ECLI:NL:RBOVE:2026:4156

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
C/08/348382 / KG ZA 26-126
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 7:417 BWArt. 3:17 BWArt. 254 RvArt. 99 Rv
Verwijzingen
17 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir verhaalsbeslag deels toegewezen na belangenafweging in civiele procedure

Tussen eiser en eiseres 2 enerzijds en gedaagde anderzijds zijn twee bodemprocedures gevoerd met vonnissen in eerste aanleg. Gedaagde legde conservatoir verhaalsbeslag op onroerende zaken en bankrekeningen van eisers tot zekerheid van verhaal. Eisers vorderden opheffing van deze beslagen in kort geding.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de vorderingen van gedaagde niet summierlijk ondeugdelijk zijn en dat het beslag niet onnodig of disproportioneel is, mede gelet op de lopende hoger beroepen en de omvang van de potentiële vorderingen. Wel werd erkend dat de waarde van de onroerende zaken lager is dan het beslagbedrag en dat opheffing van deze beslagen lastenverlichting kan bieden.

Daarom werden de beslagen op de onroerende zaken opgeheven, terwijl de bankbeslagen onder de Rabobank gehandhaafd blijven tot een bedrag van €1,3 miljoen. De proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het conservatoir verhaalsbeslag op onroerende zaken wordt opgeheven, terwijl het beslag op bankrekeningen tot €1,3 miljoen gehandhaafd blijft.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/348382 / KG ZA 26-126
Vonnis in kort geding van 14 juli 2026
in de zaak van

1.[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiser] ,
2.
[eiseres 1],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiseres 1] ,
3.
[eiseres 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiseres 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. V. Sol en mr. R. Amelink,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S. Remers.

