ECLI:NL:RBOVE:2026:4186

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
71.040865.24 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 2 OpiumwetArt. 11b OpiumwetArt. 47 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereiden cocaïnetransport en deelneming criminele organisatie

De rechtbank Overijssel heeft verdachte schuldig bevonden aan medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van het smokkelen van cocaïne met een zeilboot en aan deelneming aan een criminele organisatie die zich richtte op het organiseren van cocaïnetransporten van Zuid-Amerika naar Europa.

Het onderzoek startte in januari 2022 en richtte zich op een groep personen die wisselend samenwerkten bij drugstransporten per zeilboot. Verdachte speelde een belangrijke rol bij de aanschaf en het in de vaart houden van de zeilboot [boot 1], financierde de bemanning, reisde naar Brazilië en Saint Lucia voor bevoorrading en coördineerde contacten met medeverdachten. Diverse chat- en OVC-gesprekken toonden versluierde communicatie over cocaïnehandel, prijzen en transport.

De verdediging voerde aan dat onvoldoende bewijs bestond voor betrokkenheid en dat verdachte niet wist van de criminele organisatie. De rechtbank oordeelde echter dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de boot voor cocaïnetransport werd gebruikt en dat hij deel uitmaakte van een duurzaam samenwerkingsverband met het oogmerk het plegen van drugsmisdrijven.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, rekening houdend met de ernst van de feiten, de rol van verdachte binnen de organisatie en eerdere veroordelingen. De reeds door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd wordt in mindering gebracht. Daarnaast werden bepaalde inbeslaggenomen goederen onttrokken aan het verkeer, terwijl mobiele telefoons en andere goederen aan verdachte werden teruggegeven.

Het verzoek van de verdediging om een ontlastende getuige te horen werd afgewezen omdat deze zich op zijn verschoningsrecht beriep en diens verklaring de uitkomst van de procedure niet redelijkerwijs zou beïnvloeden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van voorbereiden cocaïnetransport en deelneming aan een criminele organisatie.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.040865.24 (P)
Datum vonnis: 17 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1974 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 juni 2026, 26 juni 2026 en 3 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna: officier van justitie) en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 27 maart 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 31 augustus 2023 tot en met 2024 in Nederland en/of in Brazilië en/of in de Dominicaanse Republiek en/of op Curaçao en/of op Saint Lucia (en/of in Suriname en/of op Gran Canaria):
feit 1:samen met anderen voorbereidingen heeft getroffen voor de invoer van cocaïne in Nederland door samen met anderen onder meer een zeilboot, genaamd de ‘ [boot 1] ’ aan te schaffen, geldzendingen te verrichten en vliegtickets te kopen, af te reizen naar Brazilië en Saint Lucia en contact te onderhouden met de medeverdachten ter voorbereiding van de cocaïnetransporten;
feit 2:samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk cocaïnetransporten te organiseren.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij in of omstreeks de periode 31 augustus 2023 tot en met 23 april 2024 te Sneek en/of Joure en/of Deventer en/of Den Haag en/of Amsterdam, althans in Nederland en/of te Curaçao en/of Saint Lucia en/of Brazilië en/of Dominicaanse Republiek, tezamen en in vereniging, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen (als bedoeld in artikel 1 lid 4 en Pro/of 5 Opiumwet),
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,
waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers is/heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging, althans alleen:
- een of meer zeilboten, genaamd de [boot 1] en/of de [boot 2] aangeschaft/ laten aanschaffen (ZD 2) en/of
- bemanning geregeld en/of laten regelen voor de zeilboot de [boot 1] (ZD 2) en/of
- geldzendingen (laten) verricht(en) vanuit Nederland (onder andere) naar medeverdachten op Curaçao en/of Saint Lucia en/of
- materialen voor de zeilboot de [boot 1] geleverd en/of daartoe zelf meermalen afgereisd naar Brazilië en/of Saint Lucia en/of
- vliegticket(s) gekocht voor een of meer medeverdachten en/of
- voor de bevoorrading gezorgd van de zeilboot de [boot 1] en/of
- vele fysieke en/of telefonische contacten onderhouden met medeverdachten en derden ter afstemming en voorbereidingen van de cocaïnetransporten;
2
hij in of omstreeks de periode 31 augustus tot en met 23 april 2024 te Sneek en/of Joure en/of Deventer en/of Den Haag en/of Amsterdam, althans in Nederland en/of te Portugal en/of Spanje en/of Gran Canaria en/of Curaçao en/of Saint Lucia en/of Brazilië en/of Dominicaanse Republiek en/of Suriname
heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een
samenwerkingsverband van natuurlijke personen,
te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]
[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6]
en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] ,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid Opiumwet;

3.De bewijsmotivering

3.1
Inleiding
Naar aanleiding van TCI- en DUO-informatie werd op 20 januari 2022 het onderzoek ‘26Paddock’ opgestart. Hieruit kwam naar voren dat een groep personen, waar verdachte er één van was, in steeds wisselende samenstellingen in verband gebracht werd met (voorbereidingen van) drugstransporten door middel van zeilboten van Zuid-Amerika naar Europa.
In het jaar 2022 kreeg het onderzoeksteam zicht op de zeilboot ‘ [boot 3] ’ die zou worden ingezet voor een drugstransport. De [boot 3] voer op 14 juni 2022 de haven van Albufeira uit en kort daarna zette de zeilboot koers naar Malaga. In de maanden daarna waren er verschillende reisbewegingen van de [boot 3] , maar ook door personen van de groep te zien. Het leek er eind juni 2023 op dat het uiteindelijke drugstransport geslaagd was. De [boot 3] lag toen weer in de haven van Albufeira.
In oktober 2023 werd er door een aantal personen van de groep op Curaçao een zeilboot met de naam ‘ [boot 1] ’, van het type Bavaria 51, aangeschaft. In de maanden daarna waren er verschillende reisbewegingen van de [boot 1] , maar ook door personen van de groep te zien. De [boot 1] bleek op verschillende momenten (motor)problemen te hebben. In Brazilië bleek dat de documentatie van de [boot 1] niet in orde was. Ook werd de naam gewijzigd naar ‘ [boot 4] ’. Hierna voer de zeilboot vanaf Brazilië terug naar Saint Lucia om daar voor anker te gaan.
