondslag gelegd. Op grond van het procesdossier en de behandeling ter terechtzitting acht de rechtbank zich voldoende ingelicht, zodat de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van [naam 2] dan ook af.
3.2.8
Feit 9
3.2.8.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2.8.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van het feit bepleit, nu niet kan worden bewezen dat verdachte de kentekenplaat van 11 tot 13 oktober 2024 voorhanden heeft gehad. Een drietal getuigen verklaart de kentekenplaten op 11 en 12 oktober 2024 te hebben gezien, maar het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte het kenteken al op 10 oktober 2024 voorhanden heeft gehad.
3.2.8.3 Het oordeel van de rechtbank
- De feiten en omstandigheden
Aangeefster [aangever 1] (hierna: [aangever 1]) heeft op 10 oktober 2024 haar witte bestelbus van het merk Opel, type Vivaro, geparkeerd op de parkeerplaats aan de Twentepoort West. De bestelbus was toen nog voorzien van de kentekenplaten met het kenteken [kenteken 5].
Op 13 oktober 2024 werd [aangever 1] vroeg in de ochtend door de politie gebeld met de vraag of de kentekenplaten nog op haar bestelbus zaten. Die waren namelijk op 12 oktober 2024 rond middernacht vast getaped aangetroffen op een witte bestelbus van het merk Renault Trafic (feit 5) op vakantiepark de [locatie 2] in [plaats 4]. Daar is verdachte ook op
11 oktober 2024 door een beveiliger van dat vakantiepark als bestuurder van de Renault Trafic gezien, terwijl op die bestelbus het kenteken [kenteken 5] zat.
-
De overwegingen en conclusie van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor als feiten en omstandigheden ten aanzien van dit feit heeft opgenomen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de kentekenplaten in de periode van 10 oktober 2024 tot en met 13 oktober 2024 heeft geheeld.
3.3
De parketnummers 08.326990.25 en 08.326986.25
3.3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van beide feiten bepleit. In de zaak met parketnummer 08.326990.25, primair omdat niet definitief kan worden vastgesteld dat verdachte de gedragsaanwijzing heeft ontvangen en opzet heeft gehad op het overtreden daarvan. Subsidiair, indien de rechtbank dat verweer passeert, heeft de verdediging aangevoerd dat enkel wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 4 en 8 juli 2025 de gedragsaanwijzing heeft overtreden.
In de zaak met parketnummer 08.326986.25 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte het contactverbod niet (opzettelijk) heeft overtreden. Een toevallige ontmoeting bij het centrum kan niet worden gekwalificeerd als het zoeken van persoonlijk contact. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte wel het contactverbod heeft overtreden, dan kan het feit alsnog niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, omdat op de gedragsaanwijzing die in het procesdossier is gevoegd geen tijdsaanduiding staat, waardoor deze niet rechtsgeldig is.
Daarnaast heeft [slachtoffer 1] in beide zaken zelf ook contact met verdachte opgenomen.
3.3.3
Het oordeel van de rechtbank
- De feiten en omstandigheden
Aan verdachte is op 4 juli 2025 in de P.I. [locatie 3] de gedragsaanwijzing uitgereikt kort voordat verdachte in vrijheid werd gesteld. Deze gedragsaanwijzing is ingegaan op dat moment en is van kracht gedurende een periode van 90 dagen daarna en houdt in dat verdachte op generlei wijze contact mag opnemen met [slachtoffer 1] .
Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij op 4 juli 2025, terwijl hij door de taxi was opgehaald bij de P.I. [locatie 3], met de mobiele telefoon van de taxichauffeur naar [slachtoffer 1] heeft gebeld. Daarnaast is [slachtoffer 1] op 5 juli 2025 anoniem gebeld door een persoon die tegen haar zegt dat zijn vader nog 500 euro van [slachtoffer 1] krijgt. Daarna is zij nog een aantal keren anoniem gebeld. Ook heeft zij op 5 juli 2025 sms-berichten ontvangen van het mobiele nummer [telefoonnummer 1] en is zij meerdere keren door dit nummer gebeld op die dag.
Door de politie is onderzoek gedaan naar dit mobiele nummer. Dit telefoonnummer bleek te zijn gekoppeld aan [naam 3], woonachtig aan de [adres 4]. Dit is nabij de woning van verdachtes andere ex-partner, die woonachtig is aan de [adres 5]. Hier werd op 8 juli 2025 een zorgmelding opgemaakt, omdat zij van de buurman had begrepen dat verdachte bij hem had verbleven om haar te observeren.
Op 7 juli 2025 is [slachtoffer 1] gebeld door het mobiele nummer [telefoonnummer 2]. [slachtoffer 1] herkende de stem van verdachte. Door de politie is teruggebeld naar dit telefoonnummer. De hen ambtshalve bekende [naam 4] nam op. Hij vertelde dat hij zijn mobiele telefoon had uitgeleend aan een vriend, genaamd [verdachte]. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij [naam 4] kent en dat het kan dat hij met diens mobiele telefoon naar [slachtoffer 1] heeft gebeld, omdat hij het geld en zijn vogel van [slachtoffer 1] terug wilde.
Op 25 september 2025 liep [slachtoffer 1] met haar dochter en de coach van haar dochter in de buurt van de [locatie 4] in [plaats 1] . Daar kwam verdachte in hun richting fietsen. Op het moment dat hij een aantal meter voor hen was, fietste hij de parkeerplaats op in de richting van de [adres 6]. [slachtoffer 1] en haar dochter waren erg bang. Iets later zagen zij dat verdachte achter een boom naar hen aan het kijken was. Daarop zijn ze de [locatie 4] binnen gegaan en hebben ze de politie gebeld. Op het moment dat de politie ter plaatse was en met [slachtoffer 1] in gesprek wilde, kwam verdachte weer voorbij fietsen. Verdachte is daarop staande en vervolgens aangehouden.
-
De overwegingen van de rechtbank
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte op de hoogte was van de gedragsaanwijzing op 4 juli 2025 en dat hij desondanks toch – al dan niet door tussenkomst van anderen – contact met [slachtoffer 1] heeft opgenomen door haar te bellen, te sms-en en door haar op straat te volgen en in haar buurt te blijven.
-
De conclusie
De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen.
3.4
Parketnummer 08.007971.26
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
3.5
Parketnummer 08.015078.26
3.5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van het feit bepleit, omdat de wederrechtelijkheid niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, omdat verdachte zich enkel verstopt heeft omdat hij bedreigd werd.