1.De zaak in het kort

1.1.
Tussen [gedaagde] enerzijds en [eiser] en/of [eiseres 2] anderzijds zijn bij de Rechtbank Overijssel twee bodemprocedures aanhangig geweest. In beide zaken is in eerste aanleg eindvonnis gewezen. [gedaagde] is tegen beide vonnissen in hoger beroep gekomen. Tot zekerheid van verhaal heeft [gedaagde] verschillende keren conservatoir verhaalsbeslag gelegd ten laste van [eiser] en [eiseres 2] op onroerende zaken en bankrekeningen. [eisers] vordert in dit kort geding, kort gezegd, opheffing van deze beslagen.
De voorzieningenrechter heft het conservatoir verhaalsbeslag op de onroerende zaken op. De conservatoire verhaalsbeslagen ten laste van [eiseres 2] op de bankrekening, blijven gehandhaafd tot een bedrag van afgerond € 1,3 miljoen. De voorzieningenrechter zal zijn beslissing hieronder motiveren.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 juni 2026 met producties 1 – 22;
- de nader ingediende productie 23 aan de zijde van [eisers] van 25 juni 2026;
- de nader ingediende producties 1 – 5 aan de zijde van [gedaagde] van 28 juni 2026;
- de nader ingediende producties 24 en 25 aan de zijde van [eisers] van 29 juni 2026;
- de mondelinge behandeling van 30 juni 2026, waarbij [eiser] aan de zijde van [eisers] aanwezig was en [naam] namens [gedaagde] aanwezig was. Partijen zijn bijgestaan door hun advocaat en hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is enig middellijk aandeelhouder en middellijk bestuurder van [eiseres 2] . [eiseres 2] houdt zich bezig met bouwmanagement en -regie. Tussen [eiseres 2] en de Coöperatieve Rabobank U.A. (verder: de Rabobank) bestaat een rechtsverhouding (een rekening-courantovereenkomst).
3.2.
[eiser] en [eiseres 1] zijn met elkaar gehuwd.
3.3.
[gedaagde] is onderdeel van de [bedrijf] . Zij houdt zich bezig met de productie en verkoop van zuivelproducten en voert onder meer de merknamen [merknaam 1] en [merknaam 2] .
3.4.
[gedaagde] heeft in de periode van 2017 tot eind juni 2023 twaalf bouwprojecten gehad waarbij zij [eiseres 2] heeft ingeschakeld. [gedaagde] heeft de opdracht met [eiseres 2] beëindigd toen haar signalen bereikten dat zij aan leveranciers voor een of meer van die projecten betalingen had gevraagd in ruil voor het verkrijgen van opdrachten.
3.5.
Tot zekerheid van verhaal heeft [gedaagde] verschillende keren conservatoir verhaalsbeslag gelegd ten laste van [eiser] en [eiseres 2] op onroerende zaken en bankrekeningen.
3.5.1.
[gedaagde] heeft, met verlof van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2023, op 28 juni 2023 conservatoir beslag gelegd ten laste van [eiser] op (i) de onroerende zaak te [plaats 5] aan de [adres 1] verder: OG [plaats 5] ) en (ii) de onroerende zaak te [plaats 2] . De vordering van [gedaagde] is begroot op € 402.000,00 wegens schadevergoeding als gevolg van een toerekenbare tekortkoming respectievelijk onrechtmatig handelen in verband met het vragen en ontvangen van betalingen van leveranciers in ruil voor het verkrijgen van een opdracht voor [gedaagde] .
3.5.2.
Verder heeft [gedaagde] , met verlof van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel van 3 augustus 2023, op 4 augustus 2023 aanvullend conservatoir beslag gelegd ten laste van [eiser] op (i) de onroerende zaak te [plaats 3] en (ii) het appartementsrecht te [plaats 4] aan de [adres 2] (verder: OG [plaats 4] ). De vordering van [gedaagde] is begroot op € 709.000,00 wegens schadevergoeding als gevolg van een toerekenbare tekortkoming respectievelijk onrechtmatig handelen in verband met het vragen en ontvangen van betalingen van leveranciers in ruil voor het verkrijgen van een opdracht voor [gedaagde] .
3.5.3.
Daarnaast heeft [gedaagde] , met verlof van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 29 december 2023, op 29 december 2023 conservatoir beslag gelegd ten laste van [eiseres 2] onder de Rabobank. De vordering van [gedaagde] is begroot op € 685.400,00 en de grondslag van de vordering ziet op de (gedeeltelijke) terugbetaling van honorarium wegens onverschuldigde betaling.
3.5.4.
Tot slot heeft [gedaagde] , met verlof van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2024, op 22 maart 2024 conservatoir beslag gelegd ten laste van [eiseres 2] onder de Rabobank. De vordering van [gedaagde] is begroot op € 1.500.000,00 en de grondslag van de vordering ziet op de vergoeding van de schade wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen aan de zijde van [eiseres 2] .