Terwijl er een volgende (NN-)zeilboot onderweg was naar Zuid-Amerika vlogen drie personen van de groep naar Suriname in februari 2024. Eind maart 2024 reisden twee personen van de groep naar Spanje en Portugal. Eén van hen gaf de opdracht om de NN-zeilboot naar een specifieke locatie vlak bij de Portugese stad Viana de Castelo te varen. Voordat deze zeilboot arriveerde werden twee personen van de groep in Nederland aangehouden en één in Spanje.
Wat opviel, was dat de betrokken personen zeer goed op de hoogte waren van de opsporingsmethoden van de opsporingsdiensten en zij gingen ervan uit dat deze methoden ook werden ingezet. De betrokken personen maakten daarom gebruik van contra strategieën en afscherming. De personen van de groep spraken – in wisselende samenstellingen – op openbare locaties af.
Tijdens het onderzoek is niet vast komen te staan dat er ook daadwerkelijk drugs is vervoerd.
Op 23 april 2024 werden er op verschillende plaatsen doorzoekingen gedaan en zijn er diverse gegevensdragers in beslag genomen. Nadat er in april 2024 zes personen, onder wie verdachte, werden aangehouden, werden in juni, juli en oktober 2024 de overige vijf personen aangehouden.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Ter onderbouwing daarvan heeft hij verwezen naar diverse chat- en OVC-gesprekken, en ook een analyse van de ING-bankgegevens van verdachte. Hij heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 tenlastegelegde onderdeel dat ziet op de zeilboot de ‘ [boot 2] ’.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een algehele vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing daarvan heeft hij primair voor het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om vast te stellen dat er sprake is geweest van het voorbereiden van cocaïnetransporten, dan wel transporten (
binnen de tenlastegelegde periode) die zien op een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat niet vastgesteld kan worden dat de chat- dan wel OVC-gesprekken betrekking hebben op de zeilboot ‘ [boot 1] ’ die cocaïne, dan wel een verdovend middel van lijst I transporteerde. Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde behelst volgens de raadsman ook een vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de wetenschap bij verdachte dat anderen zich bezighielden met strafbare voorbereiding van cocaïnetransporten ontbrak. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman betoogd dat niet bewezen kan worden dat verdachte wist van het bestaan van de criminele organisatie, hij tot dat samenwerkingsverband behoorde en er opzet op het oogmerk van de tenlastegelegde criminele organisatie was.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde [1]
De identificatie van verdachte als de gebruiker van diverse telefoons en telefoonnummers en de bijnamen ‘ [alias 1] ’ en [alias 2]
Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen OVC- en chatgesprekken. Uit de bewijsmiddelen volgt dat onder meer in de chatapplicaties WhatsApp, Session, Telegram en Signal op de onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoons – een zwarte iPhone 7 ( [code 1] ) [2] , een zwarte iPhone 7 met gebruikerssporen ( [code 2] ) [3] , een rode iPhone ( [code 3] ) [4] een iPhone SE ( [code 4] ) [5] en een iPhone 13 ( [code 5] ) [6] – diverse chatgesprekken, foto’s en gegevens zijn aangetroffen. Door de politie is verdachte als de gebruiker van deze telefoons en de telefoonnummers + [telefoonnummer 1] , + [telefoonnummer 2] [7] , + [telefoonnummer 3] en + [telefoonnummer 4] aangemerkt.
De vraag die in deze strafzaak allereerst moet worden beantwoord is of verdachte te identificeren is als de gebruiker van die telefoons en telefoonnummers en van hetgeen door het onderzoeksteam van de politie als uitvloeisel daarvan aan hem wordt toegeschreven. Als verdachte te identificeren is als de gebruiker van voornoemde accounts, moet vervolgens de vraag worden beantwoord of hij betrokken is bij de aan hem tenlastegelegde strafbare feiten en hoe deze betrokkenheid gekwalificeerd kan worden.
Het antwoord op de eerste vraag is van belang voor het bewijs voor zowel het onder 1 en 2 tenlastegelegde. De rechtbank zal die vraag daarom hier eerst en voorafgaand aan de bespreking van de afzonderlijke feiten beantwoorden.
De rechtbank overweegt dat verdachte ter terechtzitting van 15 juni 2026 het gebruik van voornoemde telefoons en telefoonnummers niet ontkend heeft. [8] Gelet daarop en de bevindingen die uit de onderzoeken aan de diverse in beslaggenomen telefoons naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de gebruiker van voornoemde telefoons en telefoonnummers is geweest.
De rechtbank overweegt verder dat in de rode iPhone een chatgesprek van 10 maart 2024 is aangetroffen tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). In dit gesprek stuurde [medeverdachte 1] naar verdachte: “Geef jezelf een naam”. Verdachte reageerde daarop met “Had ik gedaan [alias 1] ”. [9] Medeverdachten [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ) en [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9] ) hebben verklaard dat met de naam ‘ [alias 1] ’ verdachte bedoeld werd. [10] [medeverdachte 9] verklaarde ook dat verdachte zich identificeerde als [alias 2] . [11] In een inbeslaggenomen iPhone van medeverdachte [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) werd een gesprek van 10 mei 2023 tussen [medeverdachte 5] en [verdachte] aangetroffen, waarin [verdachte] stuurde: "Hallo mijn nieuwe nummer. [alias 2] ". [12]
Ter terechtzitting van 15 juni 2026 heeft verdachte verklaard dat het zou kunnen dat anderen hem ‘ [alias 1] ’ noemden. [13] Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat ‘ [alias 1] ’ en [alias 2] bijnamen van verdachte zijn.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