3.5.3
De overwegingen van de rechtbank
-
De feiten en omstandigheden
Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting bekend dat hij op 14 januari 2026 over de schutting is geklommen van de woning aan de [adres 7] en dat hij zich in de schuur, die in de tuin van die woning stond, heeft verstopt totdat hij daar door de politie werd uitgehaald.
-
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan erf- en lokaalvredebreuk, omdat hij zonder toestemming van de bewoner van de woning aan de [adres 7] over de afgesloten schutting – die rondom de achtertuin van die woning staat – is geklommen en zich in de schuur in de achtertuin bij die woning op heeft gehouden. Dat verdachte zich enkel zou hebben verstopt omdat hij zou worden bedreigd, is geen rechtvaardigingsgrond voor het plegen van het feit. Voor het overige is daarvan ook niet gebleken. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.
-
De conclusie
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen.
3.6
Parketnummer 18.101311.26
3.6.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, met dien verstande dat verdachte moet worden vrijgesproken van vernieling van de wasbak.
3.6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft allereerst een voorwaardelijk verzoek tot aanhouding van deze zaak gedaan, omdat het van belang is om, als die er zijn, de bodycambeelden te bekijken teneinde te beoordelen of geen excessief politiegeweld is toegepast. Indien de rechtbank dit verzoek niet toewijst, heeft de verdediging bepleit dat ten aanzien van feit 1 niet kan worden bewezen dat verdachte de schade aan de deur heeft veroorzaakt. Voor het overige heeft de verdediging geen opmerkingen met betrekking tot dit feit.
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging bepleit dat verdachte zijn linkerarm tussen zijn buik en de grond probeerde te krijgen en te houden, terwijl de politie probeerde zijn arm op zijn rug te krijgen. Daarmee heeft hij niet zijn arm bewogen in een andere richting dan waar de politie zijn arm trachtte te bewegen, zoals is ten laste gelegd. Daarmee heeft verdachte geen geweld gepleegd. Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat, hoewel in de jurisprudentie wordt aangenomen dat het aanspannen van de spieren een aanhouding bij verzet oplevert, dit bij verdachte anders dient te worden beoordeeld. Het aanspannen van de spieren was in dit geval een logische reactie van het lichaam op de pepperspray en het slaan met de wapenstok. Er is dan ook geen sprake van opzettelijk verzet tegen de aanhouding.
3.6.3
De overwegingen van de rechtbank
-
De feiten en omstandigheden
In de nacht van 4 op 5 april 2026 werd door een rangeer machinist geconstateerd dat een trein op het rangeerterrein open stond en het alarm af ging. De machinist was samen met een andere collega van NS door de trein gelopen en zag dat een toiletdeur op slot was. Zij hoorden beweging en geluiden uit dit toilet komen en hebben daarop besloten de toiletdeur van buitenaf op slot te doen. Daarop werd de politie ingeschakeld. Door de medewerkers van het spoor werd gezien dat er rook door de scharnieren van de toiletdeur kwam en zij roken een brandlucht. Ook was een man vanuit het toilet aan het schreeuwen dat ze de deur open moesten doen, waarbij hij tegen de deur aan het schoppen was. Toen de politie ter plaatse was en de deur van het toilet werd geopend, zagen de medewerkers van het spoor dat er brand was gesticht in de prullenbak, dat de onderkant van de wasbak op de grond lag en dat er zwarte vegen aan de binnenkant van de toiletdeur zaten. De man in de toiletruimte hield zijn linkerhand in de binnenkant van zijn vest. Hij stond in de gevechtshouding en was hard aan het schreeuwen. Hij drukte zijn linkerhand naar voren alsof hij iets op de mensen voor hen richtte en had een brandende sigaret in zijn mond. Op aanroepen van de politie dat de man zijn handen moest laten zien reageerde hij niet. Hij bleef in dezelfde houding staan en deed een stap naar voren. Na nogmaals aanroepen de handen te laten zien, reageerde de man nog niet waarop door beide agenten pepperspray is ingezet. Omdat de man nog steeds zijn linkerhand in zijn vest had, is ook de wapenstok tegen hem gebruikt. Daarop dook verdachte in elkaar en hield beide handen voor zijn gezicht. Daarop is verdachte door de agenten uit het toilet getrokken en naar de grond gewerkt, waarbij verdachte op zijn linkerzij lag zodat wederom zijn linkerhand niet zichtbaar was. Daarop spande de man zijn hele lichaam aan en werd door de verbalisanten gevoeld dat de man zijn rechterarm met kracht onder zijn lichaam probeerde te houden. Daarop werd de man met de wapenstok gefixeerd op de grond. Uiteindelijk lukte het de agenten om een boei te slaan om de rechterarm van de man, hem op zijn buik te draaien en zijn rechterarm naar zijn rug te brengen. Daarop voelden de agenten dat de man zijn linkerarm met kracht tussen zijn buik en de grond probeerde te krijgen. Na enkele ogenblikken lukte het de agenten uiteindelijk de linkerarm van de man naar zijn rug te brengen en ook hier de boei aan te brengen. Hierop is de man aangehouden. De man bleek te zijn [verdachte] , zijnde verdachte.
-
De overwegingen van de rechtbank
Feit 1
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor aan feiten en omstandigheden heeft uiteen gezet, is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die zich in de toiletruimte van de trein aldus heeft gedragen dat die toiletruimte onbruikbaar is gemaakt.
Feit 2
-
Voorwaardelijk verzoek
De rechtbank acht het niet noodzakelijk de zaak aan te houden voor het bekijken van de beelden van de bodycam van de agenten, zo die er al zijn, nu uit het proces-verbaal van bevindingen de feitelijke gang van zaken voldoende is uiteen gezet en de rechtbank geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid daarvan. De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging af.
-
De aanhouding
De rechtbank stelt voorop dat verzet of bedreiging met geweld een bestanddeel vormt van het delict wederspannigheid. Uit jurisprudentie van het de Hoge Raad volgt dat verzet het weerstreven van de ondernomen ambtshandeling betreft en zich openbaart door geweld of bedreiging met geweld. Het betreft een feitelijk, handtastelijk optreden van de verdachte dat de voltooiing van de werkzaamheden van de ambtenaar fysiek onmogelijk maakt. Het bestanddeel ‘geweld’ dient daarbij ruim opgevat te worden.