3.6.
[eiser] en [eiseres 1] zijn, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de onroerende zaken die door [gedaagde] zijn beslagen.
3.7.
Tussen [gedaagde] enerzijds en [eiser] en/of [eiseres 2] anderzijds zijn bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, twee bodemprocedures aanhangig geweest met zaaknummers C/08/300462 (verder: ‘zaak 1’) en C/08/314842 (verder: ‘zaak 2’). In beide zaken is in eerste aanleg eindvonnis gewezen. [eiseres 1] is geen partij bij deze bodemprocedures.
Zaak 1
3.7.1.
[gedaagde] vorderde – samengevat – in zaak 1, na wijziging van eis:
I. betaling door [eiseres 2] en [eiser] van € 458.106,64, vermeerderd met de wettelijke rente;
II. een verklaring voor recht dat [eiseres 2] het door haar in rekening gebrachte en door [gedaagde] betaalde honorarium ter zake van meerdere bouwprojecten aan [gedaagde] dient terug te betalen [1] ;
III. betaling door [eiseres 2] en [eiser] van € 64.994,67 aan onderzoekskosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
IV. betaling door [eiseres 2] en [eiser] van € 67.705,22 aan beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
V. betaling door [eiseres 2] en [eiser] van de integrale proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.8.
Bij vonnis in incident van 27 maart 2024 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, in zaak 1 het volgende beslist:
i. het beslag ter zake waarvan op 3 augustus 2023 verlof was verleend, is herbegroot van € 709.000,00 tot € 669.805,00 (na correctie van een optelfout in het oorspronkelijke verzoekschrift);
ii. het beslag op de onroerende zaak in [plaats 2] en het beslag op de onroerende zaak in [plaats 3] opgeheven;
iii. het derdenbeslag onder de Rabobank is opgeheven voor zover dat het bedrag van € 685.400,00 overstijgt.
3.8.1.
Op 7 augustus 2024 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, in zaak 1 tussenvonnis gewezen. Bij eindvonnis van 29 oktober 2025 heeft de rechtbank:
i. [eiseres 2] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] van € 63.800,09, bestaande uit de hoofdsom ad. € 53.800,09 en de onderzoekskosten ad. € 10.000,00 en vermeerderd met de wettelijke rente;
ii. [eiseres 2] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] van € 301,84 aan beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
iii. voor recht verklaart dat [eiseres 2] het door haar ter zake van een aantal in het vonnis nader aangeduide projecten in rekening gebrachte en door [gedaagde] betaalde honorarium aan [gedaagde] dient terug te betalen;
iv. de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; en
v. de vorderingen tegen [eiser] in privé en de overige vorderingen afgewezen.
[eiseres 2] heeft het onder i. bedoelde bedrag voldaan aan [gedaagde] .
Zaak 2
3.8.2.
[gedaagde] vorderde – samengevat – in zaak 2:
I. een verklaring voor recht dat [eiseres 2] toerekenbaar tekort is geschoten jegens [gedaagde] en aansprakelijk is voor de daardoor door [gedaagde] geleden schade;
II. veroordeling tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat; en
III. betaling door [eiseres 2] van de proceskosten.
3.8.3.
Bij vonnis van 18 december 2024 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, de vorderingen van [gedaagde] afgewezen en [gedaagde] veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiseres 2] begroot op € 2.708,00.
3.9.
[gedaagde] is tegen beide vonnissen in hoger beroep gekomen. In beide zaken is een gevoegde mondelinge behandeling bepaald op 24 september 2026.
3.10.
Op de vermogensbestanddelen van [eisers] rusten per heden nog de volgende conservatoire beslagen:
Beslagobject
Ten laste van
Begroot bedrag
Zaak
OG [plaats 5] ( [adres 1] )
[eiser]
402.000,00
Zaak 1
OG [plaats 4] ( [adres 2] )
[eiser]
669.805,00
Zaak 1
Derdenbeslag onder de Rabobank
[eiseres 2]
685.400,00
Zaak 1
Derdenbeslag onder de Rabobank
[eiseres 2]
1.500.000,00
Zaak 2
Totaal begroot
3.257.205,00
3.11.
Het door de Rabobank ten laste van [eiseres 2] gehouden saldo bedraagt nu in totaal € 1.318.451,03, te weten een saldo op de spaarrekening van € 1.281.565,15 en een saldo op de betaalrekening van € 36.885,88.

