ECLI:NL:RBOVE:2026:4028

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
11 juli 2026
Zaaknummer
12053226 \ CV EXPL 26-30
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 4 lid 3 Wet op de Loonvorming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering nabetaling ploegentoeslag wegens correcte toepassing afbouwregeling

De werknemers, werkzaam als QC-analisten bij KLK Kolb Specialties B.V., vorderen nabetaling van te weinig betaalde ploegentoeslag. Zij stellen dat de werkgever de afbouwregeling van de toeslag bij overgang van een 5-ploegendienst naar een QC-ploegenrooster onjuist heeft toegepast.

De kantonrechter beoordeelt eerst de klachtplicht en oordeelt dat de werknemers tijdig hebben geklaagd, ondanks dat KLK stelt dat de melding laat was. Vervolgens wordt vastgesteld dat de afbouwregeling inging op 1 april 2021, conform de cao die loopt van 1 april 2021 tot 1 april 2023, ongeacht de latere kennisgeving aan het Ministerie van Sociale Zaken.

De kern van het geschil betreft de uitleg van de afbouwregeling in artikel 10 lid Pro h van de cao. De werknemers menen dat de afbouwregeling moet worden toegepast op het verschil tussen oude en nieuwe toeslag, terwijl KLK stelt dat het afbouwpercentage wordt toegepast over de oude toeslag totdat deze onder de nieuwe toeslag komt. De kantonrechter volgt de uitleg van KLK, omdat de tekst van de cao dit duidelijk ondersteunt.

De kantonrechter wijst de vorderingen van de werknemers af en veroordeelt hen hoofdelijk in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vorderingen van de werknemers tot nabetaling ploegentoeslag worden afgewezen wegens correcte toepassing van de afbouwregeling.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12053226 \ CV EXPL 26-30
Vonnis van 30 juni 2026
in de zaak van

1.[eiseres 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
gemachtigde: mr. M.O.G.J. Bakker (CNV),
2.
[eiseres 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
gemachtigde: mr. M.O.G.J. Bakker (CNV),
3.
[eiseres 3],
wonende te [woonplaats 3] ,
gemachtigde: mr. M.O.G.J. Bakker (CNV),
4.
[eiser 1],
wonende te [woonplaats 4] ,
gemachtigde: mr. M.O.G.J. Bakker (CNV),
5.
[eiser 2],
wonende te [woonplaats 5] ,
gemachtigde: mr. M.O.G.J. Bakker (CNV),
6.
[eiseres 4],
wonende te [woonplaats 6] ,
gemachtigde: mr. M.O.G.J. Bakker (CNV),
7.
[eiseres 5],
wonende te [woonplaats 7] ,
gemachtigde: mr. M.A. van Hoogeveen (FNV),
8.
[eiseres 6],
wonende te [woonplaats 8] ,
gemachtigde: mr. M.A. van Hoogeveen (FNV),
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de werknemers,
tegen
KLK KOLB SPECIALTIES B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Delden,
gedaagde partij,
hierna te noemen: KLK,
gemachtigde: mr. A.J.E. Riemslag.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1
De werknemers zijn in dienst van KLK in de functie van QC-analist. De werknemers werkten in een 5-ploegendienst. Naast het schaalsalaris ontvingen zij een ploegentoeslag van 30%. Op de arbeidsovereenkomsten is de ondernemingscao van KLK van toepassing.
2.2
Na afloop van een pilot is voor de QC-analisten een zogenaamd QC-ploegenrooster ingevoerd en zijn de werknemers overgestapt van een 5-ploegendienst naar een QC-ploegenrooster.
2.3
Op 19 mei 2021 heeft KLK met de vakbonden FNV en CNV een onderhandelingsresultaat bereikt voor de ondernemingscao. De cao had een looptijd van 1 april 2021 tot 1 april 2023. De ploegentoeslag voor het QC-rooster is toen vastgesteld op 21% van het schaalsalaris. In artikel 10 lid Pro h van de cao is een afbouwregeling opgenomen voor werknemers die overstappen naar een rooster met een lagere toeslag.
2.4
Per brief van 23 maart 2023 heeft KLK de werknemers geïnformeerd dat KLK vanaf 1 april 2021 is begonnen met het afbouwen van de ploegentoeslag van 30% naar 21% voor QC-analisten die zijn overgestapt van een 5-ploegendienst naar een QC-ploegenrooster.

