ECLI:NL:RBOVE:2026:4325

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
18 juli 2026
Zaaknummer
11972983
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWArt. 7:225 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling tweede deel verhuisvergoeding en huurachterstand na beëindiging huurovereenkomst

De zaak betreft een geschil tussen huurder en verhuurder over de nakoming van een beëindigingsovereenkomst van een huurovereenkomst van een recreatiewoning. De huurder vordert betaling van het tweede deel van een verhuisvergoeding, terwijl de verhuurder ontbinding van de overeenkomst en terugbetaling van het reeds betaalde deel vordert.

De kantonrechter oordeelt dat partijen niet tot ontbinding van de beëindigingsovereenkomst zijn gekomen. De uitleg van de afspraken leidt tot de conclusie dat de verhuisvergoeding niet gebonden was aan een strikte opleverdatum van 15 juni 2025. De huurder heeft de woning leeg, schoon en zonder overkapping opgeleverd en heeft recht op het tweede deel van de verhuisvergoeding.

Verder wordt geoordeeld dat de huurovereenkomst op 15 januari 2025 is geëindigd, waarna de huurder in de woning mocht blijven tot hij een andere woning vond. De huurverhoging per 1 juli 2025 is niet rechtsgeldig, waardoor de huurder slechts € 723 per maand verschuldigd is. De verhuurder krijgt deels gelijk in haar vordering tot betaling van huurachterstand, maar de vordering tot terugbetaling van een geldlening en vergoeding gasverbruik wordt afgewezen. Proceskosten worden deels toegewezen en deels gecompenseerd.

Uitkomst: Verhuurder moet tweede deel verhuisvergoeding en incassokosten betalen, huurder moet huurachterstand voldoen; overige vorderingen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11972983 \ CV EXPL 25-3643
Vonnis van 7 juli 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. H.G. Ruis,
tegen
[partij B],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen [partij B] ,
gemachtigde: mr. B.M. Speerstra.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 november 2025;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de aanvullende producties van de zijde van [partij A] ;
- de akte overlegging nadere producties, tevens wijziging van eis van de zijde van [partij B] ;
- de mondelinge behandeling van 26 maart 2026, waar beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er is besproken.
1.2
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1
[partij A] huurde sinds oktober 2015 de recreatiewoning aan de [adres] van de heer [naam 1] , de toenmalig eigenaar van de woning. Na verloop van tijd is [naam 2] , de dochter van [partij B] , bij [partij A] ingetrokken.
2.2
In juni 2022 heeft [partij B] de woning van [naam 1] gekocht en daarmee de positie van verhuurder overgenomen.
2.3
In 2024 is de relatie tussen [partij A] en [naam 2] geëindigd. [partij A] is in de woning blijven wonen.
2.4
In november 2024 heeft [partij B] [partij A] schriftelijk te kennen gegeven dat zij de huurovereenkomst wilde opzeggen. Daar heeft [partij A] niet mee ingestemd.
2.5
Op 15 januari 2025 hebben [partij A] en [partij B] een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarin zij het volgende hebben afgesproken:
“(…)
Verklaren te zijn overeengekomen dat:
huurder en verhuurder met wederzijds goedvinden op 15 januari 2025 bovengenoemde huurovereenkomst beëindigen, met dien verstande dat huurder voor of uiterlijk op 15 juni 2025 deze datum het gehuurde leeg en ontruimd (conform het in de huurovereenkomst bepaalde) zal opleveren met achterlating van de sleutels bij Mevr. [partij B] . Heeft huurder op deze datum geen vervangende woonruimte gevonden, zal vanaf dat moment de huur van deze woning € 1000,- per maand bedragen. Deze huur is incl. gas, water en elektra en exclusief parkkosten € 125,- per maand. Tevens zal op 15 juli 2025 deze huur verhoogt worden met de gebruikelijke indexering van recreatief vastgoed.
Verhuurder betaald huurder hiervoor een verhuisvergoeding van € 17.500,- van welk bedrag huurder direct na het ondertekenen van dit document de helft ontvangt en het 2e deel na het opleveren van de woning volgens afspraak ontvangt
Verder is tussen partijen het volgende overlegd: Huisje wordt leeg en schoon opgeleverd, overkapping door huurder aangebracht wordt verwijderd, Gebruik van Gas, water en elektra wordt opgenomen en het meer dan afgesproken verbruik wordt door huurder betaald.