Uit voornoemde feiten en omstandigheden volgt dat verdachte niet meewerkte bij zijn aanhouding door zijn lichaam aan te spannen en zijn armen met kracht onder zijn lichaam te houden, terwijl de agenten probeerden hem te boeien. Verdachte erkent ter zitting ook dat hij zich verzet heeft. De rechtbank is van oordeel dat het aanspannen van het lichaam in dit geval een fysieke reactie van verdachte is, gericht op het onmogelijk maken van de rechtmatige uitoefening van de werkzaamheden door de agenten en daarmee opzettelijk is gepleegd. De rechtbank verwerpt dan ook de verweren van de verdediging.
-
De conclusie
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

4.De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
-
Parketnummer 08.397254.24
1
hij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 28 november 2024 te [plaats 1] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door
- meermalen te bellen met die [slachtoffer 1] en
- meermalen de voicemail van die [slachtoffer 1] in te spreken (met dwingende en/of vervelende teksten) en
- meermalen vanuit de PI brieven te sturen naar die [slachtoffer 1] en
- meermalen in de nabije omgeving van de woning zich te bevinden en
- meermalen aan te bellen bij de woning van die [slachtoffer 1] en
- meermalen tegen de voordeur van de woning van die [slachtoffer 1] te schoppen en/of te trappen en
- meermalen (door over een schutting te klimmen) zich in de achtertuin van die [slachtoffer 1] te bevinden en
- ( terwijl hij bij de woning van die [slachtoffer 1] stond) te roepen: "Kankerhoer, doe die (kanker)deur open" en
- ongewenst de moeder van die [slachtoffer 1] te bezoeken met het oogmerk die
[slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen;
2
hij op 28 oktober 2024 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag en
één of meer goederen, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] toebehoorde(n) (vanuit de Penitentiaire Inrichting) met die [slachtoffer 1] te bellen en tegen die [slachtoffer 1] te roepen/zeggen: "Als jij mij binnen 2 weken ja, niet mijn kankergeld stort op deze rekening. Ik zweer het op mijn kinderen [naam 1] . Ik zweer het ik blaas jou hele kankerhuis op. Dus dan weet je dat. Want ik heb niks meer te verliezen", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op of omstreeks 4 augustus 2024 en 29 augustus 2024 en 16 september 2024 en
24 september 2024 te [plaats 1] in het besloten erf, [adres 1] bij een ander, te weten bij [slachtoffer 1] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
-
Parketnummer 08.327279.24
1
hij op 27 september 2024 te Hardenberg opzettelijk een (elektrische) fiets (Fatbike, Ouxi, V8), geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] B.V. en/of [slachtoffer 3] en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als (potentiële) koper en/of lener (voor het maken van een proefrit), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2
hij op 4 oktober 2024 te Wezep, gemeente Oldebroek opzettelijk een (elektrische) fiets (Victoria, Tresalo 7, [nummer] ), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [bedrijf 2] en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als (potentiële) koper en/of lener (voor het maken van een proefrit), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
3
hij op 6 oktober 2024 in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het verlenen van een
dienst, te weten een geldbedrag van 140 euro en een autorit (van [plaats 1] naar Zwolle en terug), door
- bij die [slachtoffer 2] aan te bellen bij de voordeur en
- aan te geven dat hij zojuist over een balkje was gereden en daarbij een lekke band had gekregen en
- aan te geven dat hij met spoed naar de 1e hulp van het ziekenhuis moest om medicijnen te halen voor zijn dochter die leukemie heeft en
- dat zijn dochter zou bij zijn schoonmoeder verblijven en
- dat zijn ex-vrouw die in het ziekenhuis ligt al wat had geregeld maar dat de medicijnen (ter waarde van 140 euro) nog wel betaald moeten worden en
- dat zijn zoon in het park bij het provinciehuis zou zijn en die kon die 140 euro wel
regelen en (vervolgens)
- terug te rijden naar de woning van die [slachtoffer 2] en
- aan te geven dat hij het geld bij een vriend om de hoek ging halen en
- het geldbedrag van 140 euro niet terug te betalen;
4
hij op 9 oktober 2024 te Elburg opzettelijk een auto (Mercedes, type E300, kenteken [kenteken 1] ), geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 3] en/of [slachtoffer 5] en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als (potentiële) koper en/of lener (voor het maken van een proefrit), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
5
hij op 11 oktober 2024 te Borne opzettelijk een bestelbus (Renault, Traffic, wit, kenteken [kenteken 2] ) voorzien van handelaarskenteken [kenteken 3] ), geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 4] GMBH en/of [slachtoffer 6] en/of [bedrijf 5] B.V. en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als (potentiële) koper en/of lener (voor het maken van een proefrit), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
6
hij op 11 oktober 2024 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) opzettelijk een auto (Mercedes, Vito, kenteken [kenteken 4] ), geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 6] B.V. en/of [slachtoffer 7] en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als (potentiële) koper en/of lener (voor het maken van een proefrit), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
7
hij op 12 oktober 2024 te [plaats 2], gemeente [plaats 1] opzettelijk een fatbike, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 7] en/of [slachtoffer 8] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als (potentiële) koper en/of lener (voor het maken van een proefrit), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
8
hij op 1 augustus 2024 te Zwolle tezamen en in vereniging met anderen, bundels met koperen leidingen (totale waarde ongeveer 1.800 euro), die geheel of ten dele aan Deltion College, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
9
hij in de periode van 10 oktober 2024 tot en met 13 oktober 2024 te [plaats 4], gemeente Ommen, kentekenplaten ( [kenteken 5] ), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
-
Parketnummer 08.326990.25
hij in de periode van 4 juli 2025 tot en met 8 juli 2025 in Nederland telkens opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 3 juli 2025, gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland door
- meermalen (direct en/of indirect) telefonisch contact met [slachtoffer 1] te zoeken en
- meermalen (direct en/of indirect) berichten te sturen naar [slachtoffer 1] ;
-
Parketnummer 08.326986.25
hij op 25 september 2025 te [plaats 1] opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 3 juli 2025, gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland door het contactverbod te overtreden;