Op 5 juni 2022 gaf verdachte zijn nieuwe telefoonnummer door aan [medeverdachte 5] en vroeg hij of ‘ [alias 3] ’ alweer buiten was. [medeverdachte 5] antwoordde daarop dat hij in november weer moest voorkomen. Op 22 oktober 2022 liet [medeverdachte 5] aan verdachte weten dat [medeverdachte 1] op 28 oktober 2022 vrij zou komen en hij het nummer van verdachte aan [medeverdachte 1] zou geven. Ook werd er gezegd dat [medeverdachte 1] in hoger beroep anderhalf jaar meer had gekregen. [14]
Vervolgens vond op 7 juli 2023 een ontmoeting plaats in het Texas Steakhouse in Sneek. Daar waren aanwezig medeverdachte [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ), [medeverdachte 1] , [medeverdachte 8] en [naam 1] . Uit het opgenomen gesprek kwam naar voren dat er werd gesproken over boten, boten die drie verschillende namen hebben gehad en de vraag hoe [medeverdachte 8] naar Curaçao moest vliegen. [15]
Op 10 juli 2023 werd er door de eenmanszaak [bedrijf 1] , op naam van verdachte € 10.000,00 ontvangen/overgeschreven met de omschrijving ”voor aanbetaling boot”. Dit was een overboeking tussen eigen rekeningen van verdachte. [16]
In de periode van 31 augustus 2023 tot en met 14 september 2023 heeft [medeverdachte 7] vijf keer betalingen met een totaalbedrag van € 3.500,00 van de eenmanszaak van verdachte ontvangen. [17] Daarna ontmoetten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] en [naam 2] elkaar op 6 oktober 2023 in het Van der Valk hotel op Schiphol. Het daar gevoerde gesprek bleek erover te gaan dat [medeverdachte 1] eerder een boot op het oog had gehad: de ‘ [boot 5] ’. [medeverdachte 1] zei dat je er redelijk wat in kon verbergen, omdat ze de boot heel goed kenden en precies wisten waar ze dingen in weg konden doen. Ook sprak [medeverdachte 1] erover dat zijn neefje [medeverdachte 2] , die hij had opgeleid, een bootje in Costa Rica had liggen en had hij het over “twintig kilootjes erbij” en dat er goede en slechte kwaliteit zou komen. [18] Een dag later belde [medeverdachte 7] , zichzelf voorstellend als [medeverdachte 8] , naar [bedrijf 2] , gevestigd op Curaçao. Hij informeerde naar een zeilboot van het merk en type 'Bavaria 51', die in het Schottegat op Curaçao lag en hij vroeg of er nog wat aan de prijs te doen was. Op 24 oktober 2023 werd de koffer van [medeverdachte 7] op Schiphol heimelijk in beslag genomen. In de koffer werd onder meer het koopcontract ‘ [boot 1] ' aangetroffen. In het contract stond bij ‘purchaser’ (
koper) de naam van [medeverdachte 8] vermeld. Als verkoper werd [naam 3] vermeld. De tussenpersoon betrof [bedrijf 2] . De boot werd verkocht voor € 115.000,00. [medeverdachte 7] verklaarde hierover dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] en verdachte naar de boot moest gaan kijken. De informatie over de boot en de aanbetaling (
10% van het aankoopbedrag) had hij doorgegeven aan [medeverdachte 1] en verdachte. [19]
[medeverdachte 8] arriveerde op 3 november 2023 op Curaçao, waarna hij en [medeverdachte 7] op 7 november 2023 met de zeilboot de [boot 1] de haven van Curaçao uitvoeren. [20] De dag daarna liet [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 1] weten dat zij terug moesten naar Curaçao vanwege motorproblemen. [medeverdachte 1] stelde [medeverdachte 7] gerust en gaf aan dat hij alles wel zou regelen. [21]
Op 10 november 2023 werd er € 1.000,00 overgemaakt aan [medeverdachte 7] door [naam 4] . Deze persoon verbleef in de woning van verdachte. [22] Verdachte verklaarde hier ter terechtzitting van 15 juni 2026 over dat het klopt dat [naam 4] bij hem woonde en hij dit geld op verzoek van hem heeft overgemaakt. [23] Later verzond verdachte op 17 november 2023
€ 1.000,00 naar [medeverdachte 8] op Curaçao via Western Union. [24]
Op 19 december 2023 hadden [medeverdachte 1] en verdachte wederom contact met [medeverdachte 7] . Hij vertelde dat de zonnepanelen van de zeilboot waren gewaaid en dat er kortsluiting was geweest. De boot lag nu aan de boei bij Saint Lucia. [medeverdachte 7] vertelde ook dat hij echt zijn best ging doen omdat hij wist wanneer de datum van de afspraak was, dat zij zich wel zouden redden en “Ze zien ons wel”. Er werd afgesproken via Western Union geld naar [medeverdachte 8] te verzenden. Verdachte zei in een later telefoongesprek dat [medeverdachte 7] moest bellen als hij bij Western Union was. [25]
Tussen 6 januari 2024 en 2 februari 2024 bleek dat de startmotor van de [boot 1] stuk was, waardoor er uitgeweken moest worden naar Brazilië. Op 2 februari 2024 vloog verdachte vanaf Schiphol naar Guarulhos, Brazilië. [26] [medeverdachte 8] verklaarde hierover dat verdachte naar Brazilië kwam met stagen en een nieuwe startmotor. [27]
Op 16 februari 2024 had verdachte contact met [medeverdachte 9] . Verdachte gaf aan dat [medeverdachte 9] de applicatie Signal moest installeren. Een dag later stuurde verdachte dat hij de tickets via WhatsApp zou versturen. [28] [medeverdachte 8] vertrekt en [medeverdachte 9] komt – nadat verdachte het vliegticket voor hem heeft geregeld – naar Brazilië. [29] Hierna voer de zeilboot vanaf Brazilië terug naar Saint Lucia om daar voor anker te gaan. [medeverdachte 7] heeft verklaard dat het de bedoeling was om de zeilboot in opdracht van [medeverdachte 1] en verdachte naar Nederland, Lemmer moest. [30]
Kort nadat verdachte naar Brazilië vloog, werd in de BMW van [medeverdachte 1] op 7 maart 2024 een gesprek tussen hem en verdachte opgenomen:
[medeverdachte 1] :
Je zei vijftienhonderd, als wij er de man vijf ton aan overhouden, wat kan ons dat dan schelen?
[verdachte] :
Als jij zegt 'ja', zeg ik 'ja'.
[verdachte] :
Maar die schipper moetje echt naar beneden halen [medeverdachte 1] , anderhalf miljoen kom op man
[medeverdachte 1] :
Ja nee, maar ze zijn met zijn drieën, en die gasten willen gewoon, één voor één.
[verdachte] :
Heb je ooit zo hoog betaald?
[medeverdachte 1] :
Ik heb nooit schippers gehad. Ik heb het altijd zelf gedaan.
[verdachte] :
Kom gaan we zelf [medeverdachte 1] ,
[medeverdachte 1] :
Hè?
[verdachte] :
Kom we gaan zelf, ik ga mee.
[medeverdachte 1] :
Nee nee, dat kan ik niet maken. Maar kijk dat ding moet klaar. Ik heb schuld op dat ding nu. Ik ben dingen aan het klaarmaken, maar ik heb er geen eens geld voor.
