ECLI:NL:RBOVE:2026:4418

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
08-062883-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:25 SvArt. 36e SrArt. 6:6:4 SvArt. 279 SvArt. 6:6:3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot toepassing van gijzeling wegens niet-nakoming ontnemingsmaatregel

De officier van justitie verzocht op 27 mei 2026 om machtiging tot toepassing van gijzeling op grond van artikel 6:6:25 Sv Pro, omdat de veroordeelde niet voldeed aan een ontnemingsmaatregel van €23.350,34 opgelegd bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in 2018.

De veroordeelde was niet verschenen op de terechtzitting van 8 juli 2026, ondanks behoorlijke oproeping, en maakte zich onvindbaar door vertrek naar het buitenland. De raadsvrouw voerde aan dat de oproeping nietig was vanwege het ontbreken van een oproeping in de Staatscourant en het ontbreken van een vaste verblijfplaats, maar dit werd verworpen.

De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde betalingsonwil vertoonde, aangezien hij niet aannemelijk had gemaakt niet in staat te zijn te betalen en het CJIB voldoende pogingen had gedaan tot incasso. De vordering tot machtiging van gijzeling voor 38 dagen werd daarom toegewezen.

De politierechter machtigde de officier van justitie tot toepassing van gijzeling voor de duur van 38 dagen, conform de wettelijke norm van één dag gijzeling per volle €25 van het openstaande bedrag.

Uitkomst: De politierechter machtigt de officier van justitie tot gijzeling van 38 dagen wegens niet-nakoming van de ontnemingsmaatregel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
parketnummer : 08-062883-17
raadkamernummer : 26-015278
Beslissing van de enkelvoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ‘Machtiging toepassing gijzeling’ op grond van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak van:
[de veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],
vertrokken, onbekend waarheen,
hierna te noemen: de veroordeelde,
bijgestaan door mr. D. Greven, advocaat te Borne.

1.Het verloop van de procedure

Op 27 mei 2026 heeft de officier van justitie op de griffie een vordering ingediend tot het verlenen van machtiging tot toepassing van gijzeling op grond van artikel 6:6:25 Sv Pro.
Aan de veroordeelde is bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 oktober 2018 een maatregel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van € 23.350,34 ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van de enkelvoudige kamer van
8 juli 2026. Bij de behandeling zijn de officier van justitie, K.J.L. de Valk en de raadsvrouw gehoord. De veroordeelde is behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangegeven dat zij geen contact heeft kunnen krijgen met veroordeelde. Artikel 279 Sv Pro is ingevolge artikel 6:6:4 Sv Pro niet van toepassing. Om die reden wordt de raadsvrouw in de gelegenheid gesteld het woord ter verdediging te voeren.
De politierechter heeft kennis genomen van de door de officier van justitie overgelegde stukken van de ontnemingszaak tegen de veroordeelde.

2.De standpunten van de raadsvrouw en de officier van justitie

Standpunt raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de oproeping nietig is. De raadsvrouw heeft zich, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:2768) op het standpunt gesteld dat de oproeping nietig dient te worden verklaard nu verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en er geen oproeping in de Staatscourant heeft plaatsgevonden. Daarbij verwijst zij naar artikel 6:6:25 lid 3 Sv Pro.
Subsidiair is de raadsvrouw van menig dat de vordering moet worden afgewezen nu niet vastgesteld kan worden dat sprake is van betalingsonwil.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wel sprake is van een rechtsgeldige oproeping nu veroordeelde rechtsgeldig is opgeroepen.
De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlenen van een machtiging tot toepassing van gijzeling voor de duur van 38 dagen. De officier van justitie heeft ter zitting de vordering gehandhaafd.

3.De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank Overijssel is bevoegd van de vordering kennis te nemen.

4.De ontvankelijkheid

De vordering is tijdig ingediend. De rechtbank stelt vast dat de vordering ook overigens ontvankelijk is.