-
Parketnummer 08.007971.26
hij op 9 januari 2026 te Zwolle opzettelijk ambtenaren, te weten [verbalisant 1] , werkzaam als Buitengewoon Opsporingsambtenaar aangesteld in domein IV Openbaar Vervoer en
[verbalisant 2], werkzaam als Buitengewoon Opsporingsambtenaar aangesteld in domein IV Openbaar vervoer, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen:
- " Je kan de kanker krijgen’,
- " Kankermongolen’,
- ‘ Kankerlijers’, en
- " Kankersukkel’;
-
Parketnummer 08.015078.26
hij op 14 januari 2026 te Zwolle in het besloten lokaal en het besloten erf, [adres 7] bij een ander, te weten bij [slachtoffer 9] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
-
Parketnummer 18.101311.26
1
hij, op 5 april 2026, te Leeuwarden, opzettelijk en wederrechtelijk een toiletruimte in een (Arriva) trein, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Arriva, toebehoorde onbruikbaar heeft gemaakt;
2
hij, op 5 april 2026, te Leeuwarden, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, te weten: [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (beiden hoofdagent bij politie Eenheid Landelijke Expertise En Operaties), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding en overbrenging van verdachte, door (op het moment dat voornoemde agenten verdachte wilden boeien):
- zijn, verdachtes, lichaam aan te spannen, en
- zijn, verdachtes, armen (met kracht) onder zijn lichaam te houden.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 138, 180, 184a, 266, 267, 285, 285b, 311, 317, 321, 326, 350, 416 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 08.397254.24
feit 1
het misdrijf:
belaging
feit 2 primair
het misdrijf:
poging tot afpersing
feit 3
het misdrijf:
het besloten erf bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
Parketnummer 08.327279.24
feit 1, feit 2, feit 4, feit 5 primair, feit 6 en feit 7
telkens het misdrijf:
verduistering
feit 3
het misdrijf:
oplichting
feit 8
het misdrijf:
diefstal door twee of meer verenigde personen
feit 9
het misdrijf:
opzetheling
Parketnummer 08.326990.25 en parketnummer 08.326986.25
telkens het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering
Parketnummer 08.007971.26
het misdrijf:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
Parketnummer 08.015078.26
het misdrijf:
het besloten erf en besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
Parketnummer 18.101311.26
feit 1
het misdrijf:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken
feit 2
het misdrijf:
wederspannigheid

6.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7.De op te leggen straf of maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van het voorarrest en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging van ongemaximeerde duur op te leggen. De officier van justitie heeft ook gevorderd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, als bedoeld in artikel 38v Sr, op te leggen en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat het opleggen van een gevangenisstraf niet doelmatig is, nu verdachte (evenals de samenleving) baat heeft bij een behandeling. De raadsvrouw heeft bepleit dat in dat kader een ISD maatregel passend zou kunnen zijn evenals in het kader van een TBS met voorwaarden.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Nadat de relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] ten einde kwam wegens huiselijk geweld, heeft [slachtoffer 1] verdachte, met tussenkomst van de politie, schriftelijk meegedeeld geen contact meer hem te willen. Desondanks heeft verdachte veelvuldig contact opgenomen met [slachtoffer 1] , zelfs vanuit detentie heeft hij haar herhaaldelijk gebeld en brieven gestuurd waarin hij haar probeerde te bewegen geld aan hem te betalen. Ook heeft verdachte met geleende telefoons geprobeerd contact met [slachtoffer 1] op te nemen en is hij bij haar moeder langs geweest, om haar te bewegen contact met hem op te nemen. Verdachte heeft door op deze wijze te handelen inbreuk gemaakt op de privacy en de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] . Uit de door [slachtoffer 1] ter zitting voorgedragen verklaring blijkt dat zij angstgevoelens en gevoelens van machteloosheid ondervindt, temeer nu het gedrag, ondanks een eerder contactverbod en detentie, door is gegaan. Het heeft haar een dusdanig onveilig gevoel bezorgd, dat zij camera’s in haar woning heeft geïnstalleerd met zicht op de voor- en achterzijde van de woning en zich uiteindelijk zelfs genoodzaakt heeft gezien te verhuizen. Het gedrag van en de angst voor verdachte houdt haar constant bezig. De rechtbank rekent het verdachte zeer ernstig aan, dat hij ondanks eerdere gedragsaanwijzingen niet lijkt te stil te staan bij de enorme impact die zijn handelen op [slachtoffer 1] heeft. In tegendeel, verdachte lijkt ervan overtuigd te zijn volledig in zijn recht te staan.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een fors aantal vermogensdelicten, belediging van ambtenaren in functie, erf- en lokaalvredebreuk, vernieling en wederspannigheid. Verdachte heeft door zijn handelen het eigendomsrecht van anderen veronachtzaamd en puur uit eigenbelang gehandeld en neemt wat hij meent nodig te hebben. Naast de directe (financiële) schade voor de slachtoffers heeft dit ook geleid tot hinder en gevoelens van onveiligheid in samenleving.
De justitiële documentatie
De rechtbank heeft acht geslagen op het 47 pagina’s tellende strafblad van verdachte van
17 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor onder meer vermogensdelicten. Zo ook op onder andere 10 juli 2024 door de politierechter in de rechtbank Overijssel tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voor oplichting of pogingen daartoe. Dit betekent dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is.
Gevangenisstraf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de feiten, alsmede het patroon in het strafblad van verdachte een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Deze gevangenisstraf is lager dan de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf, omdat de rechtbank het daarnaast van belang acht dat verdachte passende behandeling krijgt. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de hierna genoemde rapportages, die zijn opgemaakt over verdachte.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.
De Pro Justitia rapportages
Over verdachte zijn de volgende rapportages opgemaakt:
- een rapportage van 7 november 2025 van R.W. Blaauw, GZ-psycholoog tezamen met supervisant J.A.C. Brugmaan, GZ-psycholoog; en
- een rapportage van 12 november 2025 van A.W.M.M. Stevens, psychiater.
Uit deze rapportages komt naar voren dat volgens beide deskundigen bij verdachte sprake is van een verstandelijke ontwikkelingsstoornis (licht verstandelijke beperking (hierna: LVB)), een antisociale persoonlijkheidsstoornis alsmede een stoornis in het cocaïne- en cannabisgebruik.