3.Het geschil

3.1
De werknemers vorderen - samengevat - nabetaling van de te weinig betaalde ploegentoeslag, vermeerderd met de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten. Zij stellen dat KLK de afbouwregeling bij de overstap naar de lagere toeslag onjuist heeft toegepast en dat zij daarom te weinig toeslag hebben ontvangen tijdens de afbouwregeling.
3.2
KLK Kolb voert verweer. KLK Kolb concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de werknemers, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de werknemers met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de werknemers in de kosten van deze procedure. Volgens KLK is de afbouwregeling correct toegepast.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De werknemers hebben tijdig geklaagd
4.1
Het meest vergaande verweer van KLK is dat de werknemers niet tijdig geklaagd hebben over de gebrekkige prestatie, namelijk het te weinig betalen van ploegentoeslag.
4.2
Het uitgangspunt is dat de klachtplicht ook van toepassing is in het arbeidsrecht. De vordering van de werknemers betreft de betaling van te weinig betaald loon. Op een dergelijke vordering is de klachtplicht van toepassing. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad moeten bij de beoordeling van de vraag of tijdig is geklaagd, alle omstandigheden van het geval worden meegenomen. [1] Daarbij moet ook worden meegenomen of KLK in dit geval nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de werknemers hebben geklaagd.
4.3
KLK stelt pas op respectievelijk 17 juli 2024 en 14 augustus 2025 van de gemachtigden van de werknemers (in dit geval de vakbonden) te horen te hebben gekregen welke werknemers menen recht te hebben op nabetaling van te weinig betaalde ploegentoeslag. Dit is door de werknemers niet betwist. Tijdens de mondelinge behandeling is slechts besproken dat zowel [eiseres 1], [eiseres 4] en [eiseres 5] bij HR geklaagd hebben over de te weinig betaalde toeslag, maar op welk moment dit is geweest is niet duidelijk geworden. Bovendien heeft [eiseres 5] destijds via haar gemachtigde aan KLK laten weten af te zien van verdere juridische stappen vanwege persoonlijke omstandigheden.
4.4
De kantonrechter oordeelt dat de klachtplicht niet is geschonden. Aan KLK kan weliswaar worden toegegeven dat de werknemers via hun gemachtigden pas laat aan KLK hebben laten weten dat ze vinden dat ze te weinig ploegentoeslag hebben ontvangen, maar KLK heeft onvoldoende gesteld dat zij daardoor is beschadigd in haar belangen. Zij beschikt immers nog over alle stukken die zien op de vordering van de werknemers. Dat in ogenschouw nemende gaat het te ver om het vorderingsrecht van de werknemers te laten vervallen. Daarbij moet ook niet uit het oog worden verloren dat het voor een werknemer, gezien de veelal hiërarchische verhouding tussen een werkgever en een werknemer, niet eenvoudig is om zomaar te klagen over te weinig betaald loon. Ook wat betreft [eiseres 5] heeft KLK, mede gelet op de toelichting van [eiseres 5] ter zitting dat zij vanwege persoonlijke omstandigheden op dat moment afzag van verdere stappen, onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld om te kunnen oordelen dat [eiseres 5] haar aanspraak niet meer geldend kan maken. Dat betekent dat de werknemers tijdig hebben geklaagd.
De afbouwregeling ging in op 1 april 2021
4.5
De volgende vraag is wanneer de afbouwregeling van de ploegentoeslag is ingegaan. Volgens de werknemers had deze pas in kunnen gaan vanaf 1 augustus 2021, omdat de cao pas in juli 2021 is aangemeld bij het Ministerie van Sociale Zaken en de cao pas daarna in werking kan treden op grond van artikel 4 lid 3 Wet Pro op de Loonvorming. Volgens KLK is de afbouwregeling van toepassing vanaf 1 april 2021, omdat de cao ziet op de periode van 1 april 2021 tot 1 april 2023.
4.6
De kantonrechter oordeelt dat de afgesproken ingangsdatum van de cao 1 april 2021 is en dat vanaf dat moment ook de afbouwregeling gold. KLK heeft onbetwist toegelicht dat het gaat om een ondernemingscao waarbij de cao-partijen steeds hebben afgesproken wanneer de cao in zou gaan. Het was gebruikelijk dat elke voorgaande of opvolgende cao op 1 april van het betreffende jaar inging. Ook hebben de werknemers onvoldoende toegelicht waarom zij wel recht hadden op andere voorwaarden van de cao, zoals de loonsverhoging, vanaf 1 april 2021, maar waarom dat niet gold voor de afbouwregeling. Het is immers mogelijk om afspraken in een cao met terugwerkende kracht in te laten gaan en niet is gebleken dat voor de afbouwregeling een uitzondering is gemaakt. Daaraan doet een latere kennisgeving aan het Ministerie niet af. De achtergrond van deze verplichting tot kennisgeving is dat het Ministerie geïnformeerd blijft omtrent de collectieve arbeidsvoorwaardenvorming. [2] De kennisgeving maakt de weg vrij voor inwerkingtreding van de cao op het door de cao-partijen gewenste tijdstip. De kantonrechter oordeelt daarom dat de KLK de afbouwregeling terecht vanaf 1 april 2021 heeft laten ingaan.