5.De beoordeling

De politierechter is vooreerst van oordeel dat sprake is van een rechtsgeldige oproeping gelet op artikel 36e lid 3 SV jo. art. 6:6:3 lid 2 Sv Pro. De redactie van artikel 6:6:25 lid 3 Sv Pro biedt onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat die bepaling in dit geval van toepassing zou zijn, met name gelet op de termen ‘vervolging’ en ‘bij het doen van verzet tegen verhaal’ in dat artikel. Van vervolging is immers met het onherroepelijk worden van het arrest van het hof van 19 oktober 2018 geen sprake meer terwijl uit niets blijkt dat door veroordeelde op enig moment verzet gedaan is tegen verhaal als genoemd in artikel 6:6:25 lid 3 Sv Pro.
Op grond van de stukken en de behandeling op de terechtzitting van 8 juli 2026 stelt de politierechter het volgende vast.
Toetsingskader
In gevolge artikel 6:6:25 lid 1 kan Pro de rechter, indien de veroordeelde niet aan een in een strafbeschikking opgelegde geldboete of een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voldoet en volledig verhaal op grond van de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 van het Wetboek van Strafvordering op diens vermogen niet mogelijk is gebleken, op vordering van het Openbaar Ministerie machtiging verlenen tot gijzeling voor de duur van ten hoogste hetgeen door de rechter is bepaald bij het opleggen van de maatregel. Voor elke volle € 25,- van het bedrag waarvoor verhaal is gezocht, wordt niet meer dan één dag opgelegd.
Ingevolge artikel 6:6:25 lid 6 Sv Pro wordt de vordering niet toegewezen indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.
Feiten en omstandigheden
- verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk voordeel
Bij arrest van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is aan veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk voordeel van een bedrag van € 23.350,45. Dat arrest is onherroepelijk geworden.
Executieverloop en onderzoek verblijfplaats veroordeelde
Op 7 mei 2020 heeft het CJIB veroordeelde aangeschreven op zijn toenmalige BRP-adres, te weten, [adres 1]. In deze aanschrijving werd veroordeelde tot uiterlijk 6 juni 2020 in de gelegenheid gesteld om het volledige bedrag op de rekening van het CJIB over te maken. Het CJIB heeft hierop geen reactie of betaling ontvangen.
Op 23 juni 2020 heeft het CJIB veroordeelde een herinnering gestuurd. Veroordeelde diende het openstaande bedrag van de ontnemingsmaatregel uiterlijk 23 juli 2020 te voldoen. Hierop heeft het CJIB geen reactie of betaling ontvangen.
Vervolgens bleek uit onderzoek door het CJIB dat veroordeelde vanaf 23 mei 2019 onder bewind stond.
Op 14 juli 2020 heeft het CJIB veroordeelde een herinnering gestuurd per adres van diens
bewindvoerder: [bewindvoerder] B.V., [adres 2]. Veroordeelde diende het
openstaande bedrag van de ontnemingsmaatregel uiterlijk 13 augustus 2020 te voldoen. Hierop heeft het CJIB geen reactie of betaling ontvangen.
In oktober 2020 heeft het CJIB de zaak overgedragen aan gerechtsdeurwaarderskantoor GGN Mastering Credit NV te Almelo. De deurwaarder is in december 2020 met de bewindvoerder betreffende veroordeelde een betalingsregeling overeengekomen van € 50,00 per maand. In februari 2023 gaf de bewindvoerder aan dat er bij veroordeelde meer financiële ruimte ontstaan was omdat hij weer werk had, waardoor veroordeelde maandelijks € 100,00 kon voldoen. Ook deze betaalafspraken werden door veroordeelde nagekomen.
In juli 2023 werd de executie van de ontnemingsmaatregel bij de deurwaarder stilgelegd, omdat veroordeelde in een traject van de minnelijke schuldregeling (MSNP) zat. In februari 2024 werd bekend dat het traject van de MSNP was beëindigd omdat veroordeelde naar het buitenland was verhuisd. Hierop werd de executie van de zaak weer voortgezet.
Medio februari 2025 heeft de deurwaarder contact opgenomen met de bewindvoerder van
veroordeelde. Hierbij werd bekend dat de bewindvoerder niet wist waar veroordeelde verbleef. Tevens gaf de bewindvoerder aan dat veroordeelde inmiddels niet meer onder bewind stond. Nadat de deurwaarder verder geen traceerbare verhaalsmogelijkheden kon achterhalen, heeft de deurwaarder in juli 2025 de zaak gesloten en geretourneerd aan het CJIB.
De deurwaarder heeft na aftrek van de door de deurwaarder gemaakte kosten € 1.427,64
overgemaakt aan het CJIB. Tevens heeft het CJIB vanuit de MSNP ten behoeve van de onderhavige ontnemingsmaatregel in totaal een bedrag van € 3.062,81 ontvangen. Door deze ontvangsten kwam het openstaande bedrag te staan op € 18.810,00.
Uit het overzicht uit de Strafrechtketendatabank (SKDB) komt naar voren dat veroordeelde vanaf 8 december 2023 door de gemeente [gemeente] is uitgeschreven.
Om gegevens omtrent de verblijfplaats van veroordeelde te achterhalen heeft het CJIB een
bestandsvergelijking gemaakt tussen de Interne systemen. Dit heeft echter geen bruikbaar resultaat opgeleverd.
Tot op heden is (volledige) betaling van het verschuldigde bedrag uitgebleven. Veroordeelde
heeft zich door diens feitelijke vertrek onvindbaar gemaakt voor de incasso van de opgelegde
ontnemingsmaatregel. Aangezien veroordeelde niet kan worden aangeschreven op een vaste woon- en/of verblijfplaats kan het CJIB het reguliere incassotraject niet voortzetten.
Gelet op het vorenstaande stelt de politierechter vast dat de veroordeelde niet voldoet aan het arrest waarbij de verplichting tot betaling is opgelegd. Ingevolge artikel 6:6:25 lid 6 Sv Pro ligt het op de weg van veroordeelde om aannemelijk te maken dat die niet in staat is om aan de betalingsverplichting te voldoen. Nu veroordeelde zich echter onvindbaar maakt, kan worden gesteld dat die geen medewerking wenst te verlenen om tot betaling van de opgelegde maatregel te komen en is dus sprake van betalingsonwil.
De politierechter is van oordeel dat het CJIB veroordeelde voldoende gelegenheid heeft geboden om het bedrag van de ontnemingsmaatregel te voldoen. Nu volledige betaling van het verschuldigde bedrag is uitgebleven is de vordering van de officier van justitie tot machtiging om gijzeling toe te passen, toewijsbaar.
Conclusie
De politierechter zal op grond van het voorgaande de officier van justitie machtigen het dwangmiddel gijzeling toe te passen jegens veroordeelde voor de duur van 38 dagen.

6.De beslissing

De politierechter
wijstde vordering
toeen machtigt de officier van justitie tot de toepassing van gijzeling voor de duur van
38 dagen.
Deze beslissing is genomen door mr. B.W.M. Hendriks, politierechter, in tegenwoordigheid van K.M. Barin, griffier, ondertekend door de rechter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.