(…)”
2.6
[partij B] heeft het eerste deel van de verhuisvergoeding van € 8.750,00 aan [partij A] betaald.
2.7
Op 7 augustus 2025 mailt [partij A] in reactie op een e-mail van [partij B] waarin zij dreigt de eerste betaling € 8.750,00 terug te vorderen omdat [partij A] nog niet is verhuisd:
“We kunnen inderdaad de overeenkomst ontbinden en dan moet ik jou het eerste deel terug betalen, dat betekent echter ook dat ik niet meer weg hoef èn dan blijft het huurbedrag 723 euro.”
[partij B] reageert daar als volgt op:
“Hmmmmk daar had ik nog niet aan gedacht het ontbinden en dat je dan mij die € 8750 terug betaald. Ga ik over nadenken. Is voor mij voordeliger dan als je dat terug betaald en dan toch in het voorjaar wiebert.”
[partij A] mailt daarop:
“Wel goed lezen he…
Dat betekent dat ik dan niet meer weg hoef èn de huur blijft 723.
Dat bedrag ineens terug betalen kan ook niet want daar heb ik van afgelost, maar daar komen we wel uit met maandelijkse termijnen.”
2.8
[partij A] heeft per 1 oktober 2025 een andere woning gevonden, en derhalve de woning op 30 september 2025 leeg en ontruimd opgeleverd.

3.Het geschil

in conventie
3.1
[partij A] vordert dat de kantonrechter [partij B] zal veroordelen om het resterende bedrag van € 8.750,00 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 en de buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [partij B] in de proceskosten en de nakosten.
3.2
[partij B] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en in de nakosten.
in reconventie
3.3
[partij B] vordert – na vermeerdering van eis – dat de kantonrechter:
voor recht zal verklaren dat de op 15 januari 2025 gesloten overeenkomst tussen [partij A] en [partij B] is ontbonden;
[partij A] zal veroordelen om de reeds betaalde vergoeding van € 8.750,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[partij A] zal veroordelen om uit hoofde van de openstaande geldlening een bedrag van € 4.500,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[partij A] zal veroordelen om uit hoofde van achterstallige huur een bedrag van € 4.646,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[partij A] zal veroordelen om een bedrag van € 1.705,21 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[partij A] zal veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en in de nakosten.
3.4
[partij A] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] , met veroordeling van [partij B] in de proceskosten en in de nakosten.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1
[partij A] vordert nakoming van de tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst. [partij B] heeft daartegen ten eerste aangevoerd dat de beëindigingsovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden. Ter zitting heeft zij die vordering gewijzigd en heeft zij ontbinding gevorderd op basis van de e-mailcorrespondentie tussen partijen, waaruit volgens [partij B] volgt dat beide partijen de wil hadden om de overeenkomst te ontbinden.
Ontbinding van de beëindigingsovereenkomst?
4.2
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn partijen niet overeengekomen om de beëindigingsovereenkomst te ontbinden. In de e­mailcorrespondentie van 7 augustus 2025 hebben partijen het over een ontbinding van de overeenkomst gehad, maar tot wilsovereenstemming is het niet gekomen. [partij A] heeft ter zitting voldoende overtuigend duidelijk gemaakt dat hij enkel heeft gedreigd om niet te zullen verhuizen, omdat dat haaks stond op wat [partij B] wilde en omdat hij voorzag dat [partij B] het tweede deel van de verhuisvergoeding niet wilde betalen. Ook heeft [partij A] na deze e­mailwisseling nog steeds verzocht om betaling van het tweede deel van de vergoeding van € 8.750,00, waar hij naar zijn idee nog steeds recht op had. Partijen hebben dus ook nog geen uitvoering gegeven aan een ontbinding van de overeenkomst. De wil van partijen om tot ontbinding van de overeenkomst over te gaan, heeft dan ook niet geleid tot een akkoord daarover. De reconventionele vordering tot ontbinding van de overeenkomst zal worden afgewezen.
De inhoud van de beëindigingsovereenkomst
4.3
Partijen hebben over en weer een vordering ingesteld tot betaling, dan wel terugbetaling, van € 8.750,00. Zij verschillen van mening over de uitleg van de beëindigingsovereenkomst.
4.4
[partij A] heeft gesteld dat de voorwaarde, waaronder het tweede deel van de verhuisvergoeding zou worden uitbetaald, bestaat uit het opleveren van de woning zoals afgesproken (leeg en zonder overkapping). Volgens [partij A] is overeengekomen dat hij ernaar zou streven om per 15 juni 2025 een andere woning te vinden. De eerste helft van de verhuisvergoeding zou hij direct ontvangen, het tweede deel van de verhuisvergoeding zou hij na het opleveren van de woning ontvangen. In de e­mailwisseling tussen partijen komt duidelijk tot uitdrukking dat [partij A] geen overeenkomst wilde tekenen waarin een vaste datum voor zijn vertrek uit de woning zou zijn opgenomen. De datum van 15 juni 2025 is ook geen fatale termijn. Partijen hebben afspraken gemaakt voor het geval dat [partij A] de woning nog niet zou hebben verlaten: een huurverhoging per 1 juli 2025 en een huurverhoging op basis van de indexatie per 15 juli 2025. De afspraak dat [partij A] na oplevering van de woning de tweede helft van de verhuisvergoeding zou ontvangen, is niet teniet gegaan doordat [partij A] een paar maanden na 15 juni 2025 is verhuisd, aldus [partij A] .
4.5
[partij B] heeft gesteld dat uitbetaling van het tweede deel van de verhuisvergoeding zou plaatsvinden onder de voorwaarde dat de woning conform afspraak en dus binnen de overeengekomen termijn (15 juni 2025) zou worden opgeleverd. [partij A] heeft de woning niet op 15 juni 2025 opgeleverd. Daarmee is de voorwaarde, waaronder het tweede deel van de verhuisvergoeding verschuldigd zou zijn, niet vervuld. De financiële prikkel van de tweede betaling was bedoeld om te zorgen dat [partij A] tijdig de woning zou verlaten, aldus [partij B] . Daarnaast stelt [partij B] dat [partij A] is tekortgeschoten in de nakoming van de beëindigingsovereenkomst en dat [partij A] daarom de eerste deelbetaling van € 8.750,00 moet terugbetalen.
4.6
De kantonrechter overweegt dat partijen ieder een eigen uitleg hebben gegeven aan de inhoud van de afspraken die zij in de beëindigingsovereenkomst van 15 januari 2025 hebben gemaakt. Om de vraag te kunnen beantwoorden of [partij A] recht heeft op het tweede deel van de verhuisvergoeding van € 8.750,00, moeten de afspraken tussen partijen worden uitgelegd. Bij de uitleg van de afspraken die partijen zijn overeengekomen is niet alleen de tekst van de beëindigingsovereenkomst van belang, maar vooral wat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten begrijpen en verwachten. Daarbij zijn de feiten en omstandigheden waaronder de afspraken tot stand zijn gekomen van belang (de Haviltex-norm).
4.7
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij B] aan de afspraken in de beëindigingsovereenkomst niet de uitleg mogen geven die zij nu bepleit. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.
4.8
Partijen hebben voorafgaand aan het sluiten van de beëindigingsovereenkomst per e-mail onderhandeld. Zij hebben het gehad over de mogelijkheid voor [partij A] om de woning te kopen. Vanaf 6 januari 2025 hebben partijen onderhandeld over een uitkoopsom. Na bedragen van € 20.000,00 ( [partij A] ), € 7.500,00 ( [partij B] ), € 17.500,00 ( [partij A] ) en € 13.000,00 à € 14.000,00 ( [partij B] ) heeft [partij A] € 17.500,00 aangehouden en aangekondigd dat hij anders in de woning zal blijven wonen, omdat zo’n bedrag volgens hem zo op is en hij het bedrag nodig heeft als compensatie. Op 13 januari 2025 heeft [partij B] het volgende aan [partij A] gemaild:
“Is er nog ruimte elkaar tegemoet te komen vanuit jouw 17k?”
[partij A] heeft daarop geantwoord:
“Nee ik blijf bij 17500, ben al 2500 gezakt. Ik moet een lekker rustig plekje gaan verlaten en veel meer gaan betalen…”
[partij B] heeft daarop gemaild:
“Ja dat is dan jammer het is een super plek. Optie kopen en deel resterende op afbetaling kan nog steeds.