[verdachte] :
Oh, die Duister komt morgen, kunnen we ook op zijn naam weer zetten hè?
[medeverdachte 1] :
Ja maar, op die Duitser, kijk. Wat is er gebeurt met die Duitser. Hij heeft dan zogenaamd die verzekering geregeld, maar hij heeft dan geen verzekering gegeregeld.
...
[verdachte] :
Hij is er dan morgen, overmorgen, dan ga je hem zien.
[medeverdachte 1] :
Maar kijk, Ik wil dat gewoon helemaal bij ons weg. Kijk dat ding wil ik gewoon op een naam zetten.
[medeverdachte 1] :
We hebben dus geld, we hebben dus geld bij elkaar.
[verdachte]
: En daar geef je hem voor blokken.
[medeverdachte 1] :
En dat hebben we gewoon gezegd, ‘dat geven we in blokken’.
[verdachte] :
Maar dat is dan toch al heel wat.
[medeverdachte 1] :
En dat hebben we met zijn drieën gedaan.
[verdachte] :
Maar dat is toch al heel wat maat. Je geeft dertig blokken dat is zes ton. Meer dan zes ton geef je, dat is meer dan honderdvijftig. [31]
Later op de dag was er opnieuw een gesprek tussen [medeverdachte 1] en verdachte:
[medeverdachte 1] :
ik heb al mijn geld weg. Ik heb niks meer
[verdachte] :
Daarom vind ik wél dat we verdienen... Kijk, als ik vind, ik zeg maar vijfendertig blokken over zijn. Bijvoorbeeld, ja, dan geef ik vijf-en-twintig aan die mensen, ja? En dan pakken wij per stuk tien meer. Ik vind
(noot: maakt zin niet af)
[medeverdachte 1] :
Wij proberen heus wel iets meer te krijgen, daar gaat het niet om. Het hele punt is gewoon: je moet ook die jongens betalen,
[verdachte] :
ohhhh
[verdachte] :
Dat is toch duidelijk. Die worden als eerste betaald, sowieso
[verdachte] :
drie miljoen zevenhonderdvijftig.
[medeverdachte 1] :
Nee maar hoe kunnen wij het achteruit halen. Kijk, want wie haalt het eraf. Oké. Die ene, die hoeft niet te weten dat er
vijftienhonderd
[verdachte] :
Nou shit...
[medeverdachte 1] :
want dat heeft die gast weer geregeld.
[verdachte] :
Dan halen wij toch zelf eraf? Ik ben geen mietje hoor. [32]
Daarna vond er op 9 maart 2024 in het Van der Valk hotel in Utrecht een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 1] , verdachte en een onbekende man die in een Mercedes rijdt met een Duits kenteken op naam van [bedrijf 3] . [33] Verdachte heeft ter terechtzitting van 15 juni 2026 verklaard dat de onbekende man [getuige] was. [34]
Na deze ontmoeting vloog verdachte op 12 maart 2024 vanaf Brussel naar Saint Lucia. [35] Twee dagen later belde [medeverdachte 1] vanuit zijn BMW naar verdachte en vroeg hij of hij dat geregeld heeft van die accu’s. [medeverdachte 1] zei in een tweede telefoongesprek dat er geregeld moest worden dat ze genoeg diesel hadden en wat extra jerrycans als zij daar die hoek om gaan, waarop verdachte “Ja, ja” zei. “Wegwezen” zei [medeverdachte 1] vervolgens. [36]
Op 21 maart 2024 was er een ontmoeting tussen [medeverdachte 1] , verdachte en een onbekende man bij fastfoodrestaurant KFC in Cuijk. Tijdens dit gesprek werd gesproken over percentages, over het binnenvaren van een jachthaven en ‘het eruit halen’. [37] Zes dagen later ontmoetten [medeverdachte 1] , verdachte en [naam 2] elkaar in het hotel Bilderberg Garden in Amsterdam. Daar werd gesproken over percentages en het versturen van geld. Ook zei verdachte dat hij zelf ook bij de boot was en zei tegen de jongens: “Jullie liggen hier niet veilig”. [38]
Op 11 april 2024 ontving [medeverdachte 7] nogmaals € 300,00 van verdachte. [39]
In de onder verdachte in beslag genomen iPhone 7 werden foto’s aangetroffen van een bankoverschrijving ten behoeve van de [boot 1] ‘Anzahling Bavaria 51 – [boot 1] mr. [medeverdachte 8] en een bedrag van € 11.500’. Ook werd er een foto aangetroffen van een telefoon waarop het bankaccount van de Duitse Sparkasse op te zien was met een tegoed van € 105.669,49. [40] Dit bankaccount is gesteld op naam van Hartmut Seel.
Voorbereiden van (een) cocaïnetransport(en) met de zeilboot de [boot 1]
Om te komen tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde moet de rechtbank in de eerste plaats vaststellen dat deze voorbereiding betrekking heeft op een middel dat staat op lijst I van de Opiumwet (hierna: OW).
Vast staat dat [medeverdachte 1] eerder is veroordeeld voor strafbare feiten met betrekking tot verdovende middelen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij hiervan op de hoogte was. Ook heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij contact heeft opgenomen met [medeverdachte 1] – na diens detentie – voor het aanschaffen van een zeilboot en dat dit deze zeilboot, de [boot 1] , gelegen bij Curaçao, was. Dit terwijl [medeverdachte 1] inmiddels was veroordeeld voor het medeplegen van het voorbereiden van de invoer van cocaïne in Nederland door middel van zeilboten. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij met onderdelen voor de [boot 1] naar Saint Lucia en Brazilië is gevlogen, omdat hij wilde dat de boot naar Nederland kwam. Hij wilde de [boot 1] in de vaart krijgen en houden, zo verklaarde hij. [41]
Vervolgens zijn er, na het door verdachte geïnitieerde contact, diverse chat- en
OVC-gesprekken - met in het bijzonder [medeverdachte 1] – aangetroffen waarin gesproken wordt over percentages, bedragen en ‘blokken’. Er is door verdachte een bericht gestuurd: ”dertig blokken is zes ton”. Door verdachte is niet aan [medeverdachte 1] gevraagd over wat voor ‘blokken’ gesproken werd. Daarnaast zijn er in de onder verdachte inbeslaggenomen iPhone SE foto’s van witte blokken met stempels aangetroffen. [42] Deze witte blokken hadden de uiterlijke verschijningsvorm van blokken cocaïne.
