ECLI:NL:RBOVE:2026:4039

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
C/08/335115 / HA ZA 25-206
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling schadevergoeding wegens onrechtmatige opzegging overeenkomst van opdracht

Tussen eiser en gedaagde bestond een overeenkomst van opdracht die gedaagde zonder inachtneming van de opzegtermijn heeft beëindigd. De rechtbank heeft in een tussenvonnis geoordeeld dat gedaagde aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade bij eiser.

In dit eindvonnis heeft de rechtbank de hoogte van de schade vastgesteld op €12.209,35, gebaseerd op het verschil tussen het hypothetische inkomen dat eiser zou hebben ontvangen indien de opzegtermijn was gerespecteerd en het werkelijke inkomen dat eiser tijdens de opzegtermijn verdiende met andere opdrachtgevers. Gedaagde voerde verweer tegen de schadevaststelling, maar de rechtbank verwierp dit en bevestigde de bindende eindbeslissingen uit het tussenvonnis.

Daarnaast wees de rechtbank de vordering van eiser tot vergoeding van opleidingskosten, reputatieschade en advocaatkosten af, en veroordeelde gedaagde tot betaling van wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €12.209,35 schadevergoeding wegens onrechtmatige opzegging met rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/335115 / HA ZA 25-206
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[eiser], handelend onder de naam [bedrijf 1],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. H.J. Ulehake-Mink,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. E.W. Kingma.

1.Samenvatting

Tussen [eiser] en [gedaagde] bestond een overeenkomst van opdracht. In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden doordat [gedaagde] deze overeenkomst heeft opgezegd zonder de overeengekomen opzegtermijn in acht te nemen. In dit eindvonnis wordt de hoogte van de schade van [eiser] vastgesteld op € 12.209,35. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 22 april 2026 (hierna: het tussenvonnis);
  • de akte van [eiser] van 6 mei 2026 met producties;
  • de akte van [gedaagde] van 20 mei 2026;
  • de mail van [eiser] van 20 mei 2026, waarin hij bezwaar maakt tegen de akte van [gedaagde] en verzoekt deze akte geheel buiten beschouwing te laten.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De verdere beoordeling