Stel ik ga akkoord met die 17k hoe zie je dat voor je? Naast dat het uiteraard duidelijk beschreven wordt bij een notaris.
(…)”
Waarop [partij A] heeft geantwoord:
“Dat koop verhaal is niet haalbaar voor mij, afgezien van het feit dat ie geen 170 waard is, (…) krijg ik niet zoveel geld en 120 zo betalen én daarnaast nog eens maandelijks 1000 aan jou word mijn ondergang dus dat kan gewoon niet.
Als je akkoord gaat met die 17500 dan word dat van tevoren overgemaakt en word dat inderdaad in een contract opgenomen, een tijd noemen wanneer ik vertrek vind ik te gevaarlijk, (de woningmarkt is oververhit en lastig wat te vinden.) want daar kan ik aan gehouden worden en dan kan ik dus wél op straat worden gezet als ik niks anders heb. Ik moet dus wel de tijd krijgen iets passends te vinden in nieuwleusen.”
Op 14 januari 2025 heeft [partij B] gemaild:
“ [partij A] ,
ik ga akkoord met €17500.
Heb wel wat voorwaarden die schrijf ik op en bespreek dit samen met jou.
En van daaruit wordt er een brief opgesteld die we beide ondertekenen.
[partij B] ”
[partij A] heeft daarop als volgt gereageerd:
“(…)
Ben benieuwd naar die voorwaarden, dat moet wel passen bij de situatie anders zie ik er alsnog vanaf als blijkt dat ik mn eigen glazen ingooi.
(…)”
[partij B] heeft vervolgens gemaild:
“(…)
Begrijp heus dat 14 februari niet haalbaar voor je is. Ondanks dat we wel wat dingen willen aanpassen dan moet dat later maar.
Heb jij een richting van duur ?
(…)”
Daarop heeft [partij A] geantwoord:
“(…)
Mijn broers hebben veel contacten en netwerken ter plaatse en die gaan overal lijntjes uitzetten, hoe lang dat gaat duren voor ik iets passends vind durf ik echt geen termijn aan te hangen, dat vind ik veel te gevaarlijk in de huidige markt.
Dus in een contract wordt opgenomen dat jij vooraf betaald, en ik wegga zodra er iets passends is gevonden zónder een datum te noemen want dat durf ik niet aan, ik hoop dat je dat begrijpt…”
[partij B] heeft daarop het volgende gemaild:
“(…)
Er wordt niet vooruit betaald.
Deel wel en deel bij sleutel overdracht.
Er komt een termijn van 4 maand in het contract te staan we doen niet aan geen datum. Straks duurt het nog 2 jaar je begrijpt dat dat voor mij ook niet fijn is en al helemaal niet tegen de huidige huurprijs (tenzij je akkoord gaat met een verhoging van de huur).
Voor eind lente willen we echt klaar zijn met de aanpassingen die we gaan doen.
(…)”
[partij A] heeft daarop als volgt gereageerd:
“Ik kan niet akkoord gaan met 4 maanden, als ik niks anders heb kan jij me eruit gooien en sta ik op straat.
Advocaat zegt: alles vooraf betalen want je bent niet de eerste die anders kan fluiten naar zijn geld.
Aan wat voor huurverhoging denk je dan? Als dat niet te gek is overweeg ik dat.
Komen we er niet uit met die termijn, geld vooruit óf te hoge verhoging van de huur dan blijf ik helaas gewoon tegen de huidige voorwaarden zitten voor onbepaalde tijd.”
4.9
Op 15 januari 2025 heeft [partij B] aan [partij A] gemaild:
“Dan hebben we een deal.
Samengevat:
8750 nu akkoord (nu dus).
8750 bij vertrek.
5 maanden na tekenen nog huren voor 725.
Daarna nog niks gevonden dan 1000 in de maand inclusief.
