ECLI:NL:RBOVE:2026:4105

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
ak_25_1360_t
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 WooArt. 5.3 WooArt. 6:22 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:29 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over openbaarmaking informatie en herbeoordeling Woo-verzoek gemeente Enschede

Deze tussenuitspraak betreft een verzoek van Stichting Karmedia tot openbaarmaking van informatie over een voormalig bedrijfsgebouw en aanverwante entiteiten. Het college van burgemeester en wethouders van Enschede heeft meerdere besluiten genomen op bezwaar, waarbij sommige documenten geheel of gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt en andere geweigerd. De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak van 18 november 2024 een aantal besluiten gedeeltelijk vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Met het bestreden besluit van 26 maart 2025 heeft het college een herbeoordeling uitgevoerd, maar de rechtbank constateert dat het college meerdere documenten ten onrechte niet of te beperkt openbaar heeft gemaakt en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bepaalde informatie niet openbaar kan worden gemaakt. Dit betreft onder meer delen van twaalf Excel-bestanden over het bedrijfsgebouw, totaalbedragen zonder specificaties en documenten met persoonsgegevens en bedrijfsgegevens.

De rechtbank wijst op de toepasselijkheid van de Wet open overheid (Woo) en de verzwaarde motiveringsplicht bij documenten ouder dan vijf jaar. Het college krijgt de gelegenheid om binnen twaalf weken de gebreken te herstellen door een nieuw besluit te nemen dat voldoet aan de wettelijke eisen en de aanwijzingen van de rechtbank. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank beveelt het college om binnen twaalf weken de gebreken in het bestreden besluit te herstellen en de openbaarmaking van documenten te herzien conform de wettelijke eisen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1360 T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Stichting Karmedia, uit Rotterdam (hierna: Karmedia), eiseres

(gemachtigde: mr. D. van Tilborg),
en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, het college

(gemachtigde: [gemachtigde]).
Als derde-partij neemt aan het geding deel
Walas Europe B.V.uit Heerlen (hierna: Walas)
(gemachtigde: mr. M.T.M. Vroklage).

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over een verzoek van Karmedia tot het openbaar maken van informatie. Het college heeft al meerdere besluiten (op bezwaar) genomen over dit verzoek en heeft daarbij veel documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt en de openbaarmaking van veel andere documenten (gedeeltelijk) geweigerd.
1.1.
In een uitspraak van 18 november 2024 in de beroepsprocedures met zaaknummers ZWO 21/2390 en ZWO 23/915 (hierna: de uitspraak van 18 november 2024) heeft deze rechtbank het beroep van Karmedia tegen twee eerdere besluiten op bezwaar en het beroep van Walas tegen één van die eerdere besluiten gegrond verklaard en deze besluiten gedeeltelijk vernietigd.
1.2.
Met een nieuw besluit op bezwaar van 26 maart 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van Karmedia. Met dit besluit heeft het college een aantal extra documenten geheel of gedeeltelijk openbaar gemaakt. Ten aanzien van andere (delen van) documenten is het college gebleven bij zijn weigering om deze openbaar te maken. Karmedia en Walas zijn het niet eens met dit besluit. Karmedia voert – kort weergegeven – aan dat het college de door de rechtbank in de uitspraak van 18 november 2024 gegeven opdracht niet goed heeft uitgevoerd, dat meerdere documenten ten onrechte niet bij de herbeoordeling zijn betrokken, dat meerdere documenten ten onrechte niet of voor een te klein deel openbaar zijn gemaakt, dat het besluit op onderdelen niet goed is gemotiveerd en dat voor meerdere documenten geen juiste belangenafweging is gemaakt. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van Karmedia of het bestreden besluit in stand kan blijven. Over het beroep van Walas tegen het bestreden besluit doet de rechtbank afzonderlijk uitspraak.
1.3.
De rechtbank oordeelt dat het college de opdracht van de rechtbank niet op alle punten goed heeft uitgevoerd. Het college heeft, zoals het zelf ook heeft erkend, meerdere documenten ten onrechte niet bij de herbeoordeling betrokken en meerdere documenten ten onrechte niet of te beperkt openbaar gemaakt. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het college ten aanzien van de delen van 12 Excel bestanden die gaan over [bedrijf 1] onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze niet geheel of gedeeltelijk openbaar kunnen worden gemaakt. Ook oordeelt de rechtbank dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom totaalbedragen waaruit geen aantallen uren of uur- of stuksprijzen kunnen worden afgeleid, kunnen worden aangemerkt als bedrijfsgegevens. De rechtbank geeft het college met deze tussenuitspraak de gelegenheid om deze gebreken binnen twaalf weken te herstellen. Verder oordeelt de rechtbank dat het college in het bestreden besluit voor een aantal documenten niet heeft gemotiveerd waarom deze niet volledig openbaar zijn gemaakt, ondanks het feit dat ze ouder zijn dan 5 jaar, en de toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder f, van de Woo niet goed heeft gemotiveerd. Omdat het college deze twee aspecten in het verweerschrift alsnog goed heeft gemotiveerd, passeert de rechtbank deze gebreken met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). [1]
1.4.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat het wettelijk kader. Onder 4 staan de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling van de beroepsgronden van Karmedia door de rechtbank volgt onder 5 tot en met 15. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Voor de weergave van het procesverloop tot en met de uitspraak van 18 november 2024 verwijst de rechtbank naar die uitspraak. Met het bestreden besluit heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van Karmedia. Daarbij heeft het college een aantal documenten alsnog geheel of gedeeltelijk openbaar gemaakt. Ten aanzien van de overige documenten is het college gebleven bij de weigering om deze openbaar te maken.
2.1.
Karmedia heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift. Karmedia heeft op het verweerschrift gereageerd in een brief van 21 maart 2026. Het college heeft op deze brief gereageerd in een e-mail van 1 april 2026. De rechtbank heeft het college in een e-mail van 30 maart 2026 gewezen op een passage uit de beroepsgronden. Het college heeft op deze e-mail gereageerd in een e-mail van 31 maart 2026. In het verweerschrift en de e-mails van 31 maart en 1 april heeft het college aangegeven dat het heeft beslist om een aantal extra documenten geheel of gedeeltelijk openbaar te maken. Het college heeft deze documenten bij het verweerschrift en de e-mails gevoegd.
2.2.
Het college heeft de ongelakte versies van de documenten waarvan de openbaarmaking geheel of gedeeltelijk is geweigerd aan de rechtbank toegestuurd met een verzoek tot geheimhouding. De rechtbank heeft kennis genomen van deze documenten met toepassing van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Namens Karmedia waren [naam 1] en de gemachtigde van Karmedia aanwezig. Namens het college zijn [naam 2] en de gemachtigde van het college verschenen. Namens Walas waren haar gemachtigde en [naam 3] aanwezig. De rechtbank heeft het beroep van Karmedia gelijktijdig behandeld met het beroep van Walas tegen het bestreden besluit met zaaknummer ZWO 25/1361, maar zij doet op beide beroepen afzonderlijk uitspraak.
2.4.