Volgens beide deskundigen waren de stoornissen aanwezig ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten en is er doorwerking van psychische stoornissen. Verdachte meent dat hij recht heeft op veel dingen, respecteert de grenzen van anderen niet en neemt wat hij meent nodig te hebben. Het lukt verdachte niet een maatschappelijk meer aanvaarde leefstijl voor elkaar te krijgen. Hoewel verdachte goed beseft wat hij doet, is hij vanuit de combinatie van persoonlijkheidsstoornis, licht verstandelijke beperking en verslaving onvoldoende in staat om in geheel vrije wil zijn handelen te bepalen. Daarbij is verdachte vanuit zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis en licht verstandelijke beperking ook verminderd in staat zich daadwerkelijk in te leven in de gevoelens van slachtoffers, hij heeft de neiging deze gevoelens te bagatelliseren. De deskundigen adviseren dan ook de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Er is bij verdachte sprake van vele risicofactoren en beschermende factoren ontbreken. Beide deskundigen schatten in dat sprake is van een hoog risico op recidive met enig delict, een hoog risico op terugval in stalking en een hoog risico op geweld tegen het slachtoffer van stalking.
Advies ten aanzien van de interventies
Nu er sprake is van een psychische stoornissen en recidiverisico zonder behandeling als hoog wordt ingeschat achten beide deskundigen het van belang dat verdachte behandeling krijgt.
De psychiater rapporteert dat verdachte behandeling zou moeten krijgen voor de persoonlijkheidsproblematiek en verslavingsproblematiek. De verstandelijke beperking kent geen behandeling, maar begeleiding en training is zeker mogelijk en wenselijk. Een (langer durende) klinische behandeling wordt als noodzakelijk geacht, waarbij er expertise moet zijn in zowel verslavingsproblematiek als persoonlijkheidsproblematiek. De verwachting is dat het om een langdurende klinische behandeling gaat, gezien het hardnekkig zijn van de problemen. Tevens zal er aandacht moeten zijn voor een resocialisatietraject, waarbij overwogen kan worden naar een beschermde woonvorm toe te leiden.
Verdachte is sinds 2011 meerdere malen klinisch opgenomen geweest in het kader van voorwaardelijk strafdeel, maar de behandeling steeds vroegtijdig is beëindigd, omdat verdachte niet meer mee wilde werken. Hoewel verdachte nu aangeeft gemotiveerd te zijn, wordt de kans van slagen van een voorwaardelijk strafdeel niet groot geacht, omdat verdachte ook bij eerdere behandelingen steeds aan heeft gegeven gemotiveerd te zijn. Bij een TBS met voorwaarden geldt hetzelfde, zij het dat de kans dat verdachte mee blijft werken mogelijk groter is, omdat de consequentie van niet meewerken geen detentie, maar TBS-dwangverpleging is. Een ISD-maatregel is overwogen, doch ook hierbij is de kans dat betrokkene zich aan de behandeling committeert niet groot, zodat de kans op een effectieve behandeling zeer klein wordt geacht. De psychiater adviseert derhalve een TBS met voorwaarden. Om te borgen dat er langer durend toezicht blijft zou een Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (GVM) kunnen worden overwogen, die in zou kunnen gaan na afloop van het opgelegde juridische kader.
De psycholoog stelt eveneens dat de behandeling van verdachte zich moet richten op de comorbiditeit van de cocaïneverslavig en de persoonlijkheidsproblematiek. Het is van belang dat verdachte weerstand leert bieden aan het gebruik van middelen en leert omgaan met zijn impulsiviteit, waardoor hij minder geneigd zal zijn over te gaan tot delictgedrag bij vermeend onrecht of om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud. Daarnaast zal verdachte inzicht moeten verkrijgen in zijn interpersoonlijk functioneren, waardoor hij minder snel in conflictueuze situaties terecht komt en geneigd is grenzen/gevoelens van anderen te bagatelliseren. Gezien de verstandelijke beperking van verdachte is het belangrijk dat langdurige en intensieve sturing en structuur wordt geboden, waarmee stabiliteit op het gebied van huisvesting, inkomen en dagbesteding kan worden gerealiseerd. Vanuit de multidisciplinaire richtlijnen voor behandeling van persoonlijkheidsproblematiek blijkt dat het aan te bevelen is om uit et gaan van een voldoende lange (12-18 maanden) en hoog-gedoseerde behandeling om de kenmerken van de persoonlijkheidsstoornis duurzaam te veranderen. Dit alles maakt dat de psycholoog adviseert om verdachte te laten opnemen in forensische kliniek waar voldoende expertise is op het gebied van triple-problematiek. Vanuit hier zou hij bij voldoende verbetering kunnen uitstromen naar begeleid of beschermd wonen.
Hoewel een behandeling is in het kader van een voorwaardelijk strafdeel passend zou zijn gelet op de ernst van de tenlastegelegde feiten en de geringe hoeveelheid geweldsdelicten, leert de geschiedenis dat verdachte een patroon laat zijn waarbij hij behandeling in dit kader telkens voortijdig staakte of zich onttrok aan reclasseringstoezicht. De kans is dus aanzienlijk dat opnieuw opleggen van een behandeling in het kader van een voorwaardelijk strafdeel resulteert in het voortijdig staken van de behandeling door verdachte, met als risico dat verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij. Daarbij worden de risico’s op algemene recidive, stalking en gewelddadig gedrag ingeschat als hoog bij het niet volgen van een behandeling. Dit maakt dat de psycholoog geen andere mogelijkheden meer ziet dat het opleggen van een TBS-maatregel. De psycholoog rapporteert bij oplegging van een TBS-maatregel met voorwaarden sterk vraagtekens te hebben bij de kans op slagen, gezien het langdurige patroon bij verdachte waarin het hem niet lukt zich te houden aan de gestelde voorwaarden. Hierdoor resteert, volgens de psycholoog, dan enkel de mogelijkheid tot een TBS-maatregel met dwangverpleging.
Het reclasseringsadvies
De rechtbank heeft eveneens acht geslagen op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 10 maart 2026, opgemaakt en ondertekend door mevrouw [naam 5], reclasseringswerker, en haar toelichting daarop ter terechtzitting.
De reclassering schaart zich achter de diagnostiek zoals beschreven in de Pro Justitia rapportages en achter de mate van toerekenbaarheid van het ten laste gelegde aan verdachte. De reclassering stelt dat de afwerende- en zelfbepalende houding, die als een rode lijn door het reclasseringsdossiers loopt, de instabiliteit op alle leefgebieden in stand houdt en ertoe leidt dat alle trajecten keer op keer stagneren, waarbij de problematiek blijft bestaan. Bij het opstellen van het plan van aanpak toont verdachte zich keer op keer gemotiveerd, maar deze motivatie zet zich niet om in daden. In vrijwillig kader zet verdachte geen stappen richting hulpverlening en ook vertelt hij wisselende verhalen. Hierdoor wekt verdacht de indruk niet open en betrouwbaar te zijn en bestaat onvoldoende zicht op de daadwerkelijke belevingswereld van verdachte, waardoor interventies mogelijk niet of minder goed aansluiten.