KLK heeft de afbouwregeling correct toegepast
4.7
Tot slot zijn partijen verdeeld over de uitleg van de afbouwregeling zoals die is overeengekomen in de cao die gold vanaf 1 april 2021. De tekst van artikel 10 lid Pro h van de cao luidt als volgt:
‘De werknemer die op eigen verzoek of op verzoek van de werkgever wordt overgeplaatst naar de dagdienst of naar een met een lager toeslagpercentage beloond dienstrooster, behoudt, afhankelijk van de periode gedurende welke hij laatstelijk ononderbroken in ploegendienst heeft gewerkt, de navolgende percentages van het geldbedrag aan ploegentoeslag op het moment van overplaatsing, gedurende de volgende periode: (…)’
4.8
Vervolgens bepaalt het artikel de percentages en de periode waarvoor deze percentages gelden, afhankelijk van hoelang een werknemer de ‘oude’ toeslag heeft ontvangen en van de leeftijd van de werknemer.
4.9
Volgens de werknemers moet de afbouwregeling zo uitgelegd worden dat eerst het verschil tussen de oude toeslag (30%) en de nieuwe toeslag (21%) moet worden berekend en dat over dit verschil (9%) de afbouwregeling moet worden toegepast. Volgens KLK moet het afbouwpercentage worden toegepast over de toeslag van 30% totdat de afbouw onder de 21% komt, op welk moment de afbouw tot de toeslag van 21% is afgerond.
4.1
Voor de uitleg van deze bepaling en de overige inhoud van de cao geldt een objectieve maatstaf. De bewoordingen gelezen in het licht van de gehele tekst zijn van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de cao-partijen die de afspraken gemaakt hebben, voor zover deze niet uit de opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de tekst. Bij deze uitleg kan ook worden gekeken naar elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de uitleg.
4.11
Met dit uitgangspunt komt de kantonrechter tot het oordeel dat KLK de afbouwregeling op een juiste wijze heeft toegepast. In de tekst staat namelijk duidelijk gedefinieerd dat de werknemer een percentage behoudt van het geldbedrag aan ploegentoeslag dat hij ontving op het moment van de overplaatsing. In de tekst is niet terug te lezen dat eerst het verschil tussen de oude en de nieuwe toeslag moet worden berekend. Ook volgt niet uit andere bepalingen in de cao (artikel 10 is Pro het enige artikel dat ziet op de afbouwregeling) dat eerst het verschil moet worden berekend. Uit de tekst van de bepaling volgt duidelijk dat de afbouwregeling ook geldt als een werknemer overstapt naar een functie met een lagere toeslag. Dat vervolgens niet het gehele afbouwschema van artikel 10 lid Pro h van de cao wordt gevolgd, omdat de werknemers op een bepaald moment de toeslag van 21% bereiken, is begrijpelijk, omdat voor werknemers die overstappen naar een functie zonder toeslag een groter inkomensverschil ontstaat en dus een langere afbouwregeling geldt.
4.12
Dat deze uitleg voor sommige werknemers tot een kortere afbouwperiode leidt, is inherent aan de generieke afbouwregeling die is afgesproken in de cao en dat leidt niet tot een onaannemelijk rechtsgevolg. Dat verschil is immers verklaarbaar, omdat de duur van de afbouwregeling afhankelijk is van de leeftijd van de werknemer en de lengte van de periode dat zij een toeslag van 30% hebben ontvangen. Dat de vakbonden en KLK na afloop van de cao op 31 maart 2023 hebben onderhandeld over aanpassing van (de tekst van) deze afbouwregeling, hetgeen overigens niet tot een aanpassing heeft geleid, maakt dat oordeel niet anders. Het is immers denkbaar dat de cao-partijen in een opvolgende cao hernieuwde afspraken maken.
4.13
Bij het voorgaande oordeel weegt de kantonrechter mee dat de werknemers allen lid zijn van de vakbonden (FNV en CNV) die met KLK het onderhandelingsresultaat van 19 mei 2021 hebben bereikt. Zij worden in deze procedure ook bijgestaan door juristen van FNV en CNV. Zij hebben kennelijk ingestemd met het onderhandelingsresultaat en waren dus goed geïnformeerd over de inhoud van de cao.
4.14
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van de werknemers worden afgewezen.
De werknemers moeten de proceskosten betalen
4.15
De werknemers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van KLK worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.298,00
4.16
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.17
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1
wijst de vorderingen van de werknemers af,
5.2
veroordeelt de werknemers hoofdelijk in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de werknemers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
veroordeelt de werknemers hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1278.
2.Zie hierover meer uitgebreid: Parket bij de Hoge Raad 16 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1200 r.o. 5.22.