In een uitspraak van vandaag heeft de rechtbank het beroep van Walas gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft echter de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
3. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (hierna: de Woo) in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar of besluiten die worden genomen na een bestuurlijke of judiciële lus.
3.1.
Karmedia heeft het verzoek tot openbaarmaking van informatie ingediend vóór 1 mei 2022, het college heeft vóór die datum (op 7 april 2021) op het verzoek beslist en het college heeft ook vóór die datum (op 25 november 2021) voor het eerst op het bezwaar van Karmedia beslist. Hieruit volgt dat op de besluiten van 7 april 2021 en 25 november 2021 de Wob van toepassing was. Nadien heeft het college op 29 maart 2023, 5 januari 2024 en 26 maart 2025 nieuwe besluiten op bezwaar genomen. Nu deze besluiten zijn genomen na 1 mei 2022, is daarop de Woo van toepassing. Omdat het in deze procedure gaat om het bestreden besluit van 26 maart 2025 zal de rechtbank hierna spreken over het Woo-verzoek.
3.2.
Het uitgangspunt van de Woo is dat iedereen recht heeft op toegang tot publieke informatie en dat alle overheidsinformatie in beginsel openbaar is, tenzij in de wet beperkingen zijn opgenomen. In artikel 5.1 van de Woo staan in het eerste lid de absolute en in het tweede lid de relatieve uitzonderingsgronden. Deze uitzonderingsgronden kunnen aan openbaarmaking in de weg staan. Bij een absolute uitzonderingsgrond blijft informatieverstrekking altijd achterwege. Bij een relatieve uitzonderingsgrond maakt het bestuursorgaan een afweging tussen het algemene belang van openbaarheid en de belangen genoemd in artikel 5.1, tweede lid, van de Woo. Bij de relatieve uitzonderingsgronden geldt bovendien een verzwaarde motiveringsplicht bij informatie die ouder is dan vijf jaar. Dit staat in artikel 5.3 van de Woo. Deze verzwaarde motiveringsplicht is ook van toepassing op de uitzonderingsgrond neergelegd in artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo. De uitzonderingsgronden moeten restrictief (en dus niet ruim) worden uitgelegd.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Voor een uitgebreide weergave van de feiten en omstandigheden die zijn voorafgegaan aan de uitspraak van 18 november 2024 verwijst de rechtbank naar de rechtsoverwegingen (hierna: r.o.) 1.1 tot en met 9 van die uitspraak. Hieronder staan alleen de belangrijkste ontwikkelingen van vóór die datum en de ontwikkelingen van na die datum.
4.1.
[bedrijf 1] was vroeger een fabrieksgebouw in Enschede. Het gebouw is nu in gebruik als bedrijfsverzamelgebouw. Het gebouw is in 2011 in de portefeuille van de gemeente Enschede (hierna: de gemeente) gekomen. In 2017 heeft de gemeente het gebouw verkocht en overgedragen. Vanaf dat moment is de gemeentelijke betrokkenheid bij het gebouw geëindigd. Daarna is Walas eigenaar van het gebouw geweest tot 1 juli 2022.
4.2.
Bij brief van 4 februari 2021 heeft Karmedia, onder verwijzing naar de Wob, het college verzocht om openbaarmaking van alle documenten, gegevensdragers en geluiddragers betrekking hebbend op: 1. [bedrijf 1], 2. [bedrijf 1] B.V., 3. Phase8 B.V., 4. Walas Projects B.V., 5. Walas Europe B.V., 6. [bedrijf 2] B.V., 7. World of Walas en 8. [adres]. Dit verzoek ziet op de voorgaande periode van tien jaren. Met een besluit van 7 april 2021 heeft het college dit verzoek buiten behandeling gesteld.
4.3.
In een brief van 18 maart 2021 heeft het college Karmedia meegedeeld dat vanaf het moment dat de gemeente [bedrijf 1] heeft verkocht, geen sprake meer was van een bestuurlijke aangelegenheid en het Woo-verzoek daarom ziet op de periode 2011-2017.
4.4.
Met een besluit van 25 november 2021 (hierna: het eerste besluit op bezwaar) heeft het college het bezwaar van Karmedia tegen het besluit van 7 april 2021 gegrond verklaard, dit besluit herroepen en alsnog beslist op het Woo-verzoek. Het verzoek is hierbij afgewezen wegens misbruik van recht en een onevenredige belasting van de gemeentelijke organisatie. Karmedia heeft beroep ingesteld tegen het eerste besluit op bezwaar.
4.5.
Met een besluit van 29 maart 2023 (hierna: het tweede besluit op bezwaar) heeft het college het eerste besluit op bezwaar ingetrokken, het besluit van 7 april 2021 herroepen en alsnog inhoudelijk beslist op het Woo-verzoek. Het college heeft ongeveer 1.000 documenten geheel of gedeeltelijk openbaar gemaakt en heeft de openbaarmaking van 225 van deze documenten opgeschort. Het college heeft de openbaarmaking van ongeveer 1.000 andere documenten volledig geweigerd. Het beroep van Karmedia tegen het eerste besluit op bezwaar heeft mede betrekking op het tweede besluit op bezwaar.
4.6.
Met een besluit van 5 januari 2024 (hierna: het derde besluit op bezwaar) heeft het college het tweede besluit op bezwaar deels herzien en 592 documenten, waarvan de openbaarmaking eerder volledig was geweigerd, alsnog geheel of gedeeltelijk openbaar gemaakt. Het beroep van Karmedia tegen het eerste besluit op bezwaar heeft mede betrekking op het derde besluit op bezwaar.
4.7.
Met de uitspraak van 18 november 2024 heeft de rechtbank het beroep van Karmedia niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het is gericht tegen het eerste besluit op bezwaar, en gegrond verklaard, voor zover het is gericht tegen het tweede en derde besluit op bezwaar. De rechtbank heeft het tweede besluit op bezwaar vernietigd voor zover de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, eerste lid, onder c, en tweede lid, onder f en i, van de Woo niet correct zijn toegepast. De rechtbank heeft het derde besluit op bezwaar vernietigd voor zover de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo niet correct is toegepast. De rechtbank heeft het college opgedragen om binnen zestien weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van Karmedia met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast heeft de rechtbank in deze uitspraak beslist op het beroep van Wallas tegen het tweede en derde besluit op bezwaar. Tegen deze uitspraak is door geen van de partijen hoger beroep ingesteld, zodat deze uitspraak onherroepelijk is.
4.8.
Met het bestreden besluit heeft het college een nieuw besluit genomen op het bezwaar van Karmedia tegen het besluit van 7 april 2021. Met dit besluit heeft het college het tweede en derde besluit op bezwaar deels herzien. Deze herziening ziet op de volgende punten:
Het college stelt vast dat in het tweede besluit op bezwaar de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo niet correct is toegepast op 100 documenten waarvan de openbaarmaking volledig is geweigerd. Hiervan maakt het college nu 5 documenten volledig openbaar en 83 documenten gedeeltelijk openbaar. Ten aanzien van de overige 12 documenten handhaaft het college de weigering om deze openbaar te maken.