4.Het geschil

4.1.
[eisers] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover mogelijk op alle dagen en uren:

1.

1.1.
Primair
de door [gedaagde] ten laste van [eisers] gelegde conservatoire beslagen — zijnde het beslag op het OG [plaats 5] ( [adres 1] te [plaats 5] ), het beslag op het OG [plaats 4] ( [adres 2] te [plaats 4] ), het derdenbeslag onder de Rabobank ten laste van [eiseres 2] in zaak C/08/300462, alsmede het derdenbeslag onder de Rabobank ten laste van [eiseres 2] in zaak C/08/314842 — opheft, onder de voorwaarde dat [eisers] vervangende zekerheid stelt in de vorm van een NVB-bankgarantie tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag;
1.2.
Subsidiair
het beslag op het OG [plaats 5] en de beide derdenbeslagen onder de Rabobank opheft, onder de voorwaarde dat [eisers] vervangende zekerheid stelt in de vorm van een NVB-bankgarantie tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, en met handhaving van het beslag op het OG [plaats 4] ;
1.3.
Meer subsidiair
de beide derdenbeslagen onder de Rabobank opheft; alsmede het beslag op het OG [plaats 5] opheft, onder de voorwaarde dat bij het passeren van de leveringsakte van het OG [plaats 5] door de passerende notaris uit de netto-verkoopopbrengst een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, met als maximum de beschikbare netto-opbrengst, wordt overgemaakt naar een kwaliteitsrekening als bedoeld in artikel 25 Wet Pro op het notarisambt, geblokkeerd ten gunste van [gedaagde] totdat in de bodemprocedures onherroepelijk is beslist, dan wel [eisers] voor hetzelfde bedrag een NVB-bankgarantie heeft gesteld; met handhaving van het beslag op het OG [plaats 4] ;
1.4.
Meest subsidiair
de beide derdenbeslagen onder de Rabobank opheft, onder de voorwaarde dat [eisers] vervangende zekerheid stelt in de vorm van een NVB-bankgarantie tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, en met handhaving van de beslagen op het OG [plaats 5] en het OG [plaats 4] ;
2.[gedaagde] veroordeelt om binnen twee werkdagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis:
i. de opgeheven beslagen op de onroerende zaken te (laten) doorhalen in het daartoe bestemde register van het Kadaster; en
ii. een afschrift van het in dezen te wijzen vonnis te zenden aan de Rabobank, met het verzoek de blokkade op de bankrekeningen van [eiseres 2] op te heffen;
zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] met één of meer van deze verplichtingen in gebreke blijft;
3.[gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) als [gedaagde] deze kosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis heeft voldaan.
4.2.
[gedaagde] betwist dat haar vorderingen ondeugdelijk zijn en dat het beslag onnodig en disproportioneel is.

5.De beoordeling

De bevoegdheid
5.1.
Hoewel verschillende voorzieningenrechters verlof voor de conservatoire beslagen op de onroerende zaken en de bankrekeningen hebben verleend, acht de voorzieningenrechter zich bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen. De beslagene die een vordering tot opheffing van het beslag wenst in te stellen, kan terecht bij de voorzieningenrechter van de rechtbank die het beslagverlof heeft verleend (in dit geval: Amsterdam en Overijssel), maar ook bij de voorzieningenrechter van de vestigingsplaats van de (gedaagde) beslaglegger (in dit geval: Hengelo). [2]
Het juridisch kader bij de vordering tot opheffing van conservatoir beslag
5.2.
De voorzieningenrechter mag bevelen tot opheffing van een conservatoir beslag onder meer als (1) op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, (2) summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, (3) als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. [3] Een spoedeisend belang bij die opheffing wordt niet als voorwaarde gesteld.