Dit alles in samenhang bezien, maakt dat de rechtbank concludeert dat er in chat- en OVC-gesprekken versluierend werd gesproken over cocaïne(handel), prijzen, verdeling van opbrengsten en vervoer. Cocaïne staat op lijst I van de OW en is daarmee een verboden middel.
De rechtbank kan, gelet op de verklaring van verdachte dat hij contact heeft opgenomen met [medeverdachte 1] voor de aanschaf van een zeilboot en dat dit de [boot 1] was, niet anders dan vaststellen dat de boot waar in de chat- en OVC-gesprekken over gesproken werd de [boot 1] is.
Ook is de rechtbank van oordeel dat verdachte van meet af aan wist dat de [boot 1] was bestemd om in het kader van de handel cocaïne te vervoeren. Door namelijk niet aan [medeverdachte 1] of anderen te vragen over wat voor blokken er in de diverse chat- en OVC-gesprekken gesproken werd, heeft hij, mede gelet op het verleden van [medeverdachte 1] en in het licht van het hiervoor bedoelde versluierende taalgebruik, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er cocaïne vervoerd zou worden op de zeilboot de [boot 1] .
Medeplegen van het voorbereiden van opzettelijk verkopen en vervoeren van cocaïne
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte een zeer belangrijke, verbindende rol heeft vervuld bij de aanschaf van de [boot 1] , die bestemd was om cocaïne naar Nederland te vervoeren. Verdachte heeft geholpen met het financieren van de reis door onder meer geld over te maken voor de [boot 1] en door meerdere malen geld over te maken naar de bemanning. Ook is verdachte op aanwijzing van één van zijn medeverdachten met onderdelen voor de [boot 1] naar Saint Lucia en Brazilië gevlogen. Door aldus te handelen heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan de voorbereiding van het cocaïnetransport naar Nederland, dan wel Europa. Voor deze beoogde cocaïnetransporten was het immers cruciaal dat met de [boot 1] vanuit het Caribische gebied naar Europa werd gevaren. Verdachte heeft - naast zijn financierende en ondersteunende rol – ook een coördinerende rol vervuld door contact te onderhouden met medeverdachte [medeverdachte 1] , maar ook contact met de bemanning (medeverdachten [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] ) en heeft daarnaast zelfs vliegtickets voor medeverdachte [medeverdachte 9] geregeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering en een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en in ieder geval de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] .
Verzoek horen getuige [getuige]
Nu, zoals hiervoor is overwogen, bewezen kan worden verklaard dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de voorbereiding van het cocaïnetransport met de zeilboot [boot 1] , dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of met betrekking tot de (voorgeschiedenis van de) aanschaf van die zeilboot en de rol die verdachte daarbij heeft gespeeld, de heer [getuige] (hierna: de getuige [getuige] of [getuige] ) als (’ontlastende’) getuige dient te worden gehoord, zoals door de verdediging verzocht.
De rechtbank overweegt daarover het volgende.
De raadsman heeft op 19 maart 2025 schriftelijk (
met daarbij toelichtende stukken) verzocht om het horen van getuige [getuige] . De rechtbank heeft dit verzoek op 1 april 2025 toegewezen. Vervolgens is op 24 juni 2025 door de rechter-commissaris een rechtshulpverzoek uitgezet bij de Duitse autoriteiten om [getuige] als getuige te horen. Na meerdere verzoeken naar de stand van zaken is getracht het verhoor van de getuige [getuige] per videoverbinding met het Amtsgericht Tiergarten te Berlijn te laten plaatsvinden op 15 juni 2026, direct voorafgaand aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting. Volgens mededeling van het Amtsgericht Tiergarten had de raadsvrouw van [getuige] laten weten dat hij op dat moment verhinderd is, zodat het verhoor van [getuige] op 15 juni 2026 niet is doorgegaan.
Ter terechtzitting op 15 juni 2026 heeft de raadsman van verdachte aangegeven dat hij geen afstand doet van het horen van [getuige] en dat hij van verdachte heeft gehoord dat [getuige] bereid is te verschijnen en vragen te beantwoorden. De terechtzitting is daarop onderbroken tot 26 juni 2026 om het verhoor van [getuige] in de tussenliggende periode met een gedelegeerd rechter-commissaris te laten plaatsvinden op 22 juni 2026. Het verhoor is daarna – in overleg met [getuige] en zijn raadsvrouw – gepland op 22 juni 2026 om 9.00 uur. Nadat de videoverbinding voor dat verhoor op 22 juni 2026 was gelegd, is vastgesteld dat de Duitse rechter van het Amtsgericht Tiergarten kort daarvoor een e-mail van de raadsvrouw van [getuige] had ontvangen. In die mail deelt zij mee dat [getuige] – nadat hij andermaal indringend overleg heeft gehad met zijn raadsvrouw - niet zal verschijnen. De getuige wil gebruik maken van zijn juridisch recht om te zwijgen en het recht om als getuige niet te verklaren, omdat gezien onder meer het onderwerp van het rechtshulpverzoek het concrete gevaar bestaat dat hij met zijn verklaring zichzelf aan een strafrechtelijke vervolging blootstelt.
De raadsman heeft vervolgens zijn eerdere verzoek tot het horen van getuige [getuige] ter terechtzitting op 26 juni 2025 herhaald. Daarbij heeft hij aangevuld dat hij gezien het verloop van de ontwikkelingen tevens verzoekt aan de Duitse autoriteiten de vraag voor te leggen:
- of getuige [getuige] verplicht is te verschijnen;
- of [getuige] zich kan beroepen op een (algeheel) verschoningsrecht, en
- of [getuige] in Duitsland door middel van een rogatoire commissie gehoord kan worden.
Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de raadsman verwezen naar de feiten en omstandigheden (met bijgaande stukken), die hij ook als toelichting op zijn verzoek van 19 maart 2025 tot het horen van getuige [getuige] had aangevoerd. Daarbij heeft de raadsman verder opgemerkt dat [getuige] de verklaring van verdachte over zijn betrokkenheid bij de aanschaf van de [boot 1] en vervolgens het in de vaart krijgen en houden van de [boot 1] uit eigen waarneming kan bevestigen en volgens de mededeling van [getuige] aan verdachte vóór 22 juni 2025 ook bereid was daarover een verklaring af te leggen.