Het college stelt vast dat in het tweede besluit op bezwaar de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, eerste lid, onder c, en tweede lid, onder f, van de Woo niet correct zijn toegepast. Van de documenten waarop deze gronden zijn toegepast, maakt het college nu 25 documenten gedeeltelijk openbaar. Ten aanzien van de overige 4 documenten handhaaft het college de weigering om deze openbaar te maken.
Het college stelt vast dat in het tweede besluit op bezwaar de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo niet correct is toegepast bij document 40995. Het college heeft dit document nu gelakt conform document 45576.
Het college stelt vast dat in het derde besluit op bezwaar de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo niet correct is toegepast op 42 documenten. Voor zover deze documenten huur- en Btw-bedragen bevatten, zijn deze alsnog openbaar gemaakt. De weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo is niet langer toegepast voor deze documenten.
Het college heeft de weigering om document 41922 openbaar te maken gebaseerd op artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo.
Het college heeft document 91112 alsnog volledig openbaar gemaakt.
Het college stelt vast dat de openbaarmaking van 22 documenten ten onrechte volledig is geweigerd op grond van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. Het college heeft één van deze documenten alsnog volledig en de overige 21 documenten alsnog gedeeltelijk openbaar gemaakt.
Zijn de documenten waarop de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo is toegepast, opnieuw beoordeeld conform de opdracht van de rechtbank?
5. Karmedia stelt zich op het standpunt dat het college de voorgeschreven herbeoordeling van de documenten waarop in eerste instantie de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo is toegepast, niet juist heeft uitgevoerd. Daartoe voert zij in de eerste plaats aan dat de documenten 42542, 92169, 94554, 100413, 101660, 106808, 111234 en 114810 ten onrechte niet bij de herbeoordeling zijn betrokken, terwijl de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo ook daarop is toegepast. In de tweede plaats voert Karmedia aan dat het college niet per document dat ouder is dan vijf jaar heeft gemotiveerd waarom ondanks het tijdsverloop het belang van het goed functioneren van de overheid zwaarder weegt dan het algemene belang van openbaarheid.
6. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond voor een deel slaagt. Dit volgt al uit het feit dat het college heeft beslist om alsnog een deel van de door Karmedia genoemde documenten gedeeltelijk openbaar te maken. Ook is voor een aantal documenten in het bestreden besluit geen juiste belangenafweging gemaakt. Dit laatste gebrek passeert de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb omdat het college dit later alsnog heeft gedaan. Voor het overige slaagt de beroepsgrond niet. De rechtbank legt dit hierna uit.
6.1.
In artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo staat dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Dit is een relatieve uitzonderingsgrond, waarop de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 van de Woo van toepassing is.
6.2.
In de uitspraak van 18 november 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat bij een (groot) deel van de documenten die in het kader van de door de rechtbank genomen steekproef zijn beoordeeld, is gebleken dat deze uitzonderingsgrond niet correct is toegepast. De rechtbank heeft de bevindingen uit de steekproef doorvertaald naar de overige documenten waarbij deze uitzonderingsgrond is toegepast en heeft geoordeeld dat de besluitvorming waarbij deze grond is toegepast, niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft het tweede besluit op bezwaar vernietigd voor zover deze uitzonderingsgrond niet goed is toegepast. De rechtbank heeft het college opgedragen om alle documenten – waarbij volgens de inventarislijst de uitzonderingsgrond in artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo is toegepast – opnieuw te beoordelen. Dit geldt zowel voor de integraal geweigerde documenten als de gedeeltelijk openbaar gemaakte documenten. Dit geldt ook voor de documenten die feitelijk integraal zijn geweigerd met toepassing van deze uitzonderingsgrond, maar waarbij abusievelijk op de inventarislijst staat dat (enkel) de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo van toepassing is. [2]
6.3.
Naar aanleiding van deze opdracht heeft het college 100 documenten opnieuw beoordeeld en heeft het college met het bestreden besluit:
- 7 documenten volledig openbaar gemaakt;
- 60 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt met toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo;
- 12 documenten niet openbaar gemaakt op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo;
- 15 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt met toepassing van de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, tweede lid, onder e, en vijfde lid, van de Woo;
- 2 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt met toepassing van de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, eerste lid, onder c, en tweede lid, onder e, van de Woo;
- 4 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt met toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo.
6.4.
Karmedia heeft op de zitting haar beroepsgrond dat het college in strijd met de opdracht van de rechtbank niet ook een herbeoordeling heeft gemaakt van de documenten waarvan de openbaarmaking op grond van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo gedeeltelijk is geweigerd, ingetrokken. Daarom zal de rechtbank daar in deze uitspraak niet op ingaan.
6.5.
Het college heeft in het verweerschrift erkend dat de door Karmedia genoemde documenten 42542, 92169, 100413, 101660, 106808 en 1148106 ten onrechte niet in de herbeoordeling zijn betrokken. Het college heeft beslist dat deze documenten alsnog gedeeltelijk openbaar worden gemaakt met uitzondering van de daarin vermelde persoonsgegevens. Ten aanzien van deze persoonsgegevens heeft het college de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo toegepast. Uit deze reactie blijkt dat het college voor wat betreft deze 6 documenten niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank en dat deze documenten ten onrechte niet gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt in het bestreden besluit. In zoverre slaagt deze beroepsgrond dus.
6.5.1.
Karmedia heeft in de brief van 21 maart 2026 of op de zitting niet gesteld dat het college ten onrechte heeft geweigerd om de persoonsgegevens in deze 6 documenten openbaar te maken. Daarom is dit niet in geschil en zal de rechtbank daar niet op ingaan.
6.6.
Ten aanzien van de door Karmedia genoemde documenten 94554 en 111234 heeft het college gesteld dat daarop niet de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo is toegepast. De rechtbank stelt vast dat uit de inventarislijsten bij het tweede en derde besluit op bezwaar blijkt dat de openbaarmaking van deze 2 documenten gedeeltelijk is geweigerd op grond van (uiteindelijk alleen) de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. Deze weigering is dus inderdaad niet gebaseerd op de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet voor zover het om deze beide documenten gaat.
6.7.
Het college heeft betwist dat bij de herbeoordeling ten onrechte geen belangenafweging heeft plaatsgevonden in het kader van de verzwaarde motiveringsplicht die voortvloeit uit artikel 5.3 van de Woo voor documenten ouder dan 5 jaar. In het verweerschrift heeft het college hierover het volgende naar voren gebracht.
De openbaarmaking van 66 documenten is gedeeltelijk geweigerd op grond van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. Dit is inclusief de 6 in r.o. 6.5 genoemde documenten. Hierbij zijn alleen persoonsgegevens geanonimiseerd vanwege het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het is evident dat dit belang ook na verloop van vijf jaar niet minder zwaarwegend wordt.
De openbaarmaking van 19 documenten over betalingsachterstanden is gedeeltelijk geweigerd op grond van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo. Hierbij zijn de bedrijfsnamen van de desbetreffende bedrijven geanonimiseerd om stigmatisering te voorkomen. Ook dit belang wordt door tijdsverloop niet minder zwaarwegend. De rechtbank heeft in de overwegingen 31 tot en met 34.8 van de uitspraak van 28 november 2024 hetzelfde geoordeeld over vergelijkbare documenten waarop deze uitzonderingsgrond ook was toegepast. Daarnaast zijn in 15 van deze documenten ook de persoonsgegevens geanonimiseerd vanwege het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het is evident dat dit belang ook na verloop van vijf jaar niet minder zwaarwegend wordt.
