ECLI:NL:RBOVE:2026:4283

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
12233239 \ CV EXPL 26-1683
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 lid 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering uitsluitend huurrecht na beëindiging affectieve relatie

Partijen hadden een affectieve relatie en zijn samen huurder van een woning. Na beëindiging van de relatie verliet eiseres de woning en verblijft zij met hun dochter bij haar ouders. Eiseres vordert in kort geding het uitsluitend huurrecht van de woning, stellende dat zij de woning noodgedwongen verliet vanwege huiselijk geweld en dat haar dochter gebaat is bij een stabiele woonomgeving.

Gedaagde voert verweer en stelt dat hij de woning wil behouden vanwege zijn werk in de nabijheid, persoonlijke problematiek en het ontbreken van alternatieve woonruimte. De kantonrechter weegt de belangen en constateert dat gedaagde de huur altijd heeft betaald en dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de huur kan betalen.

Ook is van belang dat partijen een afspraak hebben gemaakt dat gedaagde in de woning zou blijven na vertrek van eiseres. De kantonrechter oordeelt dat het spoedeisend belang van eiseres onvoldoende is aangetoond en dat het uitsluitend huurrecht voorlopig niet aan haar kan worden toegekend. De vordering wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De vordering tot uitsluitend huurrecht aan eiseres wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12233239 \ CV EXPL 26-1683
Vonnis in kort geding van 16 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. J.F.I. Abadom,
toevoegingsnummer: [nummer],
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. Ph.J.N. Aarnoudse,
toevoeging aangevraagd.

