ECLI:NL:RBOVE:2026:4178

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 26/741
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenWet Ziektewet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens voldoende arbeidsvermogen voor 20 uur passend werk

Eiseres heeft een WIA-uitkering aangevraagd per 6 juni 2024, welke door het UWV is afgewezen op grond van medisch en arbeidskundig onderzoek dat geen verlies aan verdienvermogen vaststelde. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen deze afwijzing.

De medische beoordeling, inclusief rapporten van verzekeringsartsen en een GZ-psycholoog, concludeert dat eiseres beperkingen heeft, maar dat zij in staat is om 20 uur per week passend werk te verrichten. Eiseres betwist de omvang van de beperkingen, met name op het gebied van afleiding en samenwerken, en stelt dat zij minder uren kan werken. De rechtbank volgt echter de gemotiveerde medische en arbeidskundige rapportages en ziet geen aanleiding om de beperkingen verder uit te breiden.

De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering. Tevens wordt het verzoek om een onafhankelijke deskundige niet gehonoreerd, omdat er geen twijfel bestaat over de medische beoordeling. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiseres in staat wordt geacht 20 uur per week passend werk te verrichten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/741

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

gemachtigde: mr. K. Aslan,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(het UWV),
gemachtigde: [gemachtigde].
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V. uit [vestigingsplaats] (ex-werkgever).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om een WIA-uitkering. [eiseres] is het hier niet mee eens. Zij heeft een aantal argumenten tegen de afwijzing aangevoerd (beroepsgronden) aan de hand waarvan de rechtbank haar beroep beoordeelt.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. [eiseres] krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
[eiseres] heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 6 juni 2024. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 5 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van
14 januari 2026 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing gebleven.
2.2.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] , haar gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3.1.
De rechtbank stelt vast dat [eiseres] geen toestemming heeft verleend voor het toezenden van stukken aan ex-werkgever die medische gegevens bevatten. De rechtbank zal daarom in deze uitspraak de medische stukken zo min mogelijk inhoudelijk weergeven en medische terminologie vermijden waar dat mogelijk is.
3.2.
[eiseres] werkte bij ex-werkgever voor gemiddeld 17,96 uur per week als medewerker fastfood. Zij heeft zich op 9 juni 2022 ziek gemeld. Na het einde van haar dienstverband per 5 mei 2023 heeft het UWV haar in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
3.3.
Aanvankelijk is het ziekengeld na een onderzoek in het kader van een eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) ingetrokken. Tegen dit besluit heeft [eiseres] bezwaar gemaakt. In de bezwaarprocedure is medische informatie opgevraagd. Na ontvangst van de informatie van de GZ-psycholoog van 9 april 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 25 april 2024 de eerdere medische beoordeling herzien. Na arbeidskundig onderzoek in bezwaar is het bezwaar gegrond verklaard. De ZW-uitkering is vervolgens hervat en [eiseres] heeft de wachttijd van 104 weken doorlopen. Met ingang van 6 juni 2024 heeft zij een uitkering op grond van de Wet WIA aangevraagd. Deze aanvraag is door het UWV afgewezen.