De openbaarmaking van 4 documenten (de rechtbank begrijpt: 2 documenten) is gedeeltelijk geweigerd op grond van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo. Hiervoor geldt de algemene motivering die bij deze uitzonderingsgrond is gegeven in het tweede besluit op bezwaar. Het gaat hier om een absolute uitzonderingsgrond waarop de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 van de Woo niet van toepassing is. Daarnaast zijn in deze documenten ook de persoonsgegevens geanonimiseerd vanwege het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het is evident dat dit belang ook na verloop van vijf jaar niet minder zwaarwegend wordt.
De openbaarmaking van 12 documenten is volledig geweigerd op grond van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo.
6.8.
De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom deze 99 documenten niet volledig openbaar zijn gemaakt, ondanks het feit dat ze ouder zijn dan 5 jaar. Hieruit volgt dat het college ten aanzien van deze documenten in het bestreden besluit niet heeft voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 van de Woo. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze plicht ten aanzien van de onder c) bedoelde documenten alleen gold voor zover daarop de relatieve uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo is toegepast en dus niet voor zover daarop de absolute uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo is toegepast. Daarom slaagt deze beroepsgrond. De rechtbank is echter van oordeel dat het college dit motiveringsgebrek heeft hersteld met de in het verweerschrift gegeven motivering. Karmedia heeft op de zitting opgemerkt dat het opmerkelijk is dat document 66121, dat volgens haar veel financiële detailinformatie uit Cognos bevat, wel gedeeltelijk openbaar is gemaakt, terwijl de openbaarmaking van document 66797, dat blijkens de titel een kopie van basisgegevens uit Cognos bevat, geheel is geweigerd. De rechtbank ziet hierin op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat de motivering van het college onvoldoende is. De omstandigheid dat bepaalde gegevens uit een programma openbaar worden gemaakt, brengt niet zonder meer met zich mee dat andere gegevens uit datzelfde programma eveneens openbaar moeten worden gemaakt. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat Karmedia de motivering van het college voor het overige niet heeft betwist. Gelet op het voorgaande passeert de rechtbank het gebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
6.9.
Ten aanzien van de 12 onder d) bedoelde documenten heeft Karmedia de door het college gegeven motivering wel betwist. De rechtbank zal daar hierna op ingaan.
Heeft het college de weigering om 12 Excel bestanden openbaar te maken kunnen baseren op de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo?
7. Karmedia voert aan dat het college in eerste instantie heeft geweigerd de 12 Excel bestanden 66779, 66782, 66797, 66809, 66810, 66815, 66875, 66931, 66938, 207350, 207391 en 207401 openbaar te maken op basis van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo en dat het college deze weigering in het bestreden besluit heeft gehandhaafd, maar nu heeft gebaseerd op de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo. Volgens Karmedia bevatten deze documenten, gelet op de namen daarvan, naar alle waarschijnlijkheid bedragen. Karmedia stelt zich op het standpunt dat het college in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom het deze uitzonderingsgrond heeft toegepast. Zonder die motivering, valt volgens Karmedia niet in te zien dat alle rijen en kolommen in de Excel bestanden informatie bevatten die onder de reikwijdte van het bepaalde in artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo valt en dat het daarmee beschermde belang zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarmaking. Verder voert Karmedia aan dat het college niet heeft voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 van de Woo. Zij vindt het niet aannemelijk dat deze documenten, die meer dan vijf jaar oud zijn, nog steeds zodanig actuele informatie bevatten dat deze informatie nog steeds geacht moet worden de financiële en economische belangen van de gemeente te kunnen schaden. De enkele stelling dat panden of vastgoed nog steeds in exploitatie zijn, is daarvoor volgens haar onvoldoende.
8. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt voor zover het gaat om de delen van deze 12 documenten die betrekking hebben op [bedrijf 1]. Voor deze delen van de documenten heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom deze niet geheel of gedeeltelijk openbaar kunnen worden gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de overige delen van deze documenten buiten het bereik van het Woo-verzoek vallen en dat het college daarom terecht heeft geweigerd deze openbaar te maken. Daarom slaagt de beroepsgrond niet voor dit deel van de documenten. De rechtbank legt dit hierna uit.
8.1.
In artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo staat dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Dit is een relatieve uitzonderingsgrond, waarop de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 van de Woo van toepassing is.
8.2.
Een bestuursorgaan kan het verstrekken van informatie weigeren met een beroep op dit artikel als de economische of financiële belangen van dat bestuursorgaan in het geding zijn. Deze uitzonderingsgrond kan worden toegepast ter bescherming van informatie die privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtsverhoudingen negatief kan beïnvloeden. Een beroep op deze weigeringsgrond is in beginsel slechts mogelijk voor de duur van het onderhandelingsproces. Onder omstandigheden kan ook de onderhandelingspositie van het bestuursorgaan in de toekomst reden zijn om deze uitzonderingsgrond toe te passen. [3]
8.3.
De rechtbank stelt voorop dat het Woo-verzoek van Karmedia alleen ziet op de openbaarmaking van gegevens die betrekking hebben op [bedrijf 1] en de hiervoor in r.o. 4.2 genoemde bedrijven. Op de zitting heeft Walas verklaard dat al deze bedrijven vallen onder hetzelfde concern en dat zij behalve [bedrijf 1] geen panden heeft of heeft gehad in Enschede. Karmedia heeft dit niet betwist en de rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Hieruit volgt dat het Woo-verzoek alleen betrekking heeft op gegevens die te maken hebben met [bedrijf 1].
8.4.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de 12 door Karmedia genoemde documenten. Zij stelt vast dat het gaat om 12 Excel bestanden waarin gegevens staan over (panden op) een groot aantal verschillende adressen en dat het overgrote deel van deze gegevens geen betrekking heeft op [bedrijf 1]. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het standpunt van het college dat de documenten 66779, 66931 en 66938 steeds hetzelfde document betreffen, niet juist is.
8.5.
De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen de delen van de 12 Excel bestanden die gaan over [bedrijf 1] en de delen van deze documenten die daar niet over gaan. Naar het oordeel van de rechtbank vallen de delen van de 12 Excel bestanden die geen betrekking hebben op [bedrijf 1] buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek en heeft het college daarom terecht geweigerd om deze delen openbaar te maken. Hierbij neemt zij in aanmerking dat Karmedia op de zitting heeft bevestigd dat de delen van de documenten die niet over [bedrijf 1] gaan buiten de reikwijdte van het verzoek vallen.