De reclassering heeft de mogelijkheden voor verschillende reclasseringsinterventies onderzocht. Hieruit komt naar voren dat er geen mogelijkheden zijn voor een traject in het kader van een voorwaardelijke veroordeling. Verdachte heeft door de jaren heen laten zien dat het inzetten van bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijk (gevangenis)straf geen invloed heeft op de risico’s ten aanzien van recidive en niet leiden tot gedragsverandering. Het wederom inzetten van bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijk (gevangenis)straf is een herhaling van zetten, die niet tot gedragsverandering zullen leiden. De reclassering is van mening dat de meer stringente kaders van een isd-maatregel meer kans van slagen hebben, dan een voorwaardelijke veroordeling, maar stelt dat de duur van twee jaren mogelijk te kort is om de hardnekkige en langdurige problemen effectief te kunnen behandelen.
De reclassering is met verdachte in gesprek gegaan over de mogelijkheden van een TBS met voorwaarden. Verdachte heeft aangegeven, dat hij, ondanks dat hij hier niet de noodzaak van inziet, wel zal meewerken. Verdachte stelt echter dusdanige voorwaarden over de invulling van het traject dat het op voorhand al weinig kans van slagen heeft. Dit maakt dat de reclassering twijfels heeft over de haalbaarheid van TBS met voorwaarden en de bereidheid van verdachte om daadwerkelijk mee te werken. Verder onderzoek door de reclassering is gestagneerd, omdat verdachte buiten de detenties om niet bereikbaar bleek voor de reclassering en ondanks herhaalde verzoeken hiertoe geen contact met de reclassering heeft opgenomen voor verder onderzoek. Dit versterkt bij de reclassering het idee dat geen sprake is van betrouwbare bereidheid aan de zijde van verdachte. De reclassering adviseert derhalve negatief over TBS met voorwaarden en ziet te weinig mogelijkheid om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.
Ter terechtzitting heeft mevrouw [naam 5], namens de reclassering een toelichting op het reclasseringsadvies gegeven en het gegeven advies gehandhaafd. Aanvullend heeft zij, zakelijk weergegeven, onder meer verklaard dat ook na 2 april 2026 weinig contact tot stand is gekomen met verdachte, alleen in het kader van een schorsingsverzoek, hetgeen de twijfels van de reclassering over de betrouwbare bereidheid onderstreept.
De rechtbank neemt de conclusies van de Pro Justitia rapporteurs en de reclassering over.
De maatregel TBS
De rechtbank stelt vast dat de onder parketnummer 08.397254.24 feit 1 en 2 primair en de onder parketnummer 08.327279.24 feit 3, 8 en 9 bewezenverklaarde feiten misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a Sr waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. Bij verdachte bestond blijkens de rapportages van de gedragsdeskundigen ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Verder eist de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel.
Gelet op hetgeen hiervoor is uiteengezet zal de rechtbank gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld. Voor de beantwoording van de vraag in welk kader dat moet zijn, acht de rechtbank van belang dat alle (klinische) behandelingen sinds 2011 in het kader van een voorwaardelijk strafdeel voortijdig zijn beëindigd doordat verdachte niet meer wilde meewerken. Gelet op de rapportages is dat naar het oordeel van de rechtbank dan ook een gepasseerd station en biedt het kader van TBS met dwangverpleging meer mogelijkheden om de noodzakelijk behandeling (en voortzetting daarvan) te borgen. Daarmee bestaat vanuit gedragskundig perspectief dan ook de meeste garantie voor een succesvolle behandeling en het terugdringen van het recidivegevaar, zoals ook door de psycholoog en de reclassering is geadviseerd.
De rechtbank zal daarom aan verdachte, naast de hiervoor genoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, de maatregel van TBS met bevel tot verpleging van overheidswege opleggen.
De rechtbank overweegt dat de belaging en afpersing gepaard zijn gegaan met ernstige (doods)bedreigingen in combinatie met het fysiek opzoeken van verdachte bij en in haar woning. De rechtbank is van oordeel dat daarmee en gelet op de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafmotivering, in onderling verband en samenhang bezien, sprake is van meerdere misdrijven, die gericht waren tegen of gevaar veroorzaakten voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen zoals bedoeld in artikel 38e, eerste lid Sr. De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan.
Maatregel ex artikel 38v Sr
Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr opleggen, ter voorkoming van strafbare feiten. Deze maatregel behelst een contactverbod.
Het contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact mag opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] . De rechtbank overweegt dat deze maatregel ook van kracht is tijdens de vrijheidsbeneming (voorlopige hechtenis, gevangenisstraf en/of TBS). Gelet op het eerder contact leggen door verdachte met [slachtoffer 1] vanuit de gevangenis is een contactverbod noodzakelijk. Met het contactverbod beoogt de rechtbank dat [slachtoffer 1] zich veiliger voelt gelet op de impact die de strafbare feiten heeft gehad en nog steeds heeft. Het contact- en locatieverbod geldt voor de duur van vijf (5) jaren. Voor iedere keer dat verdachte het contact- en locatieverbod overtreedt, zal vervangende hechtenis van de hierna bepaalde duur worden opgelegd, met een maximum van zes maanden.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. De rechtbank acht een dergelijke situatie thans aan de orde gelet op de problematiek van verdachte en de houding ten opzichte van [slachtoffer 1] .

8.De schade van benadeelden

8.1
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 24.359,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- beveiligings-/veiligheidskosten € 600,--;
- reiskosten € 125,--;
- verhuiskosten € 2.500,--;
- bril € 159,--;
- Batavus Mambo € 700,--;
- Seat Ibiza € 4.400,--;
- caravan € 1.500,--;
- ontvreemde bedragen € 6.884,--.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 7.500,-- gevorderd.
Ter vergoeding van proceskosten wordt een bedrag van € 1.722,50 gevorderd.