Het standpunt van het UWV
3.4.
Volgens het UWV heeft [eiseres] per 6 juni 2024 geen recht op een WIA-uitkering, omdat uit medisch en arbeidskundig onderzoek is gebleken dat zij geen verlies aan verdienvermogen heeft. De verzekeringsartsen hebben allereerst vastgesteld dat de medische situatie van [eiseres] ten tijde van de datum in geding (6 juni 2024) niet is gewijzigd ten opzichte van de beoordeling die in april 2024 heeft plaatsgevonden in het kader van de bezwaarprocedure tegen de besluitvorming op grond van de ZW. Er gelden op 6 juni 2024 nog steeds dezelfde beperkingen. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een nagenoeg gelijke functionele mogelijkhedenlijst (FML). Alleen het punt van de beperking voor conflicthantering is in de FML aangepast (van 2.8.2- sterk beperkt, naar 2.8.1- beperkt), omdat [eiseres] per telefoon of schrift conflicten aankan. Volgens het UWV kan [eiseres] niet fulltime werken. Zij is echter wel in staat om 20 uur per week te werken, als in die werkzaamheden rekening gehouden wordt met haar beperkingen. De arbeidsdeskundige heeft voorbeeldfuncties geselecteerd, die [eiseres] nog zou kunnen doen. In die voorbeeldfuncties kan zij evenveel verdienen als zij heeft verdiend bij haar ex-werkgever. Daarom heeft zij geen recht op een WIA-uitkering.
Het standpunt van [eiseres]
3.5.
Volgens [eiseres] heeft het UWV ten onrechte geen beperking aangenomen voor afleiding door anderen (item 1.8.1) en samenwerken (item 2.9) en is ook de aangenomen urenbeperking ontoereikend. [eiseres] verwijst naar de informatie van de GZ-psycholoog van 9 april 2024, opgesteld kort voor de datum die hier van belang is. Uit de Basisinformatie CBBS blijkt dat de bij [eiseres] gestelde diagnose een voorbeeld is van een stoornis die gepaard kan gaan met verhoogde afleidbaarheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 22 december 2025 dan ook ten onrechte overwogen dat [eiseres] geen aandoening heeft met een verhoogde afleidbaarheid. Om die reden is volgens [eiseres] een beperking aan de orde op het punt van ‘afleiding door anderen’ (1.8.1).
3.6.
Met een beroep op de informatie van de GZ-psycholoog van 9 april 2024 heeft [eiseres] ook betoogd dat er voldoende reden is voor een beperking ten aanzien van ‘samenwerken’ (item 2.9). Voor een beperking op dit onderdeel bestaat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep immers aanleiding bij een gestoorde agressieregulatie, zoals bijvoorbeeld bij een stoornis in de impulscontrole of ASS. Dat is volgens [eiseres] ook in haar situatie aan de orde.
3.7.
[eiseres] handhaaft ook het in bezwaar ingenomen standpunt dat een verdergaande urenbeperking moet worden aangenomen. Ze heeft geen energie om activiteiten te ondernemen en zelfs het doen van kleine huishoudelijke activiteiten is energetisch gezien een zware klus. Dit is het gevolg van de bij haar gestelde diagnose, waarvoor zij onder behandeling staat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich op het standpunt gesteld dat zij hier al jaren mee kampt en dat nergens uit de stukken zou blijken dat de situatie in de loop der tijd is gewijzigd. [eiseres] heeft daarom informatie opgevraagd bij de internist die duidelijkheid zal brengen over de ernst van de problematiek. Deze informatie wordt nog in het geding gebracht.
3.8.
Omdat het UWV de klachten en beperkingen heeft onderschat zijn volgens [eiseres] ook de geduide functies niet geschikt.