8.6.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo in de weg staat aan het openbaar maken van de delen van de 12 Excel bestanden die wel betrekking hebben op [bedrijf 1]. Het college is al sinds 2017 geen eigenaar meer van [bedrijf 1]. Daarom gaat de door het college gegeven motivering dat het gaat om financiële informatie over panden die nog steeds in exploitatie zijn, niet op voor de delen van de Excel bestanden die betrekking hebben op [bedrijf 1]. Naar het oordeel van de rechtbank valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom het openbaar maken van informatie over [bedrijf 1] de economische of financiële belangen van de gemeente zou kunnen schaden. Daarbij is mede van belang dat het gaat om documenten die (veel) ouder zijn dan vijf jaar. Hieruit volgt dat deze beroepsgrond slaagt voor zover het gaat om deze delen van de 12 Excel bestanden.
Zijn de documenten waarop de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo is toegepast, opnieuw beoordeeld conform de opdracht van de rechtbank?
9. Karmedia stelt zich op het standpunt dat het college de voorgeschreven herbeoordeling van de documenten waarop in eerste instantie de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo is toegepast, niet juist heeft uitgevoerd. Daartoe voert zij in de eerste plaats aan dat het college document 42526 ten onrechte niet in deze herbeoordeling heeft betrokken. In de tweede plaats voert zij aan dat – anders dan het college stelt – niet alsnog 22 documenten gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt, aangezien 19 van deze documenten al gedeeltelijk openbaar waren gemaakt met het derde besluit op bezwaar. [4] Volgens Karmedia zijn alleen de documenten 41883, 99304 en 99383 voor het eerst gedeeltelijk openbaar gemaakt met het bestreden besluit. Karmedia is van mening dat het opvallend is dat de documenten 97003, 99463, 108203 en 108205, die met het derde besluit op bezwaar al gedeeltelijk openbaar waren gemaakt, niet zijn betrokken in de heroverweging in het bestreden besluit.
10. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond voor een deel slaagt. Dit volgt al uit het feit dat het college heeft beslist om alsnog één van de door Karmedia genoemde documenten gedeeltelijk openbaar te maken. Voor het overige slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank zal dit hierna toelichten.
10.1.
In artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo staat dat het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dit is een relatieve uitzonderingsgrond, waarop de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 van de Woo van toepassing is.
10.2.
In de uitspraak van 18 november 2024 heeft de rechtbank geconstateerd dat het college heeft erkend dat de openbaarmaking van de documenten, waarbij in de inventarisatielijst staat dat de openbaarmaking daarvan integraal is geweigerd op grond van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo, in werkelijkheid integraal is geweigerd op grond van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo. Uit de uitspraak volgt dat voor deze documenten hetzelfde geldt als voor de overige documenten waarvan de openbaarmaking integraal is geweigerd op basis van deze laatstgenoemde uitzonderingsgrond. De rechtbank heeft ten aanzien van deze documenten geoordeeld dat de besluitvorming daarover niet in stand kan blijven en heeft het tweede besluit op bezwaar vernietigd voor zover deze uitzonderingsgrond niet goed is toegepast. De rechtbank heeft het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij deze documenten opnieuw moeten worden beoordeeld. [5]
10.3.
Naar aanleiding van deze opdracht heeft het college 22 documenten opnieuw beoordeeld en heeft het college met het bestreden besluit:
- 1 document volledig openbaar gemaakt;
- 18 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt met toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo;
- 3 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt met toepassing van de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, tweede lid, onder e, en vijfde lid, van de Woo.
10.4.
Het college heeft in het verweerschrift erkend dat het door Karmedia genoemde document 42526 per abuis niet in de herbeoordeling is betrokken. Het college heeft beslist om dit document alsnog gedeeltelijk openbaar te maken met uitzondering van de daarin vermelde persoonsgegevens en de daarin opgenomen bedrijfsinformatie die vertrouwelijk aan de gemeente is verstrekt. Ten aanzien van de persoonsgegevens en de bedrijfsinformatie moeten volgens het college de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo respectievelijk artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo worden toegepast. Uit deze reactie blijkt dat het college voor wat betreft dit document niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank en dat dit document ten onrechte niet gedeeltelijk openbaar is gemaakt in het bestreden besluit. In zoverre slaagt deze beroepsgrond dus.
10.4.1.
Karmedia heeft in de reactie op het verweerschrift of op de zitting niet aangegeven dat het college ten onrechte heeft geweigerd om de persoonsgegevens en bedrijfsinformatie in document 42526 openbaar te maken. Daarom is dit niet in geschil en zal de rechtbank daar verder niet op ingaan.
10.5.
Het college heeft in het verweerschrift erkend dat 18 van de 22 herbeoordeelde documenten al bij de eerdere besluiten op bezwaar geheel of gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt. De rechtbank is het met het college eens dat deze documenten daarom niet herbeoordeeld hadden hoeven worden. Dat het college dit wel heeft gedaan, is geen reden om te concluderen dat het betreden besluit onrechtmatig is. Ten aanzien van de overige 4 herbeoordeelde documenten, die in het bestreden besluit voor het eerst geheel of gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt, heeft Karmedia geen beroepsgronden aangevoerd. Hierover bestaat dus geen geschil. Daarom zal de rechtbank daar verder niet op ingaan.
10.6.
De stelling van Karmedia dat het opvallend is dat 4 documenten, die met het derde besluit op bezwaar al gedeeltelijk openbaar waren gemaakt, niet zijn betrokken in het bestreden besluit kan niet tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Daarbij is van belang dat de opdracht van de rechtbank alleen zag op de integraal geweigerde documenten. Daarom slaagt dit deel van de beroepsgrond niet.
Zijn de documenten waarop de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo is toegepast, opnieuw beoordeeld conform de opdracht van de rechtbank?
11. Karmedia stelt zich op het standpunt dat het college de voorgeschreven herbeoordeling van de documenten waarop in eerste instantie de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder c, van de Woo is toegepast, niet juist heeft uitgevoerd. Daartoe voert zij in de eerste plaats aan dat het college de documenten 41465 en 42450 ten onrechte niet in deze herbeoordeling heeft betrokken. In de tweede plaats voert Karmedia aan dat het college niet heeft gemotiveerd waarom de documenten 42529, 42543 en 42550 voldoende bedrijfs- en/of fabricagegegevens bevatten om integrale weigering te rechtvaardigen. In de derde plaats voert Karmedia aan dat blad 3 van de bij het bestreden besluit gevoegde inventarislijst wordt gepresenteerd als de herbeoordeling van de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, eerste lid, onder c, én tweede lid, onder f, van de Woo. Volgens Karmedia is het bestreden besluit op dat punt onnavolgbaar, omdat het gaat om documenten waarvan de openbaarmaking in het tweede besluit op bezwaar integraal is geweigerd met hoofdzakelijk de toepassing van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo. Slechts bij 4 documenten is ook de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo toegepast. Daarom valt volgens Karmedia zonder nadere motivering niet in te zien dat het college met deze herbeoordeling uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank ten aanzien van beide uitzonderingsgronden. In de vierde plaats voert Karmedia aan dat het college ten aanzien van de deels openbaar gemaakte documenten 40230, 40886, 42540, 42541, 43219, 120371, 120381 en 120393 ten onrechte de uitzonderingsgrond uit artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo heeft toegepast. Volgens Karmedia volgt uit de uitspraak van de rechtbank dat het college per document had moeten beoordelen of sprake is van voldoende bedrijfs- en/of fabricagegegevens die vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Zij gaat ervan uit dat het om financiële gegevens gaat en wijst erop dat dergelijke gegevens niet zonder meer zijn aan te merken als bedrijfs- en/of fabricagegegevens. Daarvoor is vereist dat het gaat om (nog) actuele gegevens waarvan openbaarmaking kan leiden tot een reëel concurrentienadeel. Volgens Karmedia blijkt uit de motivering van het bestreden besluit niet dat en waarom de betreffende (meer dan twaalf jaar oude) financiële gegevens (nog) moeten worden beschouwd als bedrijfs- en/of fabricagegegevens. Karmedia betwist dat dit zo is. Bovendien is volgens Karmedia niet duidelijk of deze gegevens vertrouwelijk aan de gemeente zijn meegedeeld. Verder voert Karmedia in de reactie op het verweerschrift aan dat het haar opvalt dat met toepassing van deze uitzonderingsgrond de openbaarmaking van alle bedragen in deze documenten is geweigerd. Volgens Karmedia zijn daarbij ten onrechte ook de totaalbedragen weggelakt, ook in de gevallen waarin uit die bedragen geen uur- of stuksprijzen kunnen worden afgeleid.
12. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond voor een deel slaagt. Dit volgt al uit het feit dat het college heeft beslist om alsnog een deel van de door Karmedia genoemde documenten gedeeltelijk openbaar te maken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom totaalbedragen waar geen aantallen uren of uur- of stuksprijzen uit kunnen worden afgeleid, kunnen worden aangemerkt als bedrijfsgegevens. Voor het overige slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank zal dit hierna toelichten.
12.1.
In artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo staat dat het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Dit is een absolute uitzonderingsgrond, waarop de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 van de Woo niet van toepassing is.
12.2.
In de uitspraak van 18 november 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de steekproef is gebleken dat de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo in alle beoordeelde gevallen terecht is toegepast. Zij heeft de bevindingen van de steekproef doorvertaald naar de overige documenten waarbij deze uitzonderingsgrond is toegepast en heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze grond van toepassing is op al die documenten. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat alle in de steekproef betrokken documenten voor wat betreft deze uitzonderingsgrond correct zijn gelakt. Zij heeft de bevindingen van de steekproef doorvertaald naar de overige gedeeltelijk openbaar gemaakte documenten waarbij deze uitzonderingsgrond is toegepast en heeft op grond daarvan geoordeeld dat het college terecht heeft geweigerd de in deze documenten weggelakte informatie openbaar te maken. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college in 50% van de in de steekproef betrokken documenten, waarvan de openbaarmaking volledig is geweigerd op grond van deze uitzonderingsgrond, ten onrechte de openbaarmaking volledig heeft geweigerd, in plaats van het enkel weglakken van passages/delen van deze documenten. Zij heeft de steekproef doorvertaald naar de overige integraal geweigerde documenten waarbij deze uitzonderingsgrond is toegepast en heeft geoordeeld dat 50% daarvan ten onrechte integraal is geweigerd. De rechtbank heeft het tweede besluit op bezwaar daarom vernietigd voor zover deze uitzonderingsgrond niet goed is toegepast. De rechtbank heeft het college opgedragen om alle integraal geweigerde documenten – waarbij de uitzonderingsgrond in artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo is toegepast – opnieuw te beoordelen. Deze beoordeling ziet enkel op de vraag of deze documenten voldoende bedrijfs- en/of fabricagegegevens bevatten om integrale weigering te rechtvaardigen. Als dit niet het geval is, moeten de documenten alsnog gedeeltelijk openbaar worden gemaakt met weglakking van de bedrijfs- en/of fabricagegegevens. [6]
12.3.
Naar aanleiding van deze opdracht heeft het college 29 documenten opnieuw beoordeeld en heeft het college met het bestreden besluit:
- 13 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt met toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo;
- 4 documenten niet openbaar gemaakt met toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo;
- 1 document gedeeltelijk openbaar gemaakt met toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo;
- 7 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt met toepassing van de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, eerste lid, onder c en i, van de Woo;
- 1 document gedeeltelijk openbaar gemaakt met toepassing van de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, eerste lid, onder c, en tweede lid, onder e en i, van de Woo;
- 3 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt met toepassing van de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, eerste lid, onder c, tweede lid, onder c en e, en vijfde lid, van de Woo.
12.4.
Het college heeft in het verweerschrift erkend dat de door Karmedia genoemde documenten 41465 en 42450 ten onrechte niet in de herbeoordeling zijn betrokken. Het college heeft beslist om deze documenten alsnog gedeeltelijk openbaar te maken met uitzondering van de in beide documenten vermelde persoonsgegevens en de in document 42450 opgenomen bedrijfsinformatie die vertrouwelijk aan de gemeente is verstrekt. Ten aanzien van de persoonsgegevens moet volgens het college de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo worden toegepast en ten aanzien van de bedrijfsinformatie de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo. Het college heeft de feitelijke openbaarmaking van document 41465 met twee weken opgeschort in verband met een zienswijze van een derde-belanghebbende die heeft aangegeven bezwaar te hebben tegen de openbaarmaking van dit document. Uit deze reactie van het college in het verweerschrift blijkt dat het college voor wat betreft deze 2 documenten niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank en dat deze documenten ten onrechte niet gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt in het bestreden besluit. In zoverre slaagt deze beroepsgrond dus.
12.4.1.
Karmedia heeft in de reactie op het verweerschrift of op de zitting niet aangegeven dat het college ten onrechte heeft geweigerd om de persoonsgegevens en bedrijfsinformatie in de documenten 41465 en 42450 openbaar te maken. Daarom is dit niet in geschil en zal de rechtbank daar verder niet op ingaan.
12.5.
In de e-mail van 1 april 2026 heeft het college meegedeeld dat het heeft beslist om de documenten 42529, 42543 en 42550 alsnog gedeeltelijk openbaar te maken met uitzondering van de daarin vermelde persoonsgegevens. Ten aanzien van deze gegevens moet volgens het college de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo worden toegepast. De rechtbank leidt hieruit af dat het college erkent dat de openbaarmaking van deze documenten in het bestreden besluit ten onrechte volledig is geweigerd. In zoverre slaagt deze beroepsgrond.
12.5.1.
Karmedia heeft op de zitting niet aangegeven dat het college ten onrechte heeft geweigerd om de persoonsgegevens in deze documenten openbaar te maken. Daarom is dit niet in geschil en zal de rechtbank daar verder niet op ingaan.
12.6.
Het college heeft toegelicht dat in de inventarislijst bij 4 van de herbeoordeelde documenten (40230, 42451, 42540 en 42541) is aangegeven dat zowel de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, als die van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo is toegepast. Het college stelt dat dit een fout in de inventarislijst is. De rechtbank kan zich vinden in deze toelichting van het college. Uit r.o. 44.1, 44.2 en 56.2 van de uitspraak van 18 november 2024 volgt dat bij de beoordeling van de documenten uit de steekproef is gebleken dat geen sprake is geweest van een gecombineerde toepassing van de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, eerste lid, onder c, en artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo. In die uitspraak heeft de rechtbank op basis daarvan geconcludeerd dat in alle gevallen dat beide uitzonderingsgronden zijn genoemd in de inventarislijst alleen de grond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo van toepassing is en dat het ook vermelden van de grond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo op een fout berust. Daarom ziet de rechtbank in wat Karmedia heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college de opdracht om de documenten waarbij deze uitzonderingsgronden niet correct zijn toegepast opnieuw te beoordelen niet juist heeft uitgevoerd. Het deel van de beroepsgrond dat hierover gaat slaagt daarom niet.