8.1.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering nog steeds niet op alle punten even duidelijk is. Dat beveiligingskosten gemaakt zijn is goed voorstelbaar. De reiskosten en verhuiskosten zijn onvoldoende onderbouwd. Datzelfde geldt voor de kosten voor de bril. Daarnaast zijn de kosten voor de fiets, de Seat Ibiza, de caravan en het weggenomen geld niet terug te voeren op een door verdachte gepleegd onderhavig strafbaar feit. Wat betreft de immateriële schade kom je – gelet op de Rotterdamse schaal – strikt genomen wat lager uit, maar als je de andere feiten, zoals het overtreden van de gedragsaanwijzing, erbij neemt, loopt de tenlastegelegde periode wel langer door. Die schade is dan ook toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de posten ‘caravan’, ‘Seat Ibiza’, ‘Batavus Mambo’, ‘bril’ en ‘ontvreemde geldbedragen’ geen verband houden met de tenlastegelegde feiten. Ook zijn de posten niet onderbouwd, zodat niet duidelijk is waar die bedragen op zijn gebaseerd. Daarnaast zijn de verhuis-, reis- en beveiligingskosten niet nader gespecificeerd en onderbouwd. Om die reden moet het materiële deel in zijn geheel worden afgewezen.
Als de vordering ontvankelijk is, is de periode van stalking korter dan de periode waar het gevorderde bedrag op ziet. De periode van het overtreden van de gedragsaanwijzing dient niet in dat bedrag meegenomen te worden.
8.1.3
Het oordeel van de rechtbank
-
Materiële schade
De rechtbank stelt voorop dat alleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, voor vergoeding in aanmerking komt. Ten aanzien van de schadeposten ‘caravan’, ‘Seat Ibiza’, ‘Batavus Mambo’, ‘bril’ en ‘ontvreemde geldbedragen’ is onvoldoende onderbouwd dat sprake is van rechtstreekse schade.
De raadsvrouw heeft de vordering tot vergoeding van de posten verhuis-, reis- en beveiligingskosten betwist. Gelet op deze betwisting is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure.
De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in het materiële deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
-
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, sub b, BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
-
Proceskosten
De vordering van de benadeelde is opgesteld en ingediend door een gemachtigde. Op grond van artikel 238, tweede lid, Rv komen in dat geval de kosten voor het salaris van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke begroting van die kosten aan de hand van het ‘Liquidatietarief kanton per 1 februari 2026’. Daarbij gaat de rechtbank uit van een salaris van € 360,-- per punt (passend bij een vordering tussen de € 5.000,-- en € 10.000,--). Voor de verrichte werkzaamheden worden tweepunten gehanteerd, namelijk voor het indienen van de vordering en de aanwezigheid ter zitting op 2 april 2026. Op basis hiervan stelt de rechtbank de hoogte van de proceskosten vast op een bedrag van in totaal € 720,--.
-
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 28 november 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
-
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 7.500,-- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 62 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
8.2
De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 3]
[aangever 2] heeft zich namens [bedrijf 3] als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.486,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- schade voertuig € 1.800,--;
- vermissing sleutel auto € 486,--;
- transport € 200,--.
8.2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 2.000,-- kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het gedeelte van de schade die ziet op de schade aan het voertuig en vermissing van de sleutel van de auto niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat verdachte niet verdacht wordt van vernieling.
Terzake het overige heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld de gehele vordering af te wijzen. De opgegeven transportkosten zijn disproportioneel en onvoldoende onderbouwd. Daarnaast is in de aangifte niets vermeld over vermissing van een autosleutel.
8.2.3
Het oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder parketnummer 08.327279.24 bewezen verklaarde feit 4, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 9 oktober 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
-
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 2.486,-- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 24 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
8.3
De vordering van de benadeelde partij Deltion College
[aangever 3] heeft zich namens Deltion College als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.131,97, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- koperen buis 2,5 m, 15mm, 50 keer € 1.338,21;
- koperen buis 2,5 m, 22mm, 20 keer € 793,76.
Ter vergoeding van de proceskosten wordt een bedrag van € 867,45 gevorderd.
8.3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiele kosten in hun geheel kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de proceskosten heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
8.3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Primair omdat onduidelijk is wie [aangever 3] betreft en in het dossier een machtiging ontbreekt. Subsidiair vanwege de bepleite vrijspraak. Indien de rechtbank van oordeel is dat de vordering ontvankelijk is, heeft de verdediging bepleit de proceskosten af te wijzen, nu deze kosten onvoldoende zijn gespecificeerd.
8.3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat, ondanks het ontbreken van een machtiging, voldoende is gebleken dat [aangever 3] bevoegd is het Deltion College te vertegenwoordigen, nu Van Huizen ook namens de benadeelde partij aangifte heeft gedaan van het strafbare feit. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de machtiging is bedoeld ter bescherming van de benadeelde partij en niet ten gunste van verdachte. Ook om die reden kan het verweer van verdachte niet slagen
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte onvoldoende (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder parketnummer 08.327279.24 bewezen verklaarde feit 8, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van de materiële schade daarom geheel toe.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 1 augustus 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
-
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval wijst de rechtbank de vergoeding van de proceskosten af, nu niet is komen vast te staan dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 238 lid 1 Rv Pro.
- Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 2.131,97 aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 21 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
8.4
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 140,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende post:
- het aan verdachte overhandigde geldbedrag € 140,--.
8.1.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak van feit 3.
8.1.3
Het oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder parketnummer 08.327279.24 bewezen verklaarde feit 3, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van de materiële schade daarom geheel toe.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 6 oktober 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
- Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 140,-- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 1 dag. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
8.5
De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 10] V.O.F.
[aangever 4] heeft zich namens [bedrijf 10] V.O.F. als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- gestolen fiets € 2.000,--.
Ter vergoeding van proceskosten wordt een bedrag van € 500,-- gevorderd.
8.5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat 30% van de gevorderde materiële schade moet worden afgehaald, omdat door de bromfietshandel de verkoopprijs wordt gevraagd en niet de inkoopprijs, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de proceskosten heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat € 500,-- te veel is.
8.5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Indien de rechtbank van oordeel is dat de vordering wel ontvankelijk is, dienen de proceskosten te worden afgewezen, omdat deze post onvoldoende is onderbouwd.
8.5.3
Het oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder parketnummer 08.327279.24 bewezen verklaarde feit 7. Het uitgangspunt is vergoeding van de concreet geleden schade, die ontstaan is als gevolg van de onrechtmatige daad die besloten ligt in het strafbare feit. De rechtbank is van oordeel dat dit in dit geval de inkoopprijs betreft en zal het schadebedrag schatten aan de hand van de door de officier van justitie gehanteerde marge tussen de gevorderde verkoopprijs en de inkoopprijs van 30%. De rechtbank wijst daarom dit deel van de vordering toe en wijst het meer gevorderde af.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 12 oktober 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
-
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval wijst de rechtbank de vergoeding van de proceskosten af, nu niet is komen vast te staan dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 238 lid 1 Rv Pro.
- Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 1.400,-- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 14 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
8.6
De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] B.V.
[slachtoffer 3] heeft zich namens de benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.398,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende post:
- gestolen fat bike fiets € 1.398,--.
8.6.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat 30% van de gevorderde materiële schade moet worden afgehaald, omdat door de fietshandel de verkoopprijs wordt gevraagd en niet de inkoopprijs, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel moet worden afgewezen. Primair omdat in het dossier een machtiging ontbreekt en uit het uittreksel van de [slachtoffer 6] van Koophandel niet blijkt dat [slachtoffer 3] bestuurder is of namens [bedrijf 1] B.V. mag optreden. Subsidiair vanwege de bepleitte vrijspraak. Indien de rechtbank van oordeel is dat de vordering ontvankelijk is, heeft de verdediging bepleit dat in het dossier twee verschillende bedragen staan genoemd en het daarnaast ging om een showroommodel.
8.6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat, ondanks het ontbreken van een machtiging, voldoende is gebleken dat [slachtoffer 3] bevoegd is [bedrijf 1] B.V. te vertegenwoordigen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de machtiging is bedoeld ter bescherming van de benadeelde partij en niet ten gunste van verdachte. Ook om die reden kan het verweer van verdachte niet slagen.
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte onvoldoende (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder parketnummer 08.327279.24 bewezen verklaarde feit 1. Het uitgangspunt is vergoeding van de concreet geleden schade, die ontstaan is als gevolg van de onrechtmatige daad die besloten ligt in het strafbare feit. De rechtbank is van oordeel dat dit in dit geval de inkoopprijs betreft en zal het schadebedrag schatten aan de hand van de door de officier van justitie gehanteerde marge tussen de gevorderde verkoopprijs en de inkoopprijs van 30%. De rechtbank wijst daarom dit deel van de vordering toe en wijst het meer gevorderde af.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 27 september 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
- Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 978,60,-- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 9 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
8.7
De vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 300,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Dit bedrag wordt gevorderd ter vergoeding van immateriële schade.
8.1.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte de vordering aan de hoge kant vindt en die graag gematigd ziet. De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
8.1.3
Het oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, sub b, BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij is aangetast in zijn eer en goede naam. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze grondslag is gebaseerd. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit is aangetast in zijn eer en goede naam. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 9 januari 2026 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
- Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 300,-- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2026 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 36f, 37b, en 57 Sr.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 08.397254.24 feit 1, feit 2 primair en feit 3, het onder parketnummer 08.327279.24 feit 1 tot en met 4, feit 5 primair en feit 6 tot en met 9, het onder parketnummer 08.326990.25, het onder parketnummer 08.326986.25, het onder parketnummer 08.007971.26, het onder parketnummer 08.015078.26 en het onder parketnummer 18.101311.26 feit 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Parketnummer 08.397254.24
feit 1
het misdrijf:
belaging
feit 2 primair
het misdrijf:
poging tot afpersing
feit 3
het misdrijf:
het besloten erf bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
Parketnummer 08.327279.24
feit 1, feit 2, feit 4, feit 5 primair, feit 6 en feit 7
telkens het misdrijf:
verduistering
feit 3
het misdrijf:
oplichting
feit 8
het misdrijf:
diefstal door twee of meer verenigde personen
feit 9
het misdrijf:
opzetheling
Parketnummer 08.326990.25 en parketnummer 08.326986.25
telkens het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering
Parketnummer 08.007971.26
het misdrijf:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
Parketnummer 08.015078.26
het misdrijf:
het besloten erf en besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
Parketnummer 18.101311.26
feit 1
het misdrijf:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken
feit 2
het misdrijf:
wederspannigheid;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van
overheidswege zal worden verpleegd;
- legt aan de verdachte op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals
bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van
5 (vijf) jaren;
- beveelt dat de verdachte gedurende 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze – direct of
indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum 2] 1988 te [geboorteplaats 2];
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door
1 (een) weekhechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;
- beveelt dat deze maatregel
dadelijk uitvoerbaaris, omdat er ernstig rekening mee moet
worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich
belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] ;
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1]toe tot een bedrag van
€ 7.500,-- (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (parketnummer 08.397254.24): van een bedrag van € 7.500,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 november 2024);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 720,--, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 7.500,--, (zegge: zevenduizendvijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
28 november 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 62 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 18.221,50 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[bedrijf 3]toe tot het gevorderde bedrag van € 2.486,00 (bestaande uit materiële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (parketnummer 08.327279.24 feit 4): van een bedrag van € 2.486,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2024);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.486,--, (zegge: tweeduizendvierhonderdzesentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 24 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
Deltion Collegetoe tot het gevorderde bedrag van € 2.131,97 (bestaande uit materiële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (parketnummer 08.327279.24 feit 8): van een bedrag van € 2.131,97 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2024;
- wijst af de gevorderde kosten van het geding van € 867,45;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.131,97, (zegge: tweeduizend honderdeenendertig euro en zevenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 21 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2]toe tot een bedrag van
€ 140,-- (bestaande uit materiële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (parketnummer 08.327279.24 feit 3) van een bedrag van € 140,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2024);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 140,--, (zegge: honderdveertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[bedrijf 10] V.O.F.toe tot een bedrag van € 1.400,-- (bestaande uit materiële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (parketnummer 08.327279.24 feit 7): van een bedrag van € 1.400,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2024);
- wijst af de gevorderde kosten van het geding van € 500,--;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.400,--, (zegge: veertienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 14 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering voor wat betreft het meer gevorderde af;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[bedrijf 1] B.V.toe tot een bedrag van
€ 978,60 (bestaande uit materiële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (parketnummer 08.327279.24 feit 1) van een bedrag van € 978,60 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 september 2024);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 978,60, (zegge: negenhonderdachtenzeventig euro en zestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 september 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 9 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering voor wat betreft het meer gevorderde af;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[verbalisant 1]toe tot een bedrag van € 300,-- (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (parketnummer 08.007971.26) van een bedrag van € 300,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2026);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 300,--, (zegge: driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2026 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 3 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en
mr. E.C. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
Buiten staat
Mr. De Bie en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1447
2.Pagina 108 en volgende.