De rechtbank overweegt dat de raadsman aan zijn verzoek geen feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die meebrengen dat getuige [getuige] zich bij een volgend verhoor niet op zijn verschoningsrecht zal beroepen en deze zijn ter terechtzitting op 26 juni 2026 evenmin gebleken. [getuige] is door zijn Duitse advocate, zo volgt uit haar hiervoor bedoelde e-mail van 22 juni 2026, de strekking van de zaak uitgelegd en is duidelijk gemaakt waarover het verhoor zou gaan. [getuige] heeft daarna – via zijn raadsvrouw – te kennen gegeven dat hij niet wil verschijnen en zich wil beroepen op zijn zwijg- en/of verschoningsrecht. De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat dit standpunt is gewijzigd en dat [getuige] bij een volgend verhoor wel bereid is inhoudelijk te verklaren. De enkele, niet onderbouwde mededeling door de raadsman ter terechtzitting van 26 juni 2026 dat getuige [getuige] in een eerder stadium aan verdachte had meegedeeld dat hij bereid was om vragen te beantwoorden, is daartoe onvoldoende.
Bij deze stand van zaken, mede in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2016 [43] , acht de rechtbank het (herhaalde) verzoek ter terechtzitting van 26 juni 2026 om getuige [getuige] (alsnog) te horen onvoldoende onderbouwd en ziet zij – ook gelet op artikel 288, eerste lid, onder a, Sv – geen aanleiding om de getuige [getuige] (alsnog) te horen.
Daarbij betrekt de rechtbank ook het volgende. De omstandigheid dat de verdediging het ondervragingsrecht ten aanzien van [getuige] als ‘ontlastende getuige’ niet heeft kunnen effectueren doordat het daadwerkelijk horen op 22 juni 2026 erop is afgestuit dat hij te kennen heeft gegeven zich op zijn verschoningsrecht te willen beroepen, vormt als zodanig niet een schending van artikel 6 EVRM Pro. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan dit anders zijn, maar zodanige omstandigheden doen zich in deze zaak niet voor.
Uit het dossier kan immers, zoals hiervoor is overwogen, het wettig en overtuigende bewijs worden geput dat verdachte betrokken is geweest bij de voorbereiding van een cocaïnetransport met de zeilboot [boot 1] . Dit volgt onder meer uit de hiervoor aangehaalde contacten van verdachte met medeverdachten zoals blijkend uit de bewijsmiddelen. Dit betreft in het bijzonder de contacten met [medeverdachte 1] , met wie versluierend wordt gesproken over cocaïne(handel), prijzen, verdeling van opbrengsten, vervoer en technische problemen met de [boot 1] in dat verband. Ook volgt het uit de omstandigheid dat verdachte met [medeverdachte 1] in verhullende taal spreekt over “het” weer op naam zetten van de Duitser die een dag later komt en de verzekering die die Duitser “zogenaamd” voor de [boot 1] had geregeld, alsmede de mededeling van [medeverdachte 1] aan verdachte dat hij “dat gewoon helemaal bij ons weg” wil hebben en “gewoon op een naam [wil] zetten.” Daarnaast volgt ook uit de contacten van verdachte over en met de bemanning van de [boot 1] (medeverdachten [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] , in wisselende samenstelling) en hun bevoorrading, het regelen en ter plaatse bezorgen van materialen om de technische problemen aan de [boot 1] te verhelpen en deze weer ‘vaarklaar’ te maken, alsmede zijn daarmee corresponderende reisbewegingen en andere activiteiten, dat verdachte van meet af aan wist dat de [boot 1] was bestemd om in het kader van handel cocaïne te vervoeren.
Dit brengt mee dat, ook indien bij wijze van veronderstelling ervan wordt uitgegaan dat [getuige] als ‘ontlastende getuige’ zou verklaren wat de verdediging gezien haar toelichting op 19 maart 2025 onderscheidenlijk 26 juni 2026 verwacht of hoopt dat hij verklaart, die verklaring de uitkomst van
dezeprocedure tegen verdachte in redelijkheid niet vermag te beïnvloeden. Een verklaring met die inhoud of strekking kan dan in redelijkheid niet van belang zijn voor enige in
dezestrafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Dat dit anders is, heeft de verdediging niet (voldoende) toegelicht. Dit betekent dat de omstandigheid dat de getuige [getuige] niet (alsnog) wordt gehoord, bezien in het licht van het verloop van de strafzaak tegen verdachte als geheel, niet leidt tot de conclusie dat ten aanzien van verdachte sprake is van schending van het in artikel 6 EVRM Pro neergelegde recht op een eerlijk proces.
De rechtbank zal dan ook afzien van het horen van de getuige [getuige] , onderscheidenlijk het (herhaalde) verzoek van de raadsman om [getuige] (alsnog) als getuige te horen afwijzen. Het verzoek om aan de Duitse autoriteiten de hiervoor genoemde drie vragen voor te leggen, wordt op grond van voorgaande overwegingen eveneens afgewezen.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
Aan de verdachte is deelneming aan een (criminele) organisatie als bedoeld in artikel 10a OW ten laste gelegd. Onder een organisatie en deelneming daaraan wordt verstaan: een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Aanwijzingen voor het bestaan van een samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen (cumulatieve) vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken.
Voor het bewijs van deelneming aan die organisatie moet komen vast te staan dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met het oogmerk tot het plegen van de strafbare feiten, dan wel dat hij deze gedragingen ondersteunt. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten (die op zichzelf niet strafbaar behoeven te zijn), zolang maar van een aandeel in of ondersteuning van de verwezenlijking van het oogmerk kan worden gesproken. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat komt vast te staan dat een persoon heeft samengewerkt, of bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.
Uit de drugstransporten, al dan niet de voorbereidingen daarop, is af te leiden dat deze transporten zijn uitgevoerd door een familiaire samenstelling van personen. [44] Er was sprake van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verschillende verdachten – genoemd in de tenlastelegging - in verschillende samenstellingen. Er was – zoals blijkt uit de hiervoor genoemde ontmoetingen, chat- en OVC-gesprekken - sprake van nauwe afstemming van de planmatige criminele activiteiten van de verschillende deelnemers van de organisatie in verschillende landen. Allen waren bekend met het gemeenschappelijke doel van de organisatie: het succesvol maritiem transporteren van cocaïne van Zuid-Amerika naar Nederland c.q. Europa. Iedere deelnemer heeft op zijn eigen wijze een bijdrage geleverd aan het realiseren van die doelstelling. Verdachte heeft in ieder geval met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] zich beziggehouden met de voorbereiding van een cocaïnetransport met de zeilboot [boot 1] .