12.7.
De rechtbank is van oordeel dat het college er terecht op heeft gewezen dat in de uitspraak van 18 november 2024 al is geoordeeld dat de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo terecht is toegepast op de documenten waar het hier om gaat. Hieruit volgt dat al is vastgesteld dat deze documenten bedrijfs- of fabricagegegevens bevatten en dat deze vertrouwelijk aan de gemeente zijn meegedeeld. Ook kan hieruit worden afgeleid dat de rechtbank al heeft geoordeeld dat de door Karmedia genoemde omstandigheid dat de documenten meer dan 10 jaar oud zijn geen aanleiding geeft om de daarin opgenomen gegevens niet langer aan te merken als bedrijfs- of fabricagegegevens. Als Karmedia het niet eens was met deze oordelen, had zij hoger beroep kunnen instellen tegen de uitspraak van 18 november 2024. Doordat zij dit niet heeft gedaan, is deze uitspraak onherroepelijk geworden.
12.8.
Dit betekent dat in deze procedure alleen nog de vraag aan de orde is of de documenten geheel uit bedrijfs- of fabricagegegevens bestaan en het college de openbaarmaking van deze documenten daarom op grond van deze uitzonderingsgrond volledig kon weigeren of dat deze documenten slechts voor een deel uit dergelijke gegevens bestaan en het college daarom had moeten volstaan met een gedeeltelijke weigering.
12.9.
Het college heeft de openbaarmaking van de door Karmedia genoemde documenten 40230, 40886, 42540, 42541, 43219, 120371, 120381 en 120393 gedeeltelijk geweigerd op basis van (onder meer) de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo. Hieruit volgt dat het college niet de gehele inhoud van deze documenten heeft aangemerkt als bedrijfs- of fabricagegegevens, maar slechts een deel daarvan. Hieruit volgt dat het college uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank om te beoordelen of deze documenten voldoende bedrijfs- of fabricagegegevens bevatten om integrale weigering te rechtvaardigen. Gelet op wat hiervoor in r.o. 12.7 is overwogen, ziet de rechtbank in wat Karmedia heeft aangevoerd over de vraag of de informatie in deze documenten wel vertrouwelijk aan de gemeente is meegedeeld en of gelet op het tijdsverloop nog wel sprake is van bedrijfs- of fabricagegegevens geen aanleiding voor het oordeel dat het college de openbaarmaking van een te groot deel van deze documenten op grond van deze uitzonderingsgrond heeft geweigerd. Daarom slaagt dit deel van deze beroepsgrond niet.
12.10.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de totaalbedragen die voorkomen in de documenten 40230, 40886, 42540, 42541, 43219, 120371, 120381 en 120393 en waaruit geen aantallen uren of uur- of stuksprijzen kunnen worden afgeleid, kunnen worden aangemerkt als bedrijfsgegevens. Zij zal dit hierna uitleggen.
12.10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank moet de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo naar zijn aard restrictief worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen, kunnen onder omstandigheden als bedrijfsgegevens worden aangemerkt. De weigeringsgrond is bedoeld om te voorkomen dat de bedrijfsgegevens die bedrijven met het oog op concurrentie geheim willen houden, maar wel genoodzaakt zijn aan bestuursorganen te verstrekken, openbaar moeten worden gemaakt. [7]
12.10.2.
De rechtbank is van oordeel dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom totaalbedragen waaruit geen aantallen uren of uur- of stukstarieven kunnen worden afgeleid, andere vergelijkbare bedrijven inzicht geven in gehanteerde methodieken en bedrijfsstrategieën. [8] Voor zover dit niet het geval is, kunnen totaalbedragen niet worden aangemerkt als bedrijfsgegevens en kan de openbaarmaking daarvan niet worden geweigerd met toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo. Hierbij merkt de rechtbank op dat de gemachtigde van het college op de zitting desgevraagd heeft verklaard dat er wat haar betreft niets tegen het openbaar maken van totaalbedragen is, als daar verder niets uit kan worden afgeleid.
12.10.3.
De rechtbank constateert dat het college ten onrechte niet heeft beoordeeld in hoeverre uit de totaalbedragen die voorkomen in de documenten 40230, 40886, 42540, 42541, 43219, 120371, 120381 en 120393 aantallen uren of uur- of stukstarieven kunnen worden afgeleid. Ook heeft het college, voor zover dit niet het geval is, niet gemotiveerd waarom desondanks toch sprake is van bedrijfsgegevens. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Daarom slaagt dit deel van de beroepsgrond.
12.11.
Op de zitting heeft Karmedia verder nog aangevoerd dat het college niet consequent heeft gehandeld door de documenten 42529, 42543 en 42550 alsnog openbaar te maken en het daarmee vergelijkbare document 118361 niet. De rechtbank is van oordeel dat dit betoog niet tot de conclusie kan leiden dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Daartoe overweegt zij dat de rechtbank in r.o. 38.6 van de uitspraak van 18 november 2024 heeft geoordeeld dat het gehele document 118361 bestaat uit bedrijfsgegevens in de zin van de rechtspraak, waarbij het bedrijf dat deze gegevens heeft verstrekt ervan mocht uitgaan dat vertrouwelijk met deze informatie zou worden omgegaan, dat de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo van toepassing is op het gehele document en dat er niet te veel is weggelakt. Hieruit volgt dat de opdracht van de rechtbank tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar geen betrekking had op dit document en dat daarover in het bestreden besluit dus ook geen nieuwe beslissing hoefde te worden genomen. Daarom slaagt dit deel van deze beroepsgrond niet.
Kon de weigering om de kenmerken van vier brieven openbaar te maken worden gebaseerd op de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo?
13. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond van Karmedia dat het college ten onrechte heeft geweigerd de gemeentelijke kenmerken die zijn vermeld in de documenten 40230, 42448, 42449 en 42451 openbaar te maken op basis van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo slaagt. Daartoe overweegt zij dat het college in de e-mail van 31 maart 2026 heeft aangegeven dat de kenmerken per abuis zijn weggelakt. Het college heeft bij deze e-mail een versie van deze documenten gevoegd, waarin de kenmerken alsnog leesbaar zijn gemaakt.
Zijn de documenten waarop de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo is toegepast, opnieuw beoordeeld conform de opdracht van de rechtbank?
14. Karmedia stelt zich op het standpunt dat het college de voorgeschreven herbeoordeling van de documenten waarop de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo is toegepast, niet juist heeft uitgevoerd. Het gaat daarbij in het bijzonder om het ongedaan maken van de weglakkingen van huurprijzen en tot huurprijzen te herleiden Btw-bedragen die ouder zijn dan vijf jaar. Daartoe voert zij in de eerste plaats aan dat het college de documenten 40242 en 40492 ten onrechte niet in deze herbeoordeling heeft betrokken. Daarnaast voert zij aan dat het haar opvalt dat het college overal waar het eerder de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo had toegepast, nu de weigeringsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo heeft toegepast.
15. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond voor een deel slaagt. Dit volgt al uit het feit dat het college heeft erkend dat de herbeoordeling niet juist is uitgevoerd en heeft beslist om alsnog een aantal documenten gedeeltelijk openbaar te maken. Zoals het college in het verweerschrift heeft toegelicht, staan in de overige documenten geen huurprijzen of tot huurprijzen te herleiden Btw-bedragen. Daarom passeert de rechtbank ten aanzien van deze documenten het motiveringsgebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. De 2 door Karmedia genoemde documenten zijn terecht niet in de herbeoordeling betrokken. De rechtbank zal dit hierna toelichten.
15.1.
In artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo staat dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens. Dit is een relatieve uitzonderingsgrond, waarop de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 van de Woo van toepassing is.
15.2.
In de uitspraak van 18 november 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo niet juist is toegepast. Zij heeft geoordeeld dat het college zich weliswaar terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze uitzonderingsgrond op de desbetreffende documenten van toepassing is, maar dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van Walas bij bescherming van deze concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. De rechtbank heeft het tweede besluit op bezwaar vernietigd voor zover deze uitzonderingsgrond niet correct is toegepast. Zij heeft het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarin bij alle gedeeltelijk openbaar gemaakte documenten waarbij deze uitzonderingsgrond is toegepast, moet worden beoordeeld of huurprijzen en tot huurprijzen te herleiden Btw-bedragen zijn weggelakt en deze weglakkingen ongedaan moeten worden gemaakt. [9]
15.3.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de ongelakte versies van de documenten 40242 en 40492. Daarbij heeft de rechtbank geconstateerd dat in deze documenten geen huurprijzen of tot huurprijzen te herleiden Btw-bedragen staan. Daarom is de rechtbank het met het college eens dat deze documenten terecht niet in de herbeoordeling zijn betrokken. Daarom slaagt het deel van de beroepsgrond dat ziet op deze documenten niet.
15.4.
Het college heeft in het verweerschrift erkend dat de herbeoordeling in het bestreden besluit van de documenten waarop de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo is toegepast niet goed is gegaan. Daarom heeft het college de door de rechtbank opgedragen herbeoordeling opnieuw gedaan. Daarbij heeft het college geconstateerd dat de openbaarmaking van 44 documenten gedeeltelijk is geweigerd op grond van (enkel) de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo. Het college heeft deze documenten opnieuw bekeken en heeft daarbij geconstateerd dat in 3 van deze documenten huurbedragen staan en in de overige 41 documenten niet. Daarom gaf de uitspraak van 18 november 2024 volgens het college geen aanleiding om een nieuw besluit te nemen over deze 41 documenten. Karmedia heeft deze toelichting van het college in de reactie op het verweerschrift of op de zitting niet betwist. De rechtbank constateert dat in de inventarislijst die als bijlage is gevoegd bij het tweede besluit op bezwaar inderdaad 44 documenten staan waarbij ‘5.1.2f’ staat en dit niet is gecombineerd met ‘5.1.2c’. De rechtbank heeft bij wijze van steekproef de ongelakte versie van 9 van de 41 door het college bedoelde documenten bekeken. Het gaat daarbij om de documenten 40218, 40235, 40240, 40248, 40546, 58085, 58321, 59284 en 214185. Dit zijn het eerste en daarna elk vijfde document, uitgaande van de volgorde van de inventarislijst. De rechtbank heeft geconstateerd dat in deze documenten geen huurprijzen of tot huurprijzen te herleiden Btw-bedragen staan. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het college het bestreden besluit op dit punt niet goed heeft gemotiveerd, maar dat dit motiveringsgebrek met de toelichting in het verweerschrift voldoende is hersteld. De rechtbank passeert dit gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
15.5.
Het college heeft in het verweerschrift aangegeven dat het heeft geconstateerd dat in de documenten 40031, 63482 en 187632 wel huurprijzen staan en dat deze ten onrechte zijn weggelakt. Het college heeft deze informatie alsnog zichtbaar gemaakt door de weglakkingen ongedaan te maken. Hieruit volgt dat het college erkent dat het deze huurprijzen ten onrechte niet openbaar heeft gemaakt met het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

16. In r.o. 6.5, 10.4, 12.4, 12.5, 13 en 15.5 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college in het bestreden besluit meerdere documenten ten onrechte niet geheel of gedeeltelijk openbaar heeft gemaakt. Dit is in strijd met de Woo. In r.o. 8.6 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college ten aanzien van de delen van de 12 Excel bestanden die gaan over [bedrijf 1] onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze niet geheel of gedeeltelijk openbaar kunnen worden gemaakt. Dit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. In r.o. 12.10 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de in de door Karmedia genoemde documenten voorkomende totaalbedragen waaruit geen aantallen uren of uur- of stuksprijzen kunnen worden afgeleid, kunnen worden aangemerkt als bedrijfsgegevens. Ook dit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
17. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan uitsluitend met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet het college besluiten om de in r.o. 6.5, 10.4, 12.4, 12.5, 13 en 15.5 genoemde documenten geheel of gedeeltelijk openbaar te maken overeenkomstig de beslissingen die zijn vermeld in het verweerschrift en de e-mails van 31 maart 2026 en 1 april 2026. Daarnaast moet het college motiveren waarom de delen van de 12 in r.o. 7 genoemde Excel bestanden die gaan over [bedrijf 1] niet geheel of gedeeltelijk openbaar kunnen worden gemaakt of moet het deze delen van deze Excel bestanden alsnog geheel of gedeeltelijk openbaar maken. Ten slotte moet het college motiveren waarom de in r.o. 12.10 bedoelde totaalbedragen niet openbaar kunnen worden gemaakt of moet het deze totaalbedragen alsnog openbaar maken. Het college moet daarbij in acht nemen wat de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak.
18. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank Karmedia in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
19. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. [10]
20. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzitter, en mr. E.C. Rozeboom en mr. drs. F. Onrust, leden, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
de voorzitter is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.In artikel 6:22 van Pro de Awb staat dat een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het beroep beslist in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
2.Zie r.o. 25, 26 en 30.4 van de uitspraak van 18 november 2024.
3.Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7782, r.o. 4.1., de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1223, r.o. 9.2., 9.3. en 9.4., en Kamerstukken I 2021-2022, 33328, AB, p. 89.
4.Het gaat daarbij om de documenten 42527, 59317, 97004, 97010, 97044, 97059, 97061, 97062, 97065, 97066, 97079, 97439, 97871, 99196, 99198, 99240, 99368, 99371 en 99388.
5.Zie r.o. 23 tot en met 26.2, 30.4 en 49 van de uitspraak van 18 november 2024.
6.Zie r.o. 38.8. van de uitspraak van 18 november 2024.
7.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3571, r.o. 15.1.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3027, r.o. 7.2.
9.Zie r.o. 42.4. van de uitspraak van 18 november 2024.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.