(…)”
4.1
Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de onderhandelingen tussen partijen dat zij een vast bedrag aan verhuisvergoeding hebben willen afspreken. Zij hebben weliswaar gediscussieerd over of de betaling ineens of in twee delen zou moeten plaatsvinden, maar nergens blijkt uit dat de betaling van de verhuisvergoeding samenhing met een tijdig vertrek van [partij A] op uiterlijk 15 juni 2025. Partijen hebben immers eerst het bedrag van € 17.500,00 vastgesteld en later (kennelijk de volgende dag bij het sluiten van de overeenkomst) hebben zij daar (toch) een datum aan gekoppeld. In de overeenkomst is niet opgenomen dat [partij A] na 15 juni 2025 geen aanspraak meer zou kunnen maken op het tweede deel van de vergoeding. Uit de e-mailcorrespondentie is naar het oordeel van de kantonrechter af te leiden dat de vergoeding was bedoeld om te zorgen dat [partij A] de woning zou verlaten, niet om te zorgen dat hij de woning binnen een bepaalde termijn zou verlaten.
4.11
Verder is er geen sprake van een harde termijn die op 15 juni 2025 eindigt. Partijen zijn het erover eens dat [partij A] ernaar zou streven om de woning op 15 juni 2025 te verlaten, maar uit de tekst van de overeenkomst en de e-mailcorrespondentie blijkt duidelijk dat partijen hebben nagedacht over hun rechtsverhouding na 15 juni 2025 en er dus rekening mee hebben gehouden dat het vinden van een woning voor die datum niet zou kunnen lukken. Er is dus geen (fatale) einddatum voor ontruiming van de woning overeengekomen.
De zinsnede “na het opleveren van de woning volgens afspraak” duidt naar het oordeel van de kantonrechter dan ook op de afspraak om de woning leeg, schoon en zonder overkapping op te leveren, zoals eveneens in de beëindigingsovereenkomst is afgesproken, en niet op een ontruiming voor 15 juni 2025. De stelling van [partij B] dat uitbetaling van het tweede deel van de vergoeding zou plaatsvinden onder de voorwaarde dat de woning conform afspraak en dus binnen de overeengekomen termijn (15 juni 2025) zou worden opgeleverd, houdt dus geen stand. Nu [partij A] heeft voldaan aan de verplichting om de woning te leeg, schoon en zonder overkapping op te leveren, is de voorwaarde voor uitbetaling van het tweede deel van de verhuisvergoeding vervuld. Ook betekent dat dat [partij A] niet is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting uit de beëindigingsovereenkomst.
4.12
[partij A] en [partij B] verschillen ook van mening over de einddatum van de huurovereenkomst. [partij A] stelt zich op het standpunt dat de huurovereenkomst is geëindigd bij oplevering van de woning op 30 september 2025. [partij B] vindt dat de huurovereenkomst bij het sluiten van de beëindigingsovereenkomst op 15 januari 2025 is geëindigd.
4.13
Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de tekst van de beëindigingsovereenkomst dat de huurovereenkomst op 15 januari 2025 is geëindigd. Ontruiming dient vervolgens voor 15 juni 2025 plaats te vinden en anders later wanneer [partij A] op dat moment geen andere woning heeft gevonden. Feiten of omstandigheden waaruit een andere datum volgt voor de beëindiging, heeft [partij A] onvoldoende gesteld.
Conclusie
4.14
Het voorgaande betekent dat [partij B] de afspraak om bij oplevering van de woning het tweede deel van de verhuisvergoeding van € 8.750,00 te betalen moet nakomen. Zij zal dan ook worden veroordeeld om een bedrag van € 8.750,00 aan [partij A] te betalen. De vordering in reconventie tot terugbetaling van € 8.750,00 aan [partij B] zal worden afgewezen.
4.15
[partij B] moet over het bedrag van € 8.750,00 ook rente betalen, omdat zij het bedrag niet bij oplevering van de woning heeft betaald. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 25 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling.
4.16
Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen. [partij A] heeft aan [partij B] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de vereisten uit artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Het gevorderde bedrag van € 812,50 voldoet aan het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
voorts in reconventie
Achterstallige huur
4.17
[partij B] heeft gesteld dat [partij A] een huurachterstand van € 4.646,00 heeft.
4.18
Wat betreft de huur van oktober en november 2023 heeft [partij A] aangevoerd dat [partij B] de huur over die maanden heeft kwijtgescholden. [partij B] heeft dat betwist en [partij A] heeft zijn standpunt niet nader onderbouwd. Daarmee komt vast te staan dat [partij A] de huur van oktober en november 2023 nog aan [partij B] moet betalen.