De verdachte heeft met de genoemde medeverdachten deel uitgemaakt van een organisatie die tot oogmerk had cocaïne in Nederland, dan wel Europa in te voeren en deze invoer voor te bereiden, waarbij de samenwerking met de medeverdachten in verschillende samenstellingen plaatsvond. De handelingen die verdachte in verband met de zeilboot [boot 1] en haar bemanning heeft verricht, hielden rechtstreeks verband met dit oogmerk van de organisatie. Zoals hiervoor ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is besproken is evident dat verdachte de wetenschap van het bestaan en het oogmerk van de organisatie heeft gehad.
De pleegperiode voor dit feit loopt voor verdachte van 31 augustus 2023 tot en met 23 april 2024. Die misdrijven bestonden uit de voorbereidingshandelingen van het binnen het grondgebied van Nederland, dan wel Europa brengen, afleveren en vervoeren van cocaïne. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid OW.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij in
of omstreeksde periode 31 augustus 2023 tot en met 23 april 2024
te Sneek en/of Joure en/of Deventer en/of Den Haag en/of Amsterdam, althansin Nederland en/of op Curaçao en/of op Saint Lucia en/of in Brazilië
en/of Dominicaanse Republiek, tezamen en in vereniging,
althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen (als bedoeld in artikel 1 lid 4 en Pro/of 5 Opiumwet),
- het opzettelijk
telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,afleveren,
verstrekkenen/
ofvervoeren van cocaïne,
in elk gevalzijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet-
een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en
/ofeen ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/
ofandere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,
waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers is/heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging,
althans alleen:
- een
of meerzeilboot
en, genaamd de [boot 1] aangeschaft/ laten aanschaffen
(ZD 2)en
/of- bemanning geregeld en/of laten regelen voor de zeilboot de [boot 1]
(ZD 2)en
/of- geldzendingen (laten) verricht(en) vanuit Nederland (onder andere) naar medeverdachten op Curaçao en/of Saint Lucia en
/of- materialen voor de zeilboot de [boot 1] geleverd en
/ofdaartoe zelf
meermalenafgereisd naar Brazilië en
/ofop Saint Lucia en
/of- vliegticket(s) gekocht voor een of meer medeverdachten en
/of- voor de bevoorrading gezorgd van de zeilboot de [boot 1] en
/of- vele fysieke en
/oftelefonische contacten onderhouden met medeverdachten en derden ter afstemming en voorbereidingen van de cocaïnetransporten;
2.
hij in
of omstreeksde periode 31 augustus 2023 tot en met 23 april 2024
te Sneek en/of Joure en/of Deventer en/of Den Haag en/of Amsterdam, althansin Nederland en/of in
te Portugal en/ofSpanje
en/of Gran Canariaen/of op Curaçao en/of op Saint Lucia en/of in Brazilië
en/of Dominicaanse Republiek en/of Suriname,
heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of
[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6]en/of[medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9]
en/of [medeverdachte 10],
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid Opiumwet;
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde dat er na 31 augustus geen jaartal is genoemd. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting, het procesdossier en het onder 1 bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegger heeft bedoeld het jaartal 2023 ten laste te leggen. De rechtbank zal dan ook dit jaartal bewezen verklaren.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2, 10, 10a en 11b OW en het artikel 47 Wetboek Pro van Strafrecht (hierna: Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door zich en/of een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en een vervoermiddel en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2
het misdrijf:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van de al ondergane tijd in voorarrest op te leggen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met het al ondergane voorarrest en het feit dat verdachte zeven maanden in zijn vrijheid beperkt is geweest door het dragen van een enkelband. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op het positieve reclasseringsrapport.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de strafbare feiten
Verdachte heeft samen met anderen de invoer van cocaïne vanuit Zuid-Amerika voorbereid. Zij hebben met dat doel een zeilboot aangeschaft, waarmee de cocaïne naar Europa zou moeten worden vervoerd. Bij de voorbereiding van het beoogde cocaïnetransport is verdachte nauw betrokken geweest. Daarbij vormde hij met zijn medeverdachten een criminele organisatie, gericht op (de voorbereiding van) de invoer van cocaïne door middel van meerdere zeilboten. Verdachte heeft binnen deze organisatie een belangrijke en actieve rol gespeeld. Verdachte is onder meer betrokken geweest bij de aanschaf van de zeilboot [boot 1] , heeft geld overgemaakt naar de bemanning daarvan en heeft onderdelen voor de [boot 1] naar het buitenland gebracht toen deze kapot waren. Daarnaast heeft verdachte contact onderhouden met de medeverdachten ter voorbereiding van het cocaïnetransport.
Verdachte heeft door zo te handelen, bijgedragen aan een georganiseerde vorm van drugscriminaliteit die in ons land (en op internationale schaal) grote vormen heeft aangenomen en die gepaard gaat met zware, vaak gewelddadige criminaliteit en illegale geldstromen. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek en bijkomende problemen. Dat heeft niet alleen zijn weerslag op de gebruikers zelf, maar ook op hun omgeving. Criminele organisaties gericht op georganiseerde drugscriminaliteit hebben ook een ontwrichtend, ondermijnend effect op de samenleving. Tevens ondermijnen zij de rechtsstaat. Veel van de meest ernstige strafbare feiten die gepleegd worden, hangen hiermee samen, waaronder liquidaties en de handel in wapens. Daarbij vallen ook slachtoffers die niets met de handel in drugs te maken hebben.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie over verdachte van 8 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte meerdere malen eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Naast deze Nederlandse veroordelingen is verdachte ook in Duitsland veroordeeld voor de invoer van verdovende middelen.
Uit het voortgangsverslag van de Reclassering Nederland van 8 juni 2026 komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van stabiliteit op de verschillende leefgebieden. Hij werkt fulltime bij een bedrijf in de autohandel en wil zo spoedig mogelijk zijn schulden aflossen. Vanwege een schuldsaneringstraject woont hij op dit moment niet samen met zijn partner en haar kinderen. Verdachte heeft twee dochters die elders wonen, maar met wie hij goed contact heeft. Voor het aflossen van zijn schulden heeft betrokkene ondersteuning vanuit Creating Balance en dit traject verloopt naar wens. De reclassering geeft aan dat verdachte zich tot op heden heeft geconformeerd aan de opgelegde bijzondere voorwaarden en zich gemotiveerd toont voor het toezicht en het schuldhulpverleningstraject. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte de contactverboden zou hebben overtreden. Verdachte heeft naar eigen zeggen afstand genomen van zijn oude netwerk.
