Appellante, met diverse lichamelijke en geestelijke klachten, ontving maatwerkvoorzieningen voor Sociaal Persoonlijk Functioneren (SPF) en Ondersteuning en Regie bij het Huishouden (ORH) op grond van de Wmo 2015. Het college weigerde de verlenging van de maatwerkvoorziening SPF en herzag de maatwerkvoorziening ORH, waarbij een overgang naar zorg in natura werd ingezet.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante stelde dat het onderzoek van het college onvoldoende was en dat haar beperkingen niet waren verbeterd. De Raad oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de actuele ondersteuningsbehoefte voor SPF en dat het gebruik van het HHM Normenkader 2019 onjuist was toegepast voor de wasverzorging binnen ORH.
De Raad vernietigde het besluit voor zover het ging om de weigering van de verlenging van SPF en de omvang van de wasverzorging binnen ORH, en gaf het college opdracht om een nieuwe beslissing te nemen over SPF. Voor de wasverzorging stelde de Raad zelf een maatwerkvoorziening van 41 minuten per week vast. Daarnaast werd appellante een vergoeding voor proceskosten toegekend.