Overwegingen

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het UWV terecht heeft vastgesteld dat [eiseres] op 6 juni 2024 niet arbeidsongeschikt is en dus geen recht heeft op een WIA-uitkering. Tussen partijen is vooral in geschil of zij meer beperkt is dan is vermeld in de FML van 20 juni 2024. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de aangenomen beperkingen. Hieronder legt de rechtbank uit waarom dit zo is.
4.2.
[eiseres] is op 20 juni 2024 gezien door de primaire verzekeringsarts. Deze arts heeft in zijn rapport geconstateerd dat de medische situatie niet wezenlijk is veranderd ten opzichte van de beoordeling die in april 2024 in het kader van de bezwaarprocedure tegen de EZWb is verricht. In die procedure is alsnog medische informatie opgevraagd en werd het rapport van de GZ-psycholoog van 9 april 2024 ontvangen, waaruit een diagnose is gebleken waarvoor behandeling nog gaande is. Met de bij de EZWb aangenomen beperkingen werd [eiseres] in staat geacht 30 uur per week te werken. Deze beoordeling is door de verzekeringsarts in juni 2024 gevolgd, zij het dat de belastbaarheid op het punt van conflicthantering is aangepast (van sterk beperkt naar beperkt). De verzekeringsarts heeft vervolgens beperkingen aanwezig geacht voor het omgaan met stresserende factoren op het werk. [eiseres] wordt ongeschikt geacht voor werkzaamheden met een dwingend opgelegd hoog handelingstempo. In verband met haar klachten is ook een beperking in de duurbelastbaarheid aangenomen. Er zijn echter geen aanwijzingen dat [eiseres] niet in staat is tot samenwerken. Een beperking voor afleiding op het werk is evenmin aanwezig. In passend werk wordt [eiseres] in staat geacht maximaal 20 uur per week te werken.
4.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 22 december 2025 bevestigd dat door de verzekeringsarts op deze wijze voldoende rekening gehouden is met de bij [eiseres] aanwezige beperkingen. Geconstateerd is dat de verzekeringsarts de duurbelastbaarheid heeft aangepast van 30 uur naar 20 uur per week, maar dat dit mogelijk een verschrijving is geweest. Hiermee is [eiseres] in ieder geval niet te kort gedaan.
4.4.
De rechtbank concludeert dat de rapporten van de verzekeringsarts van 20 juni 2024 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 december 2025 deugdelijk gemotiveerd, duidelijk en concludent zijn. Uit de rapporten blijkt ook dat de artsen een volledig beeld hebben gehad van de medische situatie van [eiseres] op de datum in geding. De door [eiseres] naar voren gebrachte klachten zijn gewogen en besproken en haar dagverhaal is in de overwegingen meegenomen. Ook de informatie van de GZ-psycholoog van 9 april 2024 waar [eiseres] naar verwijst was al in het dossier aanwezig en is door de verzekeringsartsen kenbaar bij de beoordeling betrokken.
Verhoogde afleidbaarheid en samenwerken
4.5.
[eiseres] heeft verwezen naar de Basisinformatie CBBS, waarin bij beoordelingspunt 1.8.1. ‘afleiding door anderen’ het volgende staat: “ Voorbeelden van stoornissen, die gepaard kunnen gaan met een verhoogde afleidbaarheid zijn overspanning, depressie, manische episode, borderline persoonlijkheidsstoornis, PTSS, niet aangeboren hersenletsel en ADHD”. Gelet op de diagnose die volgt uit de informatie van de GZ-psycholoog van 9 april 2024, moet volgens [eiseres] een beperking op onderdeel 1.8.1 in de FML worden aangenomen.
4.6.
De rechtbank wijst er allereerst op dat het CBBS-systeem een hulpmiddel is bij het vaststellen van de belastbaarheid. In het CBBS worden voorbeelden van ziektebeelden gegeven die gepaard
kunnengaan met verhoogde afleidbaarheid. Met de opsomming van diagnoses in de Basisinformatie CBBS wordt wel een denkrichting gegeven, maar uitgangspunt blijft een individuele beoordeling, op de persoon toegespitst. Op de zitting is ook namens het UWV toegelicht dat de Basisinformatie enkel voorbeelden geeft. Het is immers vaste rechtspraak dat het niet van belang is welke diagnose is vastgesteld, maar wat de medisch objectiveerbare beperkingen zijn [1] . De door de behandelaar van [eiseres] vastgestelde problematiek leidt daarom binnen de systematiek van het CBBS niet automatisch tot een beperking op onderdeel 1.8.1. In de situatie van [eiseres] hebben de verzekeringsartsen voor de rechtbank inzichtelijk gemotiveerd dat [eiseres] concentratieproblemen ervaart, maar dat het concentratievermogen niet zodanig is afgenomen dat ze hierdoor moet worden afgeschermd van anderen of van andere prikkels. De rechtbank vindt op dit punt ook van belang dat de verzekeringsarts in de beschouwing heeft meegenomen dat [eiseres] kort voor de datum in geding in het kader van de ZW-beoordeling is gezien op het spreekuur. Bij die gelegenheid heeft de verzekeringsarts kenmerken herkend die passen bij de klachten, maar ook geconstateerd dat [eiseres] in de spreekkamer prima functioneerde en haar klachten op dat moment vrij mild leken. Ook is van problemen met het concentratievermogen niet gebleken op de hoorzitting in april 2024, kort voor de datum in geding.