1.De zaak in het kort

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, die inmiddels is beëindigd. In dit kort geding gaat het om de vraag aan wie van partijen het uitsluitend huurrecht van de woning, waarvan zij beiden huurder zijn, toekomt. De kantonrechter is van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van [gedaagde] uitvalt en zal dit hierna toelichten.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 juni 2026 met producties 1 tot en met 4,
- de e-mail van 29 juni 2026 van mr. Aarnoudse namens [gedaagde],
- de mondelinge behandeling van 2 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] en [eiser] hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is hun dochter [naam] geboren op [geboortedatum] 2022.
3.2.
Met ingang van 11 december 2023 huren [gedaagde] en [eiser] de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De huurovereenkomst staat op naam van beide partijen.
3.3.
Sinds 4 januari 2026 heeft [eiser] de woning verlaten en verblijft zij met [naam] bij haar ouders.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - kort samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen om de woning binnen 72 uur na betekening van het vonnis, te verlaten, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 25.000,00 en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Toetsingskader
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat [eiser] een spoedeisend belang heeft en dat voldoende aannemelijk is dat de vordering in een nog te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. De kantonrechter vormt zich daarbij een voorlopig oordeel aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering is in dit kort geding geen plaats.
5.2.
[eiser] vordert dat aan haar het uitsluitend huurrecht van de woning wordt toegekend. Op grond van artikel 7:267 lid 7 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van een (mede)huurder bepalen dat de andere (mede)huurder de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zal voortzetten [1] . Bij de vraag of voldoende aannemelijk is geworden dat het uitsluitend huurrecht van de woning aan [eiser] moet worden toegekend, gaat het om een belangenafweging waarbij alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. De vordering wordt daarnaast slechts toegewezen, als dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is.
Belang [eiser]
5.3.
[eiser] heeft gesteld dat haar belangen zwaarder wegen dan die van [gedaagde] en dat het uitsluitend gebruik van de woning daarom aan haar moet worden toegekend. Zij wenst met [naam] terug te keren naar de woning, mits [gedaagde] daar niet langer verblijft. Ze heeft de woning in januari 2026 noodgedwongen verlaten na herhaaldelijk huiselijk geweld, waarvan ze in april aangifte heeft gedaan. Op dit moment verblijft zij met [naam] bij haar ouders. Volgens [eiser] is deze situatie op de langere termijn niet houdbaar. Haar ouders zijn op leeftijd en het langdurig opvangen van hun dochter en kleindochter vraagt meer van hen dan aanvankelijk werd gedacht, hetgeen invloed heeft op hun gezondheid. Daarnaast hebben haar ouders de wens om te verhuizen naar een kleinere, levensloopbestendige woning, maar zij stellen die wens nu uit omdat [eiser] en [naam] bij hen inwonen, aldus [eiser]. Verder heeft [eiser] gesteld dat zij de dagelijkse zorg voor [naam] draagt en dat [naam] gebaat is bij een stabiele woonomgeving, mede gelet op het feit dat [naam] binnenkort naar school gaat en er bij [naam] sprake is van een achterstand in haar spraakontwikkeling. Ook heeft [eiser] gesteld dat zij zelf een moeilijke periode achter de rug heeft zodat zowel zij als [naam] gebaat zijn bij rust, veiligheid en een zelfstandige woonplek. Ten slotte heeft [eiser] toegelicht dat zij een bijstandsuitkering heeft aangevraagd en aanspraak wil maken op huurtoeslag, zodat zij de huur van de woning kan betalen.
Belang [gedaagde]
5.4.
[gedaagde] heeft daartegenover aangevoerd dat hij in de woning wil blijven wonen. Volgens [gedaagde] hebben partijen de woning gezamenlijk betrokken op basis van de door hem opgebouwde inschrijvingsduur. Ook heeft hij de huur van de woning altijd betaald en kan hij deze ook in de toekomst blijven betalen. Daarbij komt dat hij belang heeft bij de woning omdat hij werkzaam is bij de gemeente Olst-Wijhe, en daarmee in de nabijheid van de woning. Verder kampt hij met persoonlijke problematiek en is hij daarom gebaat bij een rustige woonomgeving, eveneens voor het voortzetten van de ondersteuning die hij ontvangt, bestaande uit ambulante begeleiding van ‘De Parabool’ en budgetbeheer, aldus [gedaagde]. Verder heeft [gedaagde] gesteld dat hij niet beschikt over alternatieve woonruimte en dat hij hiervoor ook niet bij zijn ouders terecht kan. Ten slotte heeft [gedaagde] toegelicht dat hij de woning wil behouden met het oog op het toekomstige contact met [naam].
Belangenafweging valt in het voordeel van [gedaagde] uit
5.5.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter weegt het belang van [gedaagde] bij het uitsluitend gebruik van de woning zwaarder dan het belang van [eiser]. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.6.
Voorop wordt gesteld dat beide partijen zich in een moeilijke situatie bevinden, om welke reden zij beiden belang hebben bij een stabiele woonplek. Deze omstandigheid is echter niet doorslaggevend, omdat dit voor beide partijen geldt en daarom geen grond vormt om het belang van één van partijen zwaarder te laten wegen.
5.7.
Bij de belangenafweging wordt wel betrokken dat voldoende aannemelijk is geworden dat de woning destijds is verkregen op basis van de door [gedaagde] opgebouwde inschrijvingsduur alsmede dat [gedaagde] de huur van de woning altijd heeft betaald en ook in de toekomst kan blijven betalen. [eiser] heeft in dit kader gesteld dat zij een bijstandsuitkering heeft aangevraagd en dat zij aanspraak wenst te maken op huurtoeslag, maar niet is gebleken dat deze voorzieningen reeds zijn of kunnen worden toegekend. Daarmee is onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiser], anders dan [gedaagde], in staat zal zijn om de huur van de woning te betalen. Verder weegt mee dat [gedaagde] werkzaam is in de nabijheid van de woning, zodat hij om deze reden belang heeft bij de woning. Daarbij komt dat [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat hij niet over alternatieve woonruimte beschikt. Daar staat tegenover dat [eiser] op dit moment met [naam] bij haar ouders verblijft en zij daar beiden beschikken over een eigen kamer. Hoewel volgens [eiser] haar ouders de wens hebben om op termijn kleiner te gaan wonen, is niet gebleken dat de huidige woonsituatie van [eiser] en [naam] op korte termijn zal eindigen of anderszins niet langer kan voortduren. Dit brengt mee dat ook op dit punt het belang van [gedaagde] zwaarder weegt.
5.8.
Ten slotte is van belang dat [eiser] stelt dat zij de woning heeft verlaten wegens aanhoudend huiselijk geweld, maar dat haar aangifte is geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs. [gedaagde] op zijn beurt heeft gesteld dat partijen begin januari 2026, nadat [eiser] de woning heeft verlaten, hebben afgesproken dat [gedaagde] in de woning zou blijven wonen en dat [eiser] in verband met die afspraak op 10 januari 2026 haar spullen en de meeste spullen van [naam] heeft opgehaald. Nu deze stelling door [eiser] niet is weersproken, gaat de kantonrechter uit van deze gemaakte afspraak. Deze omstandigheid draagt bij aan het oordeel dat de huidige feitelijke situatie voorlopig dient te worden gehandhaafd.
5.9.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het uitsluitend huurrecht van de woning aan [eiser] zal worden toegekend in een bodemprocedure. Daar komt bij dat [eiser] haar spoedeisend belang, mede vanwege haar huidige woonsituatie die inmiddels ruim zes maanden duurt, ook onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De gevraagde voorziening, alsmede de daarmee samenhangende gevorderde dwangsom, zal daarom worden afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
5.10.
[gedaagde] heeft verzocht [eiser] te veroordelen in de proceskosten omdat zij niet onverwijld de datum en tijdstip van de zitting aan hem heeft medegedeeld en de conceptdagvaarding aan hem heeft toegezonden.
5.11.
De kantonrechter ziet in hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt bij een voormalige affectieve relatie dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [eiser] heeft toegelicht dat zij de dagbepaling niet eerder heeft ontvangen van de rechtbank. Ook heeft [eiser] de door [gedaagde] geschetste gang van zaken grotendeels betwist. De proceskosten zullen daarom worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1964.