5.3.
Het ligt in de eerste plaats op de weg van degene die opheffing van het beslag vordert (in dit geval [eisers] ) om, met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger ( [gedaagde] ) gepretendeerde vordering ondeugdelijk of dat het beslag onnodig is. [4] De voorzieningenrechter moet beslissen aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Deze beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van wat door beide partijen naar voren is gebracht zwaarder weegt dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. [5]
5.4.
[eisers] doet een beroep op de ondeugdelijkheid van de vordering en de disproportionaliteit en onnodigheid van het beslag.
Ondeugdelijkheid van de vordering
5.5.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan op dit moment niet worden gezegd dat de vordering van [gedaagde] waarvoor zij beslag heeft gelegd, summierlijk ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter acht daarbij het volgende redengevend.
5.6.
[gedaagde] baseert de vorderingen waarvoor zij beslag heeft gelegd op de stelling dat [eiseres 2] en [eiser] honorarium hebben bedongen bij leveranciers in ruil voor het krijgen van opdracht en dit ten laste van [gedaagde] hebben gebracht (zaak 1). Ook zijn er volgens [gedaagde] bouwkundige gebreken aan het licht gekomen bij een aantal bouwprojecten die [eiseres 2] voor [gedaagde] heeft begeleid (zaak 2). Voor beide kwesties is [gedaagde] twee afzonderlijke bodemprocedures gestart. In zaak 1 vorderde zij, kort gezegd, (terug)betaling van de ontvangen honoraria en een verklaring voor recht dat [eiseres 2] het door [gedaagde] betaalde honorarium ter zake van een aantal projecten dient terug te betalen. En in zaak 2 vorderde [gedaagde] , kort gezegd, een verklaring voor recht dat [eiseres 2] wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming gehouden is tot schadevergoeding nader op te maken bij staat.
5.7.
Niet in geschil is dat de bodemrechter de vorderingen van [gedaagde] in zaak 1 jegens [eiser] in privé heeft afgewezen, omdat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld en onderbouwd dat [eiser] naast [eiseres 2] hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden. De gevorderde verklaring voor recht heeft de rechtbank in zaak 1 toegewezen en zij heeft [eiseres 2] veroordeeld tot (terug)betaling van € 63.800,09 aan ontvangen honoraria en onderzoekskosten. Verder staat vast dat de bodemrechter de vorderingen van [gedaagde] in zaak 2 jegens [eiseres 2] integraal heeft afgewezen, kort gezegd, omdat [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat niet zij maar [eiseres 2] eindverantwoordelijk was voor de bouwprojecten.
5.8.
[gedaagde] is van beide bodemprocedures in hoger beroep gekomen. Ten aanzien van zaak 1 heeft [gedaagde] bij de mondelinge behandeling in het onderhavige kort geding aangevoerd zich niet te kunnen vinden in (i) de hoogte van het door de rechtbank toegekende schadebedrag (€ 63.800,09), (ii) de afwijzing van de gevorderde beslag- en onderzoekskosten en (iii) het oordeel dat [eiser] niet hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor de geleden schade. Ten aanzien van zaak 2 kan [gedaagde] zich, kort gezegd, niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat zij niet aan haar stelplicht zou hebben voldaan en meent [gedaagde] dat de rechtbank de subsidiair aangevoerde grondslag (schending zorgplicht) ten onrechte niet heeft beoordeeld.
[gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd in hoger beroep hoofdzakelijk het volgende te vorderen:

