Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
8 november 2016.
Hoge Raad
In deze strafzaak is aan verdachte bewezenverklaard dat hij op 15 maart 2007 te Arnhem een geldbedrag van 49.010 euro voorhanden had, waarvan hij wist dat het afkomstig was uit enig misdrijf. De verdediging verzocht meerdere malen om het horen van de vader van verdachte als getuige, ter onderbouwing van een verklaring dat een deel van het geld een lening betrof.
Het hof wees het verzoek tot het horen van deze getuige af nadat deze zich ten overstaan van een Duitse rechter op zijn verschoningsrecht had beroepen. De verdediging stelde dat de getuige bereid was om vragen te beantwoorden, maar kon dit niet schriftelijk onderbouwen. Het hof oordeelde dat het verzoek onvoldoende was gemotiveerd en dat het recht op een eerlijk proces volgens artikel 6 EVRM Pro niet was geschonden.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van verdachte. De Hoge Raad overwoog dat het stellen van eisen aan de onderbouwing van getuigenverzoeken niet in strijd is met artikel 6, derde lid, onder d, EVRM. Het hof had het verzoek tot het horen van de getuige terecht afgewezen, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die het verzoek konden ondersteunen.
De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd was en dat het cassatieberoep faalde. Het arrest werd uitgesproken op 8 november 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is verworpen en het verzoek om de vader als getuige te horen is afgewezen.