4.7.
Voor samenwerken (beoordelingspunt 2.9) is volgens de Basisinformatie CBBS het criterium voor normaal functioneren dat iemand in onderlinge afstemming met anderen een taak gezamenlijk kan uitvoeren (werken in teamverband). [eiseres] heeft erop gewezen dat zij problemen ervaart met emotieregulatie en zich bij boosheid kan terugtrekken. Zij begrijpt daarom niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gezegd dat zij niet lijdt aan een stoornis in de impulscontrole. Namens het UWV is op dit punt op de zitting uiteengezet dat er een verschil bestaat tussen problemen met emotieregulatie en een stoornis in de impulscontrole. Overigens geldt ook hier dat de diagnose op zichzelf niet bepalend is, maar de vraag of de aandoening leidt tot objectieve beperkingen. De verzekeringsartsen hebben naar het oordeel van de rechtbank op dit punt kunnen overwegen dat uit de informatie van de behandelaar niet kan worden afgeleid dat [eiseres] niet in staat kan worden geacht tot samenwerken. Wel is volgens de verzekeringsartsen van belang dat zij zich veilig voelt op de werkplek. Dat dit enige gewenning vraagt is logisch en geen reden een beperking aan te nemen.
De urenbeperking
4.8.
De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben voldoende overtuigend gemotiveerd dat er geen medische onderbouwing is voor de visie van [eiseres] dat zij niet in staat kan worden geacht tot 20 uur per week te werken in werk dat past bij haar belastbaarheid. [eiseres] heeft informatie aangekondigd waaruit zou moeten volgen dat zij hiertoe niet in staat is. Die informatie is niet ingebracht. Het UWV heeft er bovendien op gewezen dat uit het dossier volgt dat [eiseres] al jarenlang te maken heeft met deze problematiek en desondanks in staat is geweest 20 uur te werken. De rechtbank ziet daarom geen reden te veronderstellen dat dit nu niet meer mogelijk is.
Conclusie over de medische beoordeling
4.9.
De rechtbank concludeert dat de belastbaarheid van [eiseres] op de datum in geding in de medische rapportages op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. [eiseres] is wel beperkt geacht voor stresserende factoren op het werk, maar niet voor samenwerken en afleiding door anderen. Er is geen nieuwe medische informatie ingebracht die objectieve gegevens bevatten waaruit volgt dat de aangenomen beperkingen zijn onderschat. [eiseres] verwijst in beroep met name naar de informatie van 9 april 2024, maar voor de rechtbank is duidelijk dat de hierin opgenomen informatie door het UWV bij de beoordeling is gewogen en meegenomen. De rechtbank ziet in het licht van het voorgaande geen reden de medische beoordeling niet te volgen.
4.10.
Rekening houdend met de beperkingen zoals die zijn vastgelegd in de FML van
20 juni 2024 worden de geduide functies van schoonmaker hotel (SBC-code 111332), medewerker beddenreiniging (SBC-code 111112) en huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) passend geacht. De rechtbank verwijst naar de rapportage van de arbeidsdeskundige van 10 januari 2026, onderdeel C. Hierin is inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, [eiseres] de werkzaamheden kan verrichten die aan deze functies verbonden zijn.
Verzoek om een onafhankelijke deskundige
5. [eiseres] heeft de rechtbank op de zitting verzocht een deskundige in te schakelen. Zij heeft echter niet gemotiveerd waarom zij in deze procedure belemmeringen heeft ondervonden bij het overleggen van medische informatie die een ander licht op haar gezondheidssituatie zou kunnen werpen. Bovendien is er aan de zijde van de rechtbank geen sprake van twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Om die reden ziet de rechtbank geen reden een onafhankelijke deskundige te benoemen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. Ernens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:53