ten aanzien van [eiser]: een schadevergoeding van afgerond € 475.000,00 (inclusief onderzoeks- en beslagkosten), zijnde een bedrag van afgerond € 415.000,00 meer ten opzichte van dat wat in eerste aanleg is toegewezen;

ten aanzien van [eiseres 2]: (i) een schadevergoeding van afgerond € 475.000,00 (inclusief onderzoeks- en beslagkosten), zijnde een bedrag van afgerond € 415.000,00 meer ten opzichte van dat wat in eerste aanleg is toegewezen en (ii) een schadevergoeding nader op te maken bij staat, waarbij volgens [gedaagde] de directe schade door twee externe bouwadviesbureaus is begroot op een bedrag van € 1,5 miljoen tot € 1,8 miljoen exclusief btw. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [gedaagde] een onderzoeksrapport met schadebegroting overgelegd.
5.9.
[eisers] heeft daar ter zitting tegen ingebracht dat hij aan de veroordeling tot betaling van € 63.800,09 heeft voldaan, zodat er volgens [eisers] nog één aanspraak resteert: de verklaring voor recht over de honorarium-terugbetaling ter zake van een beperkt aantal deelfacturen. Voor de schadevordering uit zaak 2 geldt volgens [eisers] het omgekeerde: die is in eerste aanleg integraal afgewezen en bestaat pas weer als het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die afwijzing vernietigt. De verklaring voor recht stelt de omvang van de honorariumvordering uitdrukkelijk niet vast en kan dat ook niet doen zonder een aanvullende kwantificeringsprocedure die [gedaagde] niet heeft ingesteld, aldus [eisers] verwijst hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad van 25 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:298). Maar zelfs als de verklaring voor recht in hoger beroep zou worden omgezet in een gekwantificeerde verplichting, wordt het maximale verhaalsbelang volgens [eisers] gereduceerd door drie opeenvolgende beperkingen. Ten eerste geldt het loonverval van artikel 7:417 BW Pro uitsluitend geldt voor werkzaamheden die als bemiddeling kwalificeren en daar ziet het overgrote deel van het honorarium niet op. Ten tweede strekt het loonverval, ook binnen de bemiddelingswerkzaamheden, niet verder dan tot die specifieke werkzaamheden waarin het loyaliteitsconflict zich daadwerkelijk manifesteerde. En ten derde leidt cumulatie van loonverval en schadevergoeding over dezelfde feiten tot een ongerechtvaardigde dubbele last.
5.10.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat toetsing aan de opheffingsgrond van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht een voorlopige inschatting van de rechtspositie van de beslaglegger vereist. Door de vonnissen van deze rechtbank in de beide bodemprocedures is er iets meer houvast over de omvang van de vorderingen van [gedaagde] jegens [eisers] De voorzieningenrechter volgt [eisers] niet in zijn betoog dat het beslag dat is gelegd op de onroerende zaken van [eiser] – OG [plaats 5] en OG [plaats 4] – dient te worden opgeheven vanwege afwijzing van de vorderingen in eerste aanleg. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag op de grond dat de vordering tot verzekering waarvan dat beslag is gelegd, door de bodemrechter in eerste aanleg is afgewezen maar tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld, niet zonder meer moet worden toegewezen. Ook in dat geval dient de voorzieningenrechter de wederzijdse belangen van partijen af te wegen, waarbij de omstandigheid dat de bodemrechter in eerste aanleg in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient te worden meegewogen. [6]
5.11.
De afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] jegens [eiser] in zaak 1 en de afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] jegens [eiseres 2] in zaak 2 leggen in het kader van de wederzijdse belangenafweging het nodige gewicht in de schaal. Daartegenover staat het onmiskenbare belang van [gedaagde] bij handhaving van de beslagen zolang de afwijzing van haar vorderingen nog niet definitief is. Van de voorzieningenrechter kan niet worden gevergd dat hij in dit vonnis een voorlopige beoordeling geeft over de kans van slagen van het door [gedaagde] tegen de vonnissen in eerste aanleg ingestelde hoger beroep. [7] Maar gelet op dat wat [gedaagde] heeft verklaard – en door [eisers] niet is weersproken – over de door haar in hoger beroep naar voren gebrachte grieven tegen de twee vonnissen in de bodemprocedures van deze rechtbank (zie 5.8), weegt de voorzieningenrechter bij de beoordeling van de opheffingsvordering wel mee dat [gedaagde] potentieel een aanzienlijke vordering heeft. Die vordering moet worden aangetoond in de bodemprocedure en een conservatoir beslag strekt er naar zijn aard nu juist toe om te waarborgen dat verhaal mogelijk zal zijn bij toewijzing van een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak (in hoger beroep). [8]