3.1
De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met [eiser] door de overeengekomen opzegtermijn niet in acht te nemen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat [gedaagde] gehouden is om de schade die [eiser] als gevolg van deze tekortkoming heeft geleden, te vergoeden. In het kader van de door [eiser] gevorderde inkomensschade heeft de rechtbank overwogen dat een vergelijking moet worden gemaakt tussen de hypothetische situatie waarin [eiser] zou hebben verkeerd indien [gedaagde] de opzegtermijn wél in acht had genomen en de huidige situatie waarin dat niet is gebeurd en [eiser] tijdens de opzegtermijn betaald werk voor andere opdrachtgevers heeft verricht. De rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] in voornoemde
hypothetische situatie
€ 38.157,35 aan inkomen zou hebben ontvangen van [gedaagde], maar dat de vergelijking met de
huidige situatienog niet kon worden gemaakt, omdat informatie over [eiser]’s inkomsten uit het betaalde werk dat hij gedurende de opzegtermijn (4 april 2025 tot en met 31 juli 2025) voor andere opdrachtgevers had verricht, ontbrak. De rechtbank heeft [eiser] daarom in de gelegenheid gesteld om bij akte nadere informatie hierover te verschaffen. Vervolgens is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om bij antwoordakte op de door [eiser] verschafte informatie reageren.
3.2
[gedaagde] heeft in haar antwoordakte niet alleen gereageerd op de door [eiser] ingediende akte, maar ook een aantal “inleidende opmerkingen” gemaakt, waarmee zij kritiek geeft op het tussenvonnis. Zij voert aan:
  • dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij verplicht is tot vergoeding van enige schade, en wel omdat zij niet in verzuim is geraakt;
  • dat de rechtbank bij de berekening van [eiser]’s inkomen in de hypothetische situatie ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat [eiser] gedurende de opzegtermijn van 17 weken gemiddeld 51 uur per week zou zijn ingezet door [gedaagde].
3.3
[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen deze “inleidende opmerkingen”. Hij voert aan dat sprake is van een “verkapt hoger beroep” en dat het [gedaagde] enkel was toegestaan om te reageren op de door hem genomen akte met betrekking tot de hoogte van zijn inkomensschade.
3.4
Voorop staat dat de door [gedaagde] bekritiseerde oordelen in het tussenvonnis uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gegeven, zodat in beide gevallen sprake is van bindende eindbeslissingen. Voor zover [gedaagde] met haar inleidende opmerkingen heeft bedoeld om de rechtbank te verzoeken om terug te komen op bindende eindbeslissingen, overweegt de rechtbank het volgende.
3.5
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad [1] brengen de eisen van een goede procesorde mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Hiermee wordt dus afgeweken van het procedurele uitgangspunt dat een door de rechter gegeven eindbeslissing alleen door het aanwenden van een algemeen of bijzonder rechtsmiddel kan worden aangetast.
3.6
Dat uit het tussenvonnis volgt dat [gedaagde] zich moest beperken tot een reactie op de door [eiser] gegeven onderbouwing van zijn schade, betekent niet dat [gedaagde] in haar antwoordakte niet (ook) mocht verzoeken om terug te komen op een bindende eindbeslissing, indien deze in haar opvatting op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust. De rechtbank zal de (antwoord)akte van [gedaagde] daarom niet buiten beschouwing laten.
3.7
De rechtbank ziet echter in hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd geen aanleiding om terug te komen op de door [gedaagde] bekritiseerde bindende eindbeslissingen. Dit wordt hierna – in overweging 3.8. respectievelijk 3.9. – uitgelegd.
[gedaagde] is verplicht tot vergoeding van [eiser]’s inkomensschade
3.8
De rechtbank heeft in het tussenvonnis uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat [gedaagde] verplicht is om de schade te vergoeden die [eiser] als gevolg van haar tekortkoming heeft geleden. [gedaagde] betoogt nu – voor het eerst – dat zij daartoe niet verplicht is, omdat [eiser] haar geen ingebrekestelling heeft verstuurd, waardoor zij niet in verzuim zou zijn komen te verkeren. Voor zover zij met deze nieuwe betwisting van het verzuim heeft bedoeld de rechtbank te verzoeken terug te komen op een bindende eindbeslissing, wordt het volgende overwogen. In de stellingen van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling ligt besloten dat hij de mededelingen die [gedaagde] heeft gedaan over de opzegging heeft opgevat als een aankondiging van niet-nakoming, hetgeen leidt tot het intreden van verzuim zonder ingebrekestelling op grond van artikel 6:83 aanhef Pro en onder c van het Burgerlijk Wetboek. [eiser] heeft namelijk aangevoerd 1) dat [gedaagde] hem direct van alle reeds ingeroosterde diensten had afgehaald, 2) dat [gedaagde] hem nadrukkelijk heeft medegedeeld dat zij hem niet meer wilde inzetten, 3) dat [gedaagde] daarbij bleef, ook toen hij aan de telefoon expliciet de wens uitte om de samenwerking voor te zetten en vroeg of hij mocht blijven doorwerken en 4) dat het voor hem heel duidelijk was dat er geen kans meer was op voortzetting van zijn werkzaamheden voor [gedaagde]. Dit alles is door [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling – en ook in haar antwoordakte – niet weersproken. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] uit deze omstandigheden heeft mogen afleiden dat [gedaagde] in de nakoming van de opzegtermijn zou tekortschieten. Dit betekent dat [gedaagde] zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om terug te komen op haar beslissing dat [gedaagde] verplicht is om de schade te vergoeden die [eiser] als gevolg van het niet in acht nemen van de opzegtermijn heeft geleden.
Omvang van de inkomensschade
De hypothetische situatie
3.9
De rechtbank heeft in het tussenvonnis uitdrukkelijk en zonder voorbehoud overwogen dat – indien [gedaagde] de opzegtermijn wél in acht had genomen – [eiser]’s inkomen gedurende de gehele opzegtermijn € 38.157,35 (zonder BTW) zou zijn geweest. [gedaagde] betoogt in haar antwoordakte dat de rechtbank hierbij ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat [eiser] in dat geval gedurende de opzegtermijn van 17 weken gemiddeld 51 uur per week zou zijn ingezet. Zij voert daartoe aan dat er geen verplichting bestond om [eiser] in te zetten. De rechtbank heeft hierover in overweging 5.12. van het tussenvonnis het volgende overwogen:
“5.12. (…) Op zich is juist dat in de overeenkomst geen minimum aantal af te nemen uren is opgenomen, maar door [gedaagde] is niet weersproken dat [eiser] vanaf het begin van de overeenkomst gemiddeld 51 uur per week door [gedaagde] werd ingezet. Gelet hierop mocht [eiser] er redelijkerwijs op vertrouwen dat hij in de periode van 4 april 2025 tot en met 31 juli 2025 in vergelijkbare mate zou worden ingezet. Dat dat zou zijn gebeurd als de overeenkomst niet was geëindigd, heeft [gedaagde] op de mondelinge behandeling overigens ook bevestigd. Niet in geschil is bovendien dat [eiser] al was ingeroosterd op diensten ná 4 april 2025.”
Zoals hiervoor is overwogen, betreft dit een bindende eindbeslissing. [gedaagde] heeft niets naar voren gebracht waaruit kan volgen dat deze beslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust. De door haar aangedragen omstandigheid dat [gedaagde] niet verplicht was om [eiser] in te zetten, is – zo volgt uit de hiervoor geciteerde overweging – al meegewogen in het tussenvonnis. Voor zover [gedaagde] de rechtbank heeft willen verzoeken om terug te komen op deze bindende eindbeslissing, gaat de rechtbank daarom aan dat verzoek voorbij.
De huidige situatie
3.1
Over het inkomen van [eiser] in de huidige situatie waarin [gedaagde] de opzegtermijn niet in acht heeft genomen en [eiser] tijdens de opzegtermijn betaald werk voor andere opdrachtgevers heeft verricht, overweegt de rechtbank het volgende. [eiser] stelt dat zijn inkomen gedurende de opzegtermijn in deze huidige situatie € 25.948,00 is geweest. Ter onderbouwing heeft hij de facturen overgelegd die hij aan de gemeente Wassenaar heeft verzonden in de periode van 4 april 2025 tot en met 31 juli 2025. Deze tellen op tot een bedrag van € 23.760,00 (zonder BTW). Ook heeft [eiser] de facturen overgelegd die hij in de periode van 4 april 2025 tot en met 31 juli 2025 heeft verzonden aan een andere opdrachtgever, namelijk aan [bedrijf 2] B.V. Deze tellen op tot een bedrag van € 2.188,00 (vrijgesteld van BTW).
3.11
[gedaagde] voert aan dat de facturen geen “sluitend bewijs” zijn van de inkomsten van [eiser] gedurende de opzegtermijn en wenst bewijs in de vorm van een overlegging van de bankafschriften van [eiser]. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Aan bewijslevering wordt pas toegekomen als [gedaagde] een voldoende gemotiveerde betwisting tegenover de gemotiveerde en onderbouwde stelling van [eiser] zet. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Zij heeft de juistheid van de facturen niet betwist en zij heeft ook geen omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat de door [eiser] overgelegde facturen niet het volledige beeld geven van zijn inkomsten gedurende de opzegtermijn. Daar komt nog bij dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling zelf heeft verklaard genoegen te nemen met een onderbouwing van de zijde van [eiser] in de vorm van een overlegging van facturen. Zij heeft in haar akte niet toegelicht wat haar aanleiding heeft gegeven om daarover nu een ander standpunt in te nemen. Dat had wel op haar weg gelegen. Nu [gedaagde] de juistheid en de volledigheid van de door [eiser] overgelegde facturen niet gemotiveerd heeft betwist en bovendien zelf het standpunt heeft ingenomen dat een onderbouwing aan de hand van facturen zou volstaan, komt vast te staan dat [eiser]’s inkomen gedurende de opzegtermijn € 25.948,00 is geweest en wordt niet toegekomen aan bewijslevering op dit punt.
3.12
Een vergelijking tussen de hypothetische situatie zónder tekortkoming van [gedaagde] en de huidige situatie mét tekortkoming van [gedaagde] leidt tot de conclusie dat [eiser]’s inkomensschade in de periode van 4 april 2025 tot en met 31 juli 2025 – de duur van de opzegtermijn – als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] wordt begroot op: € 38.157,35 - € 25.948,00 = € 12.209,35.
3.13
De rechtbank ziet in hetgeen [gedaagde] in de antwoordakte nog heeft aangevoerd, geen aanleiding om haar schadevergoedingsverplichting te verminderen met de eventuele inkomsten die [eiser] ná 31 juli 2025 (dus na het einde van de opzegtermijn) heeft genoten uit hoofde van de opdracht bij de gemeente Wassenaar. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] [eiser] niet heeft gehouden aan het concurrentiebeding uit hun samenwerkingsovereenkomst – waardoor hij in de gelegenheid werd gesteld om voor de gemeente Wassenaar te gaan werken – vormt daarvoor geen grond. Voor zover [gedaagde] in haar antwoordakte nog heeft aangevoerd dat het onduidelijk is wat [eiser] heeft gedaan om aan zijn schadebeperkingsplicht te voldoen, overweegt de rechtbank dat op [gedaagde] de stelplicht rust dat [eiser] niet alle redelijke maatregelen ter voorkoming van schade heeft getroffen. [gedaagde] heeft in dat kader niets gesteld, terwijl [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd dat hij zich na 4 april 2025 direct tot de gemeente Wassenaar heeft gewend en ook, voor extra opdrachten, tot een ander bemiddelingsbureau. Via dat bemiddelingsbureau heeft hij een paar opdrachten kunnen uitvoeren, maar het bleek niet mogelijk om meer opdrachten te krijgen. Dit alles is door [gedaagde] niet weersproken en [gedaagde] heeft ook niets concreets naar voren gebracht waaruit kan volgen dat [eiser] redelijkerwijs méér had kunnen en moeten doen om zijn schade te beperken. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het beroep van [gedaagde] op de schadebeperkingsplicht.
De overige door [eiser] gestelde schadeposten
3.14
De rechtbank heeft in het tussenvonnis al uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat de door [eiser] gevorderde vergoeding van opleidingskosten niet toewijsbaar is en dat er – anders dan [eiser] heeft betoogd – geen grond bestaat om bij de begroting van zijn inkomensschade ook in aanmerking te nemen de door hem gestelde reputatieschade en zijn totale advocaatkosten.
3.15
Deze beslissingen zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven en betreffen dus bindende eindbeslissingen. [eiser] heeft in zijn akte (opnieuw) aangevoerd dat het niet redelijk is dat bij de vaststelling van zijn inkomensschade geen rekening wordt gehouden met de advocaatkosten die hij heeft moeten maken als gevolg van de tekortkoming door [gedaagde]. [eiser] heeft echter niets naar voren heeft gebracht waaruit kan volgen dat de bindende eindbeslissing op dit punt op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust. In dat verband overweegt de rechtbank nogmaals dat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] misbruik van procesrecht heeft gemaakt of anderszins onrechtmatig heeft gehandeld door verweer te voeren. Voor zover [eiser] de rechtbank heeft willen verzoeken om terug te komen op deze bindende eindbeslissing, gaat de rechtbank daarom aan dat verzoek voorbij.
Conclusie
3.16
De door [eiser] gevorderde schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 12.209,35.
De wettelijke rente
3.17
De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. Er is namelijk niet gesteld dat de rente met ingang van een eerdere ingangsdatum verschuldigd is. De rechtbank zal de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro toewijzen, omdat [eiser] niet heeft aangegeven dat hij heeft bedoeld de wettelijke rente van artikel 6:119a BW te vorderen.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.18
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Omdat een lagere hoofdsom wordt toegewezen dan gevorderd, zal een bedrag van € 897,09 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
De proceskosten
3.19
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] in de proceskosten moet worden veroordeeld, omdat een groot deel van zijn vordering wordt afgewezen. Daarin volgt de rechtbank [gedaagde] niet. Van een situatie waarin de vordering grotendeels wordt afgewezen is geen sprake. Bovendien heeft [eiser] zich voor het deel van zijn vordering dat wordt toegewezen, wel tot de rechtbank moeten wenden. [gedaagde] moet daarom als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd en moet op die grond de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.988,40

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.209,35, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 897,09 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 18 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.988,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P. Heisterkamp en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1873.