Strafoplegging
Gezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank overweegt dat bij het bepalen van de strafmaat is gelet op straffen die in de rechtspraak worden opgelegd voor voorbereiding van de invoer van cocaïne en deelname aan een criminele organisatie met het doel het organiseren van cocaïnetransporten. De rechtbank houdt daarbij ook rekening met de intensiteit en het vergevorderde stadium van de voorbereidingshandelingen, waarbij de zeilboot ook daadwerkelijk vanuit het Caraïbisch gebied is weggevaren. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de rol die verdachte heeft vervuld binnen deze strafbare feiten. Verdachte heeft een belangrijke faciliterende, ondersteunende, maar ook organiserende rol gehad. Deze rol afzettend tegen de rollen en betrokkenheid van de medeverdachten én de in de zaken tegen de medeverdachten gemaakte procesafspraken, maakt dat de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden acht. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de door verdachte al ondergane tijd in voorarrest hierop in mindering moet worden gebracht.
In de door de raadsman aangevoerde omstandigheid dat er mitigerend rekening moet worden gehouden met het dragen van een enkelband voor de duur van zeven maanden ziet de rechtbank geen aanleiding tot strafmatiging.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
6.4
De inbeslaggenomen voorwerpen
6.4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de goederen op de beslaglijst vermeld onder de nummers 1, 5, 6, 11 en 13 teruggegeven kunnen worden aan verdachte en de goederen op de beslaglijst vermeld onder nummers 2, 3 en 4 onttrokken moeten worden aan het verkeer.
De officier van justitie heeft ten aanzien van de mobiele telefoons, vermeld onder de nummers 7, 8, 9, 10 en 12 aangevoerd dat deze goederen aangewend en bestemd zijn voor criminele activiteiten. De mobiele telefoons bevatten criminele en daartoe bruikbare informatie, waardoor deze van zodanige aard zijn dat ongecontroleerd bezit (teruggave) in strijd is met de wet en algemeen belang en onttrekking aan het verkeer dient te volgen.
6.4.2
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de onder 2, 3 en 4 op de beslaglijst vermelde goederen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
De rechtbank overweegt anders ten aanzien van de onder 7, 8, 9, 10 en 12 de beslaglijst vermelde mobiele telefoons. De rechtbank kan op basis van het dossier ten aanzien van deze goederen niet vaststellen dat ze zijn aangeschaft met als doel het plegen van de ten laste gelegde strafbare feiten. Er is verder onvoldoende onderbouwd om te kunnen oordelen dat het ongecontroleerde bezit van deze goederen in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Het gaat in de onderhavige zaak om reguliere mobiele telefoons die relevante informatie over strafbare feiten zouden bevatten. De enkele omstandigheid dat er toentertijd relevante informatie op deze mobiele telefoons stonden voor het begaan van strafbare feiten is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat dit een zodanig relevante betekenis heeft om te komen tot het oordeel dat het bezit van die mobiele telefoons in strijd is met de wet of het algemeen belang. [45] De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze goederen, de onder 7, 8, 9, 10 en 12 de beslaglijst vermelde mobiele telefoons, geretourneerd moeten worden aan verdachte en gelast de teruggave daarvan.
De rechtbank zal daarnaast ook de teruggave aan de verdachte gelasten van de aan verdachte toebehorende op de beslaglijst onder 1, 5, 6, 11 en 13 vermelde goederen, aangezien deze niet vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 36b, 36c, 36d en 57 Sr.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door zich en/of een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en een vervoermiddel en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2
het misdrijf:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
de in beslag genomen voorwerpen
- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst genoemde voorwerpen onder de nummers 2, 3 en 4;
- gelast de teruggave van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen onder de nummers 1, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13 aan verdachte.
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. H. Manuel en
mr. W.B. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid mr. J.E. Doornwaard en mr. K. Drenth, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Landelijke Expertise en Operaties, onderzoek 26Paddock /LEFCG22001, proces-verbaalnummer: 22001-1833. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 232 en 233.
3.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 257 en 259.
4.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 993, 994 en 998.
5.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 1055.
6.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 1125 en 1126.
7.Zaaksdossier 03.5 Criminele organisatie, pagina 3010, 3018 en 3028.
8.Zie de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer op 15 juni 2026.
9.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 999 en 1000.
10.Aanvulling zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 1686 en zaaksdossier 03.5 criminele organisatie pagina 2401.
11.Zaaksdossier 03.5 criminele organisatie, pagina 2401 ev.
12.Zaaksdossier 03.5 criminele organisatie, pagina 1928.
13.Zie de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer op 15 juni 2026.
14.Zaaksdossier 03.3 [boot 3] , pagina 847 en 848.
15.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 85 en 95.
16.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 141 en 142.
17.Zaaksdossier 03.5 Criminele organisatie, pagina 1585.
18.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 528 e.v.
19.Aanvulling zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 1758.
20.Zaaksdossier 03.5 Criminele organisatie, pagina 157 tm 161.
21.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 356 tm 358.
22.Aanvulling zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 1656.
23.Zie de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 15 juni 2026.
24.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 311.
25.Zaaksdossier 03.2. [boot 1] , pagina 606 ev.
26.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 606.
27.Aanvulling zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 1687.
28.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 1482 en 1483.
29.Zaaksdossier 03.5 Criminele organisatie, pagina 2405.
30.Aanvulling zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 1761.
31.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 1602 en 1603.
32.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 1604 en 1605.
33.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 1419 tot en met 1423 en Aanvulling zaaksdossier 03.2. [boot 1] , pagina 1776.
34.Zie ook de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 15 juni 2026.
35.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 607.
36.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 1621 en 1623.
37.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 779 en 780.
38.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 804 en 813.
39.Aanvulling zaaksdossier 03.2. [boot 1] , pagina 1652.
40.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 246.
41.Zie ook de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 15 juni 2026.
42.Zaaksdossier 03.2 [boot 1] , pagina 1058 en 1061.
43.Zie HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2523.
44.Zaaksdossier 03.5 Criminele organisatie, pagina 1520, familieschema.
45.HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2644 en HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:116.