5.12.
Gelet op deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende is gebleken van beslag voor een kennelijk niet bestaande, verjaarde of anderszins al te zwakke vordering van [gedaagde] . In dat kader geldt dat een (opheffings-) kort geding zich niet leent voor een inhoudelijke beoordeling van alle twistpunten tussen partijen en aansprakelijkheidsstelling. Daarvoor is een bodemprocedure aangewezen.
5.13.
De voorzieningenrechter oordeelt dat [eisers] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door [gedaagde] gepretendeerde vordering summierlijk ondeugdelijk is.
Onnodig of onrechtmatig beslag
5.14.
[eisers] stelt ook dat het beslag onnodig en disproportioneel is. Daarbij wijst hij op het bedrag van de vorderingen waarvoor het beslagverlof is verleend (ruim € 3,2 miljoen), de vrije executiewaarde van de beslagen onroerende goederen (circa € 678.000,00 zonder dat daar een hypothecaire last op rust) en de hoogte van de resterende vorderingen van [gedaagde] in de twee bodemprocedures (€ 63.800,09).
5.15.
[gedaagde] betwist dit. Zij voert aan (nog steeds) belang te hebben bij handhaving van de beslagen en het meest bij handhaving van het ten laste van [eiseres 2] gelegde bankbeslag: [eiser] in privé is namelijk slechts procespartij in een van de twee bodemprocedures en in de procedure waarin ook [eiser] in privé procespartij is, heeft de rechtbank geoordeeld dat hij niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden. Bovendien vertegenwoordigen de twee beslagen op het onroerende goed volgens [gedaagde] vrijwel geen executiewaarde, omdat sprake is van gedeeld eigendom. Gelet op de waarde van de beslagen goederen afgezet tegen de hoogte van de vorderingen van [gedaagde] in hoger beroep, is volgens [gedaagde] geen sprake van disproportionaliteit.
5.16.
De voorzieningenrechter overweegt dat, als de schuldenaar voldoende verhaal biedt, en er geen verduistering te duchten is, of indien een aansprakelijkheid door een verzekeringspolis is gedekt, dan wel er op andere wijze zekerheid is voor het verhaal, een beslag als onnodig kan worden aangemerkt, na afweging van de belangen van partijen over en weer. De vraag of een conservatoir beslag onrechtmatig is dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de vordering, de waarde van de beslagen goederen en de onevenredigheid waarmee de schuldenaar eventueel door het beslag in zijn belangen wordt getroffen. [9]
5.17.
Niet in geschil is dat [eisers] aan de veroordeling tot betaling van € 63.800,09 heeft voldaan. De voorzieningenrechter volgt [eisers] in zijn betoog dat het bedrag van de vorderingen waarvoor het beslagverlof is verleend en de waarde van de beslagen goederen niet in verhouding is met hetgeen in eerste aanleg is toegewezen in combinatie met de inzet van het hoger beroep. Dat klemt temeer nu de vordering tot (terug)betaling van het honorarium is beperkt tot een aantal leveranciers.
De voorzieningenrechter laat in het midden of de vordering strekkende tot een verklaring voor recht als geldige eis in de hoofdzaak kan gelden. Los van de gevorderde verklaring voor recht heeft [gedaagde] namelijk ook dan potentieel een aanzienlijke vordering jegens [eiseres 2] en/of [eiser] . Gelet op dit belang en op de omstandigheid dat [eisers] ter zitting onbetwist heeft aangevoerd het onroerend goed in [plaats 5] ( OG [plaats 5] ) – al dan niet noodgedwongen – te willen verkopen en dat de onbeslagen onroerende zaak in [plaats 2] grotendeels in de verkoop is en in zoverre niet langer als beschikbaar verhaalsvermogen kan worden aangemerkt, heeft [gedaagde] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter belang bij handhaving van de beslagen. Gelet op deze omstandigheden oordeelt de voorzieningenrechter dat onvoldoende is gebleken van een onrechtmatig of onnodig beslag.
De belangenafweging
5.18.
De voorzieningenrechter dient om te kunnen beslissen op de vordering van [eisers] de wederzijdse belangen van partijen af te wegen. Hij moet beoordelen of het belang van de beslaglegger ( [gedaagde] ) bij handhaving van het beslag op grond van de door naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene ( [eisers] ) bij opheffing van het beslag. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. [10]
5.19.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om – gelet op voornoemd toetsingskader – de beslagen op de onroerende zaken – het OG [plaats 5] en het OG [plaats 4] – op te heffen. De beslagen op de bankrekeningen van [eiseres 2] zal de voorzieningenrechter opheffen, voor zover het bedrag op die rekeningen het bedrag van € 1,3 miljoen overstijgt, met dien verstande dat zal worden bepaald dat de bankbeslagen tot dat bedrag dan zullen gelden voor de vorderingen van [gedaagde] in de beide zaken waarin hoger beroep is ingesteld. Daarmee komt de voorzieningenrechter tegemoet aan de belangen van beide partijen. Enerzijds de belangen van [gedaagde] , doordat de beslagen op de bankrekeningen voldoende zekerheid biedt voor het verhaal van de (potentiële) vordering van [gedaagde] . En anderzijds de belangen van [eisers] dat de beslagen op de onroerende zaken te belastend zijn voor hem en voldoende aannemelijk is dat opheffing van deze beslagen kan bijdragen aan een lastenverlichting. De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om, zoals [gedaagde] verzoekt, [eisers] te gelasten na (gedeeltelijke) opheffing van de beslagen vervangende zekerheid te stellen.
5.20.
De voorzieningenrechter zal de vordering om [gedaagde] te veroordelen om de opgeheven beslagen op de onroerende zaken te (laten) doorhalen in het daartoe bestemde register en een afschrift van dit vonnis aan de Rabobank te zenden met het verzoek de blokkade op de bankrekeningen van [eiseres 2] gedeeltelijk op te heffen en de daaraan verbonden gevorderde dwangsom, afwijzen. Een rechterlijke uitspraak die de rechtstoestand van een registergoed betreft kan op grond van artikel 3:17 lid Pro 1, onder e, BW worden ingeschreven. Uit artikel 513a Rv volgt dat [eisers] door middel van inschrijving van dit vonnis in de openbare registers zelfstandig de doorhaling van de krachtens dit vonnis opgeheven beslagen kan bewerkstelligen. Die inschrijving kan plaatsvinden door dit vonnis aan te bieden bij de bewaarder van de openbare registers van het Kadaster.
De conclusie
5.21.
De voorzieningenrechter zal de primaire vordering tot opheffing van de door [gedaagde] ten laste van [eiser] gelegde conservatoire beslagen op het OG [plaats 5] en het OG [plaats 4] toewijzen. Om te bereiken dat in zaak 1 en in zaak 2 zekerheid tot verhaal voor [gedaagde] blijft bestaan, zal de voorzieningenrechter de primaire vordering tot opheffing van de door [gedaagde] onder de Rabobank ten laste van [eiseres 2] gelegde conservatoire beslagen gedeeltelijk toewijzen, voor zover het bedrag op die rekeningen gezamenlijk het bedrag van € 1,3 miljoen overstijgt, met dien verstande dat zal worden bepaald dat de bankbeslagen tot dat bedrag dan zullen gelden voor de vorderingen van [gedaagde] in de beide zaken waarin hoger beroep is ingesteld.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.22.
Het vonnis wordt als gevorderd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitvoerbaarheid op alle dagen en uren wordt afgewezen. De noodzaak om het vonnis buiten de uren van artikel 64 Rv Pro ten uitvoer te kunnen leggen, wat een uitzonderingssituatie is, is onvoldoende gesteld, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt.
De proceskosten
5.23.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
heft op het ten laste van [eiser] door [gedaagde] krachtens het beslagverlof van 27 juni 2023 gelegde conservatoire verhaalsbeslag op de onroerende zaak te [plaats 5] aan de [adres 1] ;
6.2.
heft op het ten laste van [eiser] door [gedaagde] krachtens het beslagverlof van 3 augustus 2023 gelegde conservatoire verhaalsbeslag op de onroerende zaak te [plaats 4] aan de [adres 2] ;
6.3.
heft op de ten laste van [eiseres 2] door [gedaagde] krachtens de beslagverloven van 22 maart 2024 en van 29 december 2023 gelegde conservatoire verhaalsbeslagen onder de Rabobank, voor zover het bedrag op die bankrekeningen het bedrag van € 1,3 miljoen overstijgt, met dien verstande dat de bankbeslagen tot dat bedrag dan zullen gelden voor de vorderingen van [gedaagde] in de beide zaken waarin hoger beroep is ingesteld;
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.

Voetnoten

1.[gedaagde] vorderde ter zake van het honorarium eerder een concreet bedrag (€ 546.201,91), maar deze vordering heeft zij later in de procedure gewijzigd in de onder II. genoemde verklaring voor recht.
2.Artikel 254 Rv Pro in samenhang met artikel 99 Rv Pro en HR 23 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2496.
3.Artikel 705 lid 2 Rv Pro.
4.HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105.
5.HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105 en HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9060.
6.HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559.
7.HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559.
8.HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074.
9.HR 24 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1894.
10.HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559.