4.19
Vast staat dat [partij A] de huur van februari 2024 aan [partij B] heeft overgemaakt, maar dat [partij B] weer € 500,00 naar de rekening van [partij A] heeft teruggeboekt. Volgens [partij B] heeft zij dat gedaan omdat [partij A] en [naam 2] in geldproblemen zaten en was het een voorlopige teruggave die was bedoeld als lening. [partij B] heeft echter onvoldoende onderbouwd dat het een deel van de betaalde huur was die zij terugstortte en evenmin heeft zij onderbouwd dat partijen een lening zijn overeengekomen. Er staat geen omschrijving bij de overboeking. Vast staat ook dat [partij B] nooit te kennen heeft gegeven het teruggeboekte bedrag weer (opnieuw) te willen ontvangen. De vordering tot betaling van de huur van februari 2024 zal dus worden afgewezen.
4.2
Ter zitting heeft [partij B] erkend dat [partij A] de huur van april 2024 heeft voldaan.
4.21
Wat betreft de huur van juni en juli 2025 is ten eerste tussen partijen in geschil of de in de beëindigingsovereenkomst overeengekomen ‘huur’ van € 1.000,00 per maand in strijd is met de dwingendrechtelijke huurregels die gelden ter bescherming van de huurder.
De kantonrechter overweegt dat hiervoor is geoordeeld dat partijen zijn overeengekomen dat de huurovereenkomst in januari 2025 is geëindigd, waarna [partij A] in de woning mocht blijven wonen tot hij een andere woning had gevonden. De vraag is of de overeenkomst die na beëindiging van de huurovereenkomst is blijven voortbestaan, moet worden gekwalificeerd als huurovereenkomst, zoals [partij A] betoogt, of als gebruiksovereenkomst op basis waarvan [partij A] een gebruiksvergoeding voor het gebruik van de woning verschuldigd is (en die per 1 juli 2025 zou worden verhoogd naar € 1.000,00 per maand), zoals [partij B] betoogt.
4.22
De stelling van [partij B] dat de vergoeding van € 1.000,00 die partijen in de beëindigingsovereenkomst hebben afgesproken, een vergoeding voor het voortgezet gebruik op basis van artikel 7:225 BW Pro is, slaagt in ieder geval niet. Die bepaling ziet op de situatie waarin een huurder de woning na beëindiging van de huurovereenkomst onrechtmatig onder zich houdt. Daarvan is hier geen sprake.
4.23
De overeenkomst moet worden gekwalificeerd aan de hand van de maatstaf uit de arresten Timeshare en X/Portaal. [1] Die maatstaf houdt in dat ook als een overeenkomst elementen bevat waarmee op zich aan de wettelijke omschrijving van huur is voldaan, het mogelijk is dat de overeenkomst in de gegeven omstandigheden, gelet op haar inhoud en strekking, in haar geheel beschouwd toch niet als een huurovereenkomst moet worden aangemerkt. Bij de beoordeling of die uitzondering zich voordoet is mede van belang voor welke situatie partijen een regeling hebben willen treffen en of een kwalificatie anders dan als huurovereenkomst zich in die situatie verdraagt met het dwingendrechtelijke beschermingsregime voor huurovereenkomsten van woonruimte.
4.24
De kantonrechter overweegt dat de overeenkomst de twee elementen van huur (van woonruimte) bevat: gebruik van een gebouwde onroerende zaak en het betalen van een tegenprestatie. Met de beëindigingsovereenkomst hebben partijen de eerdere huurovereenkomst beëindigd, waarna [partij A] in de woning mocht blijven wonen tot hij een andere woning had gevonden. [partij A] wilde de woning wel verlaten, maar het was afhankelijk van de woningmarkt hoe snel hij vervangende woonruimte zou vinden en daadwerkelijk zou kunnen vertrekken. Uit de onderhandelingen blijkt dat [partij A] welbewust akkoord is gegaan met de regeling waarin de ‘huur’ per 1 juli 2025 zou worden verhoogd. Tegelijkertijd geldt dat [partij B] graag wilde dat [partij A] de woning zou verlaten. Een verhoging van de ‘huur’ zou daarbij de druk voor [partij A] opvoeren. [partij B] kon zonder de beëindigingsovereenkomst de huur niet verhogen (afgezien van de jaarlijks toegestane huurverhoging). Evenmin kon zij huurovereenkomst opzeggen, als partijen geen beëindigingsovereenkomst hadden gesloten. Deze omstandigheden maken dat de kantonrechter de verhoging van de ‘huur’ in strijd acht met het dwingendrechtelijke beschermingsregime voor huurovereenkomsten van woonruimte en dat daarom de overeenkomst als een huurovereenkomst heeft te geleden. Dat betekent dat de vanaf juli 2025 overeengekomen vergoeding van € 1.000,00 per maand in dit geval niet rechtsgeldig is. [partij A] is over (juni en) juli 2025 dan ook € 723,00 verschuldigd.
4.25
Verder heeft [partij A] gesteld dat hij (een deel van) de huurprijs van juni en juli 2025 heeft verrekend met de teruggave energiebelasting die hij nog van [partij B] tegoed had. Dat [partij A] nog geld tegoed had van [partij B] , blijkt volgens [partij A] uit het bericht van [partij B] dat luidt: “
Dat geld heb jij absoluut recht op maar wel het juiste bedrag niet jouw zelfverzonnen bedrag en dan nog eens [naam 2] te nadelig bedenken dat ze minder krijgt.” [partij B] heeft niet betwist dat dit bericht ziet op een teruggave aan [partij A] . Verder heeft [partij A] gesteld dat hij per e-mail heeft gevraagd hoeveel hij nog kreeg van [partij B] , maar dat zij weigerde hem dat te zeggen. De stelling van [partij B] dat zij heeft aangegeven dat zij zou uitzoeken hoeveel [partij A] terugkreeg, is niet onderbouwd en blijkt niet uit de Whatsapp- of e-mailcorrespondentie. [partij A] heeft toegelicht dat de parkbeheerder suggereerde dat het om € 1.400,00 ging en dat hij dat bedrag dus heeft verrekend met de huur van juni en juli 2025. Naar het oordeel van de kantonrechter mocht [partij A] dit bedrag, bij gebreke van een toelichting van [partij B] , verrekenen met de verschuldigde huur.
4.26
Uit het voorgaande volgt dat [partij A] de huur van oktober en november 2023 nog moet betalen, evenals het resterende deel over juni en juli 2025. Dat betekent dat een bedrag van € 723,00 + € 723,00 + € 23,00 + € 23,00 = € 1.492,00 aan huurachterstand zal worden toegewezen.
4.27
[partij A] moet over de huurachterstand ook de wettelijke rente betalen. Deze zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf de vervaldata van de huurtermijnen tot de dag van volledige betaling.
Geldlening
4.28
[partij B] heeft betaling van € 4.500,00 gevorderd op grond van een geldlening van oorspronkelijk € 5.000,00 die zij met [partij A] en [naam 2] zou zijn aangegaan. [partij A] en [naam 2] zijn beide hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling van de geldlening, aldus [partij B] .
4.29
[partij A] heeft aangevoerd dat de geldlening aan [naam 2] is verstrekt. Dat hij daar blij mee was, maakt hem nog geen (mede)schuldenaar, aldus [partij A] . Hij was van plan om na de verkoop van zijn barbecue € 500,00 als tegemoetkoming aan [partij B] te betalen, maar dat lukte niet. Omdat hij het had beloofd heeft hij alsnog in termijnen een bedrag van € 500,00 aan [partij B] betaald.
4.3
De kantonrechter is van oordeel dat [partij B] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij geld aan [partij A] heeft uitgeleend. Vast staat dat [partij B] in september en oktober 2023 in totaal een bedrag van € 5.000,00 aan [naam 2] heeft overgemaakt. Uit de daarna volgende Whatsappberichten deelt [partij B] aan [partij A] mee dat zij met [naam 2] heeft afgesproken dat in januari 2024 zal worden begonnen met terugbetalen. [partij A] antwoordt in datzelfde Whatsappgesprek: “
Als de bge weg is krijg je mij van direct dat deel terug” en “
ik wil van mijn deel zsm weer af”.
Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt hier niet uit dat [partij A] met [naam 2] hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de geldlening of dat hij medeschuldenaar van de geldlening is. De vordering tot terugbetaling van de geldlening zal worden afgewezen.
Facturen gasverbruik
4.31
[partij B] vordert betaling van een bedrag van € 1.705,21, bestaande uit een bedrag van € 954,28 aan gasverbruik over 2024 en een bedrag van € 750,93 over 2025. Deze bedragen zijn door [bedrijf] in rekening gebracht bij [partij B] , maar horen voor rekening van [partij A] te komen, aldus [partij B] .
4.32
[partij A] heeft erkend dat hij een bedrag van € 164,14 is vergeten te betalen. Wel heeft [partij B] iedere maand slechts € 125,00 per maand aan [bedrijf] betaald, terwijl [partij A] een bedrag van € 150,00 aan [partij B] betaalde. De vordering van [partij B] moet daarom met € 25,00 per maand worden verminderd, aldus [partij A] . Het resterende bedrag zouden hij en [naam 2] allebei voor de helft betalen. Ook stelt [partij A] dat hij nog een bedrag van € 558,93 over 2023 van [partij B] terugkrijgt.
4.33
De kantonrechter is van oordeel dat het verweer van [partij A] dat hij de kosten voor het gasverbruik met [naam 2] zou delen niet slaagt. [partij A] is huurder van de woning en het betalen van de kosten voor het gasverbruik is dan ook zijn verplichting. Dat hij met [naam 2] een andere afspraak heeft gemaakt, kan zijn, maar die afspraak geldt tussen hem en [naam 2] . Hij kan die afspraak niet aan [partij B] tegenwerpen.
Verder heeft [partij B] erkend dat zij € 150,00 per maand van [partij A] kreeg, maar € 125,00 per maand aan [bedrijf] betaalde. De vordering van [partij B] moet dus met € 25,00 per maand worden verminderd. Ook heeft [partij B] niet betwist dat [partij A] nog een bedrag van € 558,93 over 2023 terugkrijgt en dat [partij A] over 2024 al een bedrag van € 165,00 heeft betaald.
4.34
Het voorgaande betekent dat de vordering over 2024 met (12 x € 25,00 =) € 300,00 wordt verminderd, alsmede met het betaalde bedrag van € 165,00. Dat maakt dat [partij A] aan [partij B] over 2024 een bedrag van € 954,28 - € 300,00 - € 165,00 = € 489,28 verschuldigd is.
De vordering over 2025 wordt, gelet op de ontruiming per 30 september 2025, in ieder geval met (9 x € 25,00 =) € 225,00 verminderd. Verder heeft [partij B] de afrekening over heel 2025 gevorderd, terwijl [partij A] slechts het gasverbruik tot en met 30 september 2025 verschuldigd is. [partij A] heeft aangevoerd dat hij het verbruik tot en met 30 september 2025 heeft berekend en na betaling van de voorschotten nog een bedrag van € 27,54 moest betalen. Dat bedrag heeft hij dan ook aan [partij B] betaald. [partij B] heeft dit niet weersproken. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat [partij A] over 2025 niets meer aan [partij B] verschuldigd is.
4.35
[partij A] moet dus een bedrag van € 489,28 aan [partij B] betalen, maar kan dat verrekenen met het bedrag van € 558,93 dat hij terugkrijgt over 2023. Per saldo is [partij A] dus geen vergoeding voor gasverbruik aan [partij B] verschuldigd. De vordering van [partij B] zal worden afgewezen.
in conventie en in reconventie
De proceskosten
4.36
In conventie wordt [partij B] in het ongelijk gesteld. Zij moet daarom de proceskosten van [partij A] betalen. Deze worden begroot op:
kosten dagvaarding € 146,14
griffierecht € 257,00
salaris gemachtigde € 720,00 (2 punten x tarief € 360,00)
nakosten
€ 144,00
totaal € 1.267,14
In reconventie worden beide partijen over en weer in het ongelijk gesteld. De proceskosten zullen daarom worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1
veroordeelt [partij B] om een bedrag van € 8.750,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 25 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;
5.2
veroordeelt [partij B] om een bedrag van € 812,50 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [partij A] te betalen;
5.3
veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van [partij A] begroot op € 1.267,14;
5.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
5.5
veroordeelt [partij A] om een bedrag van € 1.492,00 aan achterstallige huur aan [partij B] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vervaldata van de huurtermijnen tot de dag van volledige betaling;
5.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
5.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.(SB)

Voetnoten

1.HR 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9673 en HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:167.