ECLI:NL:RBOVE:2026:461

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/08/331805 / HA RK 25-26
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:298 BWArt. 2:291 BWArt. 843a RvArt. 194 RvArt. 5:124 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ontslag bestuurders en inzage bij Waterresort Bodelaeke

De Vereniging van Eigenaren van recreatiewoningen en botenhuizen in Waterresort Bodelaeke verzocht de rechtbank om de ontslag van twee bestuurders van SBK en SWBR en de benoeming van nieuwe bestuurders, alsmede om inzage in documenten van de Bodelaeke-vennootschappen. De Vereniging stelde dat de bestuurders hun taken verwaarloosden en belangenconflicten hadden, en dat zij onvoldoende rekenschap gaven over het verhuurbeleid en de financiën.

De rechtbank oordeelde dat de Vereniging onvoldoende belanghebbende was, omdat de belangen van eigenaren al via de bestaande governance-structuur en de Vergadering van Eigenaren werden behartigd. De statutaire bepalingen over het bestuur werden objectief uitgelegd, waarbij werd vastgesteld dat niet alle recreatiewoningen waren verkocht, zodat het ontslag van bestuurder D niet aan de orde was. De vermeende belangenconflicten en taakverwaarlozing waren onvoldoende concreet onderbouwd.

Ook het inzageverzoek werd afgewezen omdat de Vereniging geen contractuele rechtsbetrekking met de Bodelaeke-vennootschappen had en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van bevoordeling of benadeling. De rechtbank benadrukte dat eigenaren via SWBR informatie kunnen verkrijgen en dat de Vereniging onvoldoende feiten had gesteld om haar vermoedens te staven.

De rechtbank veroordeelde de Vereniging in de proceskosten en benadrukte de mogelijkheid tot overleg tussen partijen om geschillen in der minne op te lossen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot ontslag van bestuurders en het inzageverzoek af en veroordeelt de Vereniging in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/331805 / HA RK 25-26
Beschikking van 30 januari 2026
in de zaak van
VERENIGING VAN EIGENAARS VAN RECREATIEWONINGEN EN BOTENHUIZEN IN RESORT BODELAEKE GIETHOORN,
statutair gevestigd te Giethoorn,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de Vereniging,
advocaat: mr. B.P.J.M.L. Vliexs,
tegen

1.[verweerder 1],

wonende te [woonplaats 1],
2.
[verweerder 2],
wonende te [woonplaats 2],
3.
BODELAEKE B.V.,
gevestigd te Giethoorn,
4.
BEHEERMAATSCHAPPIJ BODELAEKE B.V.,
gevestigd te Giethoorn,
5.
BODELAEKE VERHUUR B.V.,
gevestigd te Giethoorn,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: [verweerders]
advocaat: mrs. A.W. van der Veen en R.R. de Kruijf.

1.Samenvatting

De Vereniging verzoekt op grond van artikel 2:298 BW Pro om [verweerder 1] en [verweerder 2] als bestuurder te ontslaan en nieuwe bestuurders te benoemen. Daarnaast doet zij een inzageverzoek op grond van artikel 843a BW (oud). Uit onderstaande beoordeling volgt dat de rechtbank de verzoeken afwijst.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingediend op 17 oktober 2024;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van 11 maart 2025;
- de beschikking in het (bevoegdheids)incident van 4 april 2025 waarbij de rechtbank Gelderland de procedure naar deze rechtbank heeft verwezen;
- het verweerschrift in de vordering ex artikel 843a Rv met producties;
- het verweerschrift tegen het verzoek tot ontslag ex artikel 2:298 BW Pro;
- de brief van de griffie van deze rechtbank waarin partijen is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aanvullende producties die de Vereniging in het geding heeft gebracht (producties 24-62);
- de aanvullende producties die [verweerders] in het geding hebben gebracht (producties 13-26);
- de mondelinge behandeling van 4 november 2025, de pleitnotities van de advocaten van de Vereniging en [verweerders] en de aantekeningen van de griffier.
2.2.
De beschikking is nader bepaald op heden.

3.De feiten

3.1.
Waterresort Bodelaeke is een resort, gelegen te Giethoorn. Het resort bestaat uit in totaal 191 recreatiewoningen. Bodelaeke B.V. is eigenaar, tevens beheerder, van het resort en daarnaast eigenaar van 40 individuele recreatiewoningen, waarvan 37 woningen nog niet (eerder) zijn verkocht. De resterende drie woningen zijn teruggekocht van de voormalig eigenaren.
3.2.
Tijdens de ontwikkeling van Waterresort Bodelaeke zijn in 2012 financiële problemen ontstaan en dreigde een faillissement.
3.3.
De Vereniging is op 4 september 2012 opgericht. Het statutaire doel van de Vereniging dat destijds is geformuleerd, is het behartigen van de gezamenlijke belangen van de leden, zijnde eigenaren van recreatiewoningen en botenhuizen in het resort.
3.4.
In diezelfde periode zijn de voormalig eigenaren van Bodelaeke B.V. in gesprek gegaan met de Vereniging en andere individuele eigenaren om een gezamenlijke overname te bespreken. Dat heeft niet geleid tot een overname van de aandelen.
3.5.
Vervolgens is SLT Holding B.V. (hierna ‘SLT Holding’ te noemen), een houdstermaatschappij van [verweerder 1] (hierna [verweerder 1]), in beeld gekomen. SLT Holding heeft op 28 mei 2014 een derde van de aandelen in Bodelaeke overgenomen en tevens aan Bodelaeke B.V. een financiering verstrekt van circa € 50 miljoen.
3.6.
SLT Holding wordt bestuurd door [verweerder 1] en [verweerder 2] (hierna [verweerder 2]). Het bestuur van Bodelaeke B.V. wordt gevormd door SLT Holding en [verweerder 2].
3.7.
Beheermaatschappij Bodelaeke is een dochtermaatschappij van Bodelaeke B.V. en heeft tot taak het beheer en de exploitatie van de parkvoorzieningen van het resort.
3.8.
Bodelaeke Verhuur is ook een dochtermaatschappij van Bodelaeke B.V. De activiteiten van Bodelaeke Verhuur bestaan uit verhuurbemiddeling voor de verhuur van recreatiewoningen in het resort. Iedere individuele eigenaar heeft een verhuurbemiddelingsovereenkomst gesloten met Bodelaeke Verhuur.
3.9.
De individuele eigenaren van de recreatiewoningen kunnen invloed uitoefenen op het beleid van het Waterresort Bodelaeke via de Stichting Woonbelangen Bodelaeke Recreatief (hierna SWBR). Dit is geregeld via een apart orgaan van SWBR, te weten de Vergadering van Eigenaren. Hierin is elke individuele eigenaar vertegenwoordigd. SWBR is het aanspreekpunt van diverse partijen in hun contacten met de gezamenlijke eigenaren.
3.10.
De statuten van SWBR bepalen onder meer:
Artikel 3.
Doel.
1. De Stichting heeft ten doel het behartigen van de gezamenlijke belangen van de Eigenaren met betrekking tot, onder andere, het realiseren van (groot)onderhoud aan (en de vervanging van) de infrastructuur, de ondergrond en de openbare voorzieningen (…) en het creëren van een leefbaar park in meer algemene zin voor de recreatieve gebruikers van het Recreatiepark.
2. De Stichting tracht haar doel onder meer te bereiken door:
- het innen van de jaarlijks vast te stellen geldelijke bijdragen van de Eigenaren voor het bekostigen van de parkservicekosten, waaronder de kosten voor het groot onderhoud;
- het voeren van overleg omtrent de te sluiten individuele overeenkomsten tussen de Eigenaren en Beheermaatschappij Bodelaeke omtrent het te voeren beheer en overige dienstverlening;
- het voeren van overleg omtrent de te sluiten individuele overeenkomsten tussen de Eigenaren en Bodelaeke Verhuur omtrent de verhuur van recreatiewoningen op het Recreatiepark en de daarbij behorende dienstverlening;
- het voeren van overleg met Bodelaeke, Beheermaatschappij Bodelaeke en Bodelaeke Verhuur omtrent het creëren van een leefbaar park voor de recreatieve gebruikers van het Recreatiepark en voorts
- al hetgeen in de ruimste zin met één en ander verband houdt, daartoe behoort en/of daartoe bevorderlijk kan zijn.
(…)
Artikel 5.
Bestuur.
1. Het Bestuur bestaat uit vijf leden, te weten een bestuurder A, twee bestuurders B, een bestuurder C en een bestuurder D. Uiterlijk binnen vijf maanden nadat alle recreatiewoningen gelegen in het Recreatiepark door Bodelaeke zijn verkocht en geleverd, bestaat het bestuur uit een bestuurder A, drie bestuurders B en een bestuurder C.Bodelaeke zal de bestuurder D en de Stichting binnen één maand schriftelijk berichten van de verkoop en levering van de laatste recreatiewoning, waarna bestuurder D binnen één maand door het Bestuur zal worden ontslagen. Na het defungeren van de bestuurder D zal een derde bestuurder B worden benoemd (…)
2. a. De bestuurder A wordt benoemd door Beheermaatschappij Bodelaeke.
b. De bestuurders B worden benoemd door de Vergadering van Eigenaren.
c. De bestuurder C wordt benoemd door het Bestuur als onafhankelijk bestuurder (…)
d. De bestuurder D wordt benoemd door Bodelaeke.”
3.11.
Het bestuur van SWBR is op dit moment als volgt samengesteld:
Bestuurder A : [verweerder 1]
Bestuurders B : [naam 1] en [naam 2]
Bestuurder C : [naam 3]
Bestuurder D : [verweerder 2]
3.12.
De Stichting Waterbelangen Bodelaeke Permanent (hierna: SWBP) vertegenwoordigt de belangen van de eigenaren in het gezamenlijk in stand houden van de waterwegen.
3.13.
De eigenaren van de recreatiewoningen betalen voor het gebruik van de infrastructuur en de voorzieningen op het park een jaarlijkse parkservicebijdrage (hierna ‘PSB’). Het kapitaal aan de door de eigenaren jaarlijks betaalde parkservicebijdragen wordt beheerd door de Stichting Bodelaeke Kapitaal (hierna: SBK). De statuten van SBK bepalen onder meer:
(…)
Artikel 5.
Bestuur.
1. Het Bestuur bestaat uit vier leden, te weten een bestuurder A, een bestuurder B, een bestuurder C en een bestuurder D.
2. a. De bestuurder A wordt benoemd door Beheermaatschappij Bodelaeke.
b. De bestuurder B wordt benoemd door Stichting Woonbelangen Bodelaeke Recreatief.
c. De bestuurder C wordt benoemd door Stichting Waterbelangen Bodelaeke Permanent.
d. De bestuurder D wordt benoemd door het Bestuur (...)”
De plek van bestuurder C is niet ingevuld. De reden hiervoor is daarin gelegen dat de kavels die SWBP vertegenwoordigt voorheen onderdeel uitmaakten van het waterresort Bodelaeke terwijl dit nu niet meer het geval is.
3.14.
Bij de aankoop van hun recreatiewoning hebben de eigenaren zich, via de koopovereenkomst, verbonden aan de notariële akte van 14 februari 2014 (hierna ook te noemen ‘de algemene akte’). Die akte maakt integraal onderdeel uit van de koopovereenkomst. De akte bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:
Beheerder en Parkservicevergoeding.
Artikel 3.
(…)
6. Het bedrag van de Parkservicevergoeding voor een kalenderjaar wordt voor het begin van het betreffende kalenderjaar door de Beheerder per type accommodatie begroot en ter goedkeuring voorgelegd aan de Stichting Woonbelangen Bodelaeke Recreatief. Na het einde van een kalenderjaar legt de Beheerder rekening en verantwoording af aan de Stichting Woonbelangen Bodelaeke Recreatief met betrekking tot de totale onderhouds- en beheerkosten over het afgelopen kalenderjaar. Deze rekening en verantwoording zal door een accountant worden gecontroleerd en door hem worden voorzien van een verklaring dat deze rekening en verantwoording getrouw aan de werkelijkheid is.”
(…)
Verhuur/ingebruikgeving.
Artikel 8.
1. De eigenaar mag de Recreatiewoning niet verhuren anders dan door tussenkomst van een door de Vennootschap aangewezen verhuurbemiddelingsorganisatie. De Eigenaar is verplicht met deze verhuurbemiddelingsorganisatie een verhuurbemiddelingsovereenkomst te sluiten.”

4.Het geschil

4.1.
De Vereniging verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [verweerder 1] en [verweerder 2] op grond van artikel 2:298 BW Pro als bestuurder van SBK en SWBR te ontslaan;
II. te bepalen dat binnen 4 weken na de te wijzen beschikking met inachtneming van het bepaalde in de statuten van SBK tot een nieuwe bestuurder van SBK dient te zijn overgegaan met toekenning van alle wettelijke en statutaire bevoegdheden aan deze bