ECLI:NL:RBOVE:2026:4082

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 25/3590
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6:22 AwbArt. 7:12 Wmo 2015Art. 2.3.1 Wmo 2015Art. 2.3.2 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging huishoudelijke ondersteuning wegens gebruikelijke hulp partner

Eiseres, rolstoelgebonden en beperkt in mobiliteit, vroeg verlenging van 3 uur per week huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Het college van burgemeester en wethouders van Enschede weigerde deze verlenging vanaf 19 oktober 2025, stellende dat sprake is van gebruikelijke hulp door haar partner.

De rechtbank behandelde het beroep en vroeg nadere medische adviezen aan. De medisch adviseur concludeerde dat de partner, ondanks fysieke aandoeningen, voldoende in staat is om de huishoudelijke taken te verrichten zonder (dreigende) overbelasting. Dit oordeel werd onderbouwd met feiten over de zorg- en huishoudelijke taken die de partner verricht en zijn pensionering.

Eiseres voerde aan dat de partner overbelast zou zijn en dat het college onzorgvuldig was in de beoordeling, maar kon dit niet met medische gegevens onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat het college het besluit terecht heeft genomen en dat het gebrek aan motivatie in het oorspronkelijke besluit met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro niet tot benadeling heeft geleid.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Het college is veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres vanwege de onvoldoende motivering in het bestreden besluit.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de verlenging van huishoudelijke ondersteuning wordt niet toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3590

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna: [eiseres])

(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder (hierna: het college)
(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het niet verlengen van 3 uur huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). [eiseres] is het er niet mee eens dat het college haar deze ondersteuning vanaf 19 oktober 2025 heeft geweigerd. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden komt de rechtbank tot het oordeel dat het college de huishoudelijke ondersteuning van 3 uur per week vanaf 19 oktober 2025 terecht niet heeft verlengd. [eiseres] krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1.1.
Met het besluit van 27 juni 2025 heeft het college geweigerd om aan [eiseres] vanaf
19 oktober 2025 Wmo-ondersteuning bij het huishouden toe te kennen. Het besluit is onder meer gebaseerd op een medisch advies van 20 juni 2025. Met het bestreden besluit van
3 november 2025 op het bezwaar van [eiseres] heeft het college de weigering om de indicatie huishoudelijke ondersteuning te verlengen gehandhaafd.
1.2.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], de gemachtigde van [eiseres], de partner van [eiseres] en de gemachtigde van het college. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
1.4.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het college gevraagd de situatie van [eiseres] en haar partner nogmaals voor te leggen aan de medisch adviseur en hem te vragen een aantal punten nader toe te lichten.
1.5.
Daarop heeft de medisch adviseur van het college met een nader advies van
14 april 2026 gereageerd. [eiseres] heeft daarop een reactie van 7 mei 2026 aan de rechtbank gestuurd. Het college heeft daarop gereageerd met een brief van 27 mei 2026 en een nader medisch advies van 15 mei 2026 van zijn medisch adviseur.
1.6.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een extra zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarop niet binnen de gestelde termijn gereageerd. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
2.1.
[eiseres] is geboren op [geboortedatum] 1958. Zij woont samen met haar partner in een ruime koopwoning. Op de begane grond bevinden zich het halletje, de open keuken en de woonkamer met woonhuislift. Op de eerste verdieping bevinden zich de slaapkamers en een ruime badkamer. Daarnaast is in de woning een zolder met vaste trap. [eiseres] en haar partner hebben een grote hond en een kat.
2.2.
[eiseres] is rolstoel gebonden en maakt zowel binnen- als buitenshuis gebruik van haar elektrische rolstoel. [eiseres] is beperkt in haar mobiliteit. Om deze redenen heeft zij hulp nodig bij haar algemeen dagelijkse levensverrichtingen (adl), zoals bij het douchen, aankleden en de toiletgang.
2.3.
Met een besluit van 17 juli 2024 heeft het college aan [eiseres] ondersteuning bij het huishouden in de vorm van zorg in natura voor 3 uur per week toegekend vanaf
22 juli 2024 tot en met 20 juli 2025. [eiseres] heeft gemeld dat zij verlenging van deze ondersteuning wenst. Het college heeft onderzoek verricht en een ondersteuningsplan van 27 juni 2025 opgesteld. Daaruit blijkt dat de indicatie afloopt op 19 oktober 2025. [eiseres] heeft op 26 juni 2025 de aanvraag om verlenging van de Wmo-ondersteuning ingediend. Daarop heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
Standpunt college
3. Het college heeft de aanvraag om verlenging van de indicatie ondersteuning in het huishouden afgewezen, omdat sprake is van gebruikelijke hulp. Het college stelt zich op het standpunt dat de partner van [eiseres] naast het verrichten van de zorgtaken voor [eiseres] in staat is om het volledige huishouden uit te voeren. Het college heeft dit gebaseerd op het ondersteuningsplan van 27 juni 2025 en een advies van 20 juni 2025 van verzekeringsarts A.F. van Diermen (hierna: Van Diermen) over de mogelijkheden van de partner van [eiseres] om huishoudelijke taken te verrichten.
Standpunt [eiseres]
4. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij vanaf 19 oktober 2025 in aanmerking dient te komen voor 3 uur per week huishoudelijke ondersteuning, omdat er geen sprake is van gebruikelijke hulp van haar partner. Met de 3 uur huishoudelijke hulp die was toegekend, was de grens van de belastbaarheid van haar partner al bereikt. Als hij volledig belast wordt met zowel alle verzorging voor [eiseres] als ook het volledige huishouden en alle begeleiding bij de adl, dan houdt hij dat volgens haar niet vol.
4.1.
[eiseres] stelt dat de conclusie van het medisch advies niet juist is en dat het college deze niet had mogen overnemen. [eiseres] vindt het onzorgvuldig dat er in het ondersteuningsplan en in het medisch advies van wordt uitgegaan dat haar partner onlangs met vervroegd pensioen is gegaan. Het vervroegd pensioen is namelijk al ingegaan op
1 april 2023. Deze onzorgvuldigheid leidt tot een vertekend beeld van de feitelijke situatie van [eiseres] en haar partner. De veronderstelling dat haar partner in 2025 meer tijd heeft gekregen, zodat hij naast de zorg voor haar ook het gehele huishouden voor zijn rekening kan nemen, omdat hij met vervroegd pensioen is gegaan, is niet juist. Het is niet zo dat hij 20 uur per week meer ter beschikking heeft dan voorheen en daarom alle huishoudelijke taken weer kan oppakken en dan nog voldoende tijd over heeft voor ontspanning en vrije tijdsbesteding. De partner van [eiseres] is een aantal jaren geleden 20 uur per week gaan werken om werk en zorg voor haar te kunnen combineren. In april 2023 is haar partner met vervroegd pensioen gegaan, omdat de zorg voor [eiseres] steeds zwaarder werd. Haar partner kon dit niet langer combineren met zijn werk. In die periode ontving [eiseres] 2 uur per week huishoudelijke ondersteuning. Later is dit verhoogd naar 3 uur per week vanwege het invoeren van het normenkader huishoudelijke ondersteuning. In 2024, toen de partner van [eiseres] al met vervroegd pensioen was, bleek dus 3 uur per week huishoudelijke hulp nodig te zijn.
4.2.
[eiseres] is van mening dat in het ondersteuningsplan en het medisch advies onvoldoende is meegenomen welke andere ondersteuning en begeleiding zij nodig heeft. De zorg voor [eiseres] wordt alleen maar zwaarder. Haar partner verleent haar 20 uur per week zorg op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Ook moet hij alle overige taken op zich nemen.
4.3.
De huisarts heeft verklaard dat het, sinds de huishoudelijke ondersteuning is weggevallen, erg zwaar is voor de partner van [eiseres]. Volgens de huisarts is huishoudelijke ondersteuning voor 3 uur per week echt nodig. [eiseres] heeft dit onderbouwd met een brief van 8 december 2025 van de huisarts van haar partner.
Overwegingen van de rechtbank
Toetsingskader
5.1.
De wetteksten, regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
5.2.
Op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 moet het college voldoende kennis vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt volgens de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep met zich mee, dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo 2015 in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. [1]
Gebruikelijke hulp
6.1.
Het gaat hier om de vraag of [eiseres] in de huishoudelijke ondersteuning die zij voor
3 uur per week nodig heeft, met gebruikelijke hulp van haar partner kan voorzien. De rechtbank is van oordeel dat de 3 uur huishoudelijke ondersteuning, die [eiseres] toegekend wil zien, in beginsel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt. Het gaat namelijk om taken waarvan naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht dat de partner deze uitvoert. Tussen partijen is in geschil of de partner van [eiseres] naast de zorgtaken alle huishoudelijke werkzaamheden kan verrichten. Het gaat dan om de vraag of sprake is van (dreigende) overbelasting.
(Dreigende) overbelasting
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college met het medisch advies van 20 juni 2025 en de nadere adviezen van 14 april en 15 mei 2026 van verzekeringsarts Van Diermen voldoende heeft gemotiveerd dat voor de partner van [eiseres] geen sprake is van (dreigende) overbelasting. De rechtbank licht dat als volgt toe.
6.3.
Volgens Van Diermen kan de partner van [eiseres] de huishoudelijke taken zelf verrichten. Dat dit fysiek te belastend is vindt Van Diermen onvoldoende onderbouwd met medische gegevens. De rechtbank kan dit volgen. Uit het advies van 20 juni 2025 blijkt namelijk dat de partner van [eiseres] ondanks aandoeningen aan de wervelkolom en beide duimbasisgewrichten fysiek zware mantelzorgtaken voor [eiseres] verricht, de tuin onderhoudt, klussen in en om huis doet en 2 maal per week 1 uur traint op een crosstrainer.
6.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college met de nadere adviezen die in beroep zijn toegevoegd eveneens toereikend heeft gemotiveerd dat de partner van [eiseres] voldoende in staat is om alle huishoudelijke werkzaamheden te doen. Van Diermen heeft het onderzoek verricht op 18 juni 2025 en toen ook met [eiseres] en haar partner gesproken. Uit het advies van 20 juni 2025 blijkt dat Van Diermen ervan uit gaat dat de partner van [eiseres] kort daarvoor met vervroegd pensioen is gegaan. In dit advies staat dat [eiseres] een indicatie kreeg voor huishoudelijke ondersteuning toen haar partner nog 20 uur per week werkzaam was als buschauffeur en dat deze daarom nodig was. Dit blijkt echter feitelijk onjuist te zijn.
6.5.
Uit het bezwaarschrift en wat tijdens de zitting is gezegd blijkt dat [eiseres] van 2020 tot 22 juli 2024 2 uur per week ondersteuning bij het huishouden kreeg. Vanaf 22 juli 2024 is dit verhoogd naar 3 uur per week. De partner van [eiseres] is op 1 april 2023 met vervroegd pensioen gegaan. Dit betekent dat, toen aan [eiseres] ondersteuning bij het huishouden voor 3 uur per week werd toegekend, haar partner al de 20 uren beschikbaar had, die hij voor
1 april 2023 besteedde aan zijn werk.
6.6.
In het nadere advies van 14 april 2026 heeft Van Diermen toegelicht dat er vanaf de pensionering van de partner van [eiseres] op medische gronden geen medisch objectiveerbaar onvermogen meer was om alle gebruikelijk voorkomende huishoudelijke taken zelf uit te voeren. Van Diermen wijst erop dat de partner van [eiseres], toen hij nog werkzaam was, halve dagen is gaan werken om dreigende overbelasting te voorkomen. De combinatie van werk, de zorg voor [eiseres] en een deel van de huishoudelijke taken leidde niet tot overbelasting, omdat [eiseres] 3 uur per week ondersteuning bij het huishouden ontving. Van Diermen legt uit dat bij het ingaan van het pensioen van de partner van [eiseres] zijn fysieke en mentale activiteiten aanmerkelijk zijn verminderd. Ook is vrije tijd vrijgekomen. Daarom is er vanaf het moment van pensionering volgens Van Diermen geen medisch bezwaar meer tegen dat de partner van [eiseres] zelf ook de huishoudelijke taken uitvoert, die met de Wmo-ondersteuning werden verricht gedurende 2 en later 3 uur per week. Van Diermen concludeert dat er op medische gronden voor de partner van [eiseres] vanaf zijn pensionering geen medisch objectiveerbaar onvermogen meer was om alle gebruikelijk voorkomende huishoudelijke taken zelf uit te voeren. Dat het college vanaf
22 juli 2024 nog huishoudelijke ondersteuning voor 3 uur per week heeft toegekend, vindt Van Diermen medisch niet relevant.
6.7.
Uit de medisch adviezen van 20 juni 2025, 14 april en 15 mei 2026 en de reactie van [eiseres] van 7 mei 2026 blijkt dat [eiseres] 20 uur zorg op grond van de Zvw van haar partner ontvangt. Daarnaast verleent hij per week gemiddeld 12,5 uur andere zorg of begeleiding aan [eiseres]. Verder besteedt hij per week gemiddeld 10 uur aan huishoudelijke taken. De medisch adviseur stelt dat de partner van [eiseres] voor deze 10 uur huishoudelijk werk naast zijn zorgtaken nog voldoende tijd heeft.
6.8.
De rechtbank kan de medisch adviseur hierin volgen. Duidelijk is dat de partner van [eiseres] tot 1 april 2023 20 uur werk, de zorg en begeleiding voor [eiseres] en een deel van de huishoudelijke taken goed kon combineren. De Wmo-ondersteuning bij het huishouden van toen 2 uur per week was tot de pensionering nodig. Vanaf het moment dat de partner van [eiseres] met pensioen ging had hij 20 uur extra tijd, waarmee hij de 2 uur en vanaf
22 juli 2024 3 uur ondersteuning bij het huishouden kon opvangen. De huishoudelijke ondersteuning die [eiseres] tot 19 oktober 2025 nog heeft ontvangen was dus eigenlijk niet nodig. [eiseres] heeft niet met medische gegevens onderbouwd dat de zorgtaken die haar partner uitvoert vanaf 1 april 2023 zodanig zijn toegenomen, dat hij vanaf 19 oktober 2025 niet meer in staat moet worden geacht daarnaast de huishoudelijke taken te doen. Ook uit de brief van [eiseres] van 15 mei 2026 blijkt dit niet. Met de medische adviezen is voldoende gemotiveerd dat de partner van [eiseres] naast de 32,5 uur zorg en begeleiding 10 uur kan besteden aan huishoudelijk werk. [eiseres] heeft onvoldoende met medische gegevens onderbouwd dat dit te zwaar is voor haar partner. De mededeling van de huisarts dat het wegvallen van de huishoudelijke ondersteuning de partner van [eiseres] zwaar valt, dat hij kampt met kwalen die horen bij het ouder worden en dat de zorg voor [eiseres] steeds zwaarder wordt is hiervoor niet toereikend. Dat geldt ook voor wat de partner van [eiseres] tijdens de zitting heeft gezegd. De rechtbank ziet wel dat er veel neer komt op de partner van [eiseres]. Uit wat uit het dossier en tijdens de zitting naar voren is gekomen blijkt echter niet dat dit te veel is en dat sprake is van (dreigende) overbelasting.
6.9.
Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college de ondersteuning bij het huishouden voor [eiseres] vanaf 19 oktober 2025 terecht niet heeft verlengd. Pas in de beroepsfase is het bestreden besluit met de nadere adviezen van Van Diermen toereikend onderbouwd. Dit betekent dat het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, zodat niet werd voldaan aan artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat [eiseres] hierdoor niet is benadeeld. Uit rechtsoverweging 6.2. tot en met 6.8. volgt dat, ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, een besluit met een gelijke uitkomst zou zijn genomen. De toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb is wel aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van [eiseres].

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Zij krijgt vanaf
19 oktober 2025 geen ondersteuning bij het huishouden.
7.2.
Het college moet wel het griffierecht aan [eiseres] vergoeden. Dit omdat het bestreden besluit niet voldoende was gemotiveerd. [eiseres] krijgt om die reden ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van [eiseres] een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan [eiseres] moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan [eiseres].
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetteksten, regels en beleidsregels

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van Pro het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)
Artikel 2.3.1
Het college draagt er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.
Artikel 2.3.2
1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.
2. Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college brengt de cliënt van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid het plan te overhandigen.
3. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
4. Het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, verschuldigd zal zijn.
5. Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g.
6. Bij het onderzoek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
7. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
8. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek.
9. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel 2.3.5
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
5. De maatwerkvoorziening is, voor zover daartoe aanleiding bestaat, afgestemd op:
a. de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt,
b. zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet,
c. jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet die de cliënt ontvangt of kan ontvangen,
d. onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen,
e. betaalde werkzaamheden,
f. scholing die de cliënt volgt of kan volgen,
g. ondersteuning ingevolge de Participatiewet,
h. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt.
Verordening Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2024
Artikel 5. Algemene criteria
1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de cliënt de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:
a. eigen kracht en/of;
b. gebruikelijke hulp en/of;
c. mantelzorg en/of;
d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;
e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;
f. algemene voorzieningen en/of;
g. andere voorzieningen.
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Enschede 2025 (Beleidsregels)
Artikel 4.1 Definitie gebruikelijke hulp (zie ook art. 3.4.1 lid 4 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Enschede 2025 en art. 5 lid 1 sub b Verordening Pro maatschappelijke ondersteuning Enschede 2024)
1. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Zij nemen waar nodig taken over in het huishouden wanneer er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Bij het indiceren wordt rekening gehouden met de individuele omstandigheden.
Artikel 4.7 Redenen geen verwachting gebruikelijke hulp
1. Geobjectiveerde beperkingen/ontbreken kennis & vaardigheden;
2. ( Dreigende) overbelasting;
3. Korte, bekende levensverwachting;
4. Indien de huisgenoot van de aanvrager vanwege zijn/haar werk fysiek niet aanwezig is wordt hiermee bij de indicatiestelling uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van ten minste zeven aansluitende dagen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan off-shore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van ten minste zeven aansluitende dagen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een éénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke zorg worden geleverd.

Voetnoten

1.Zie CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819, en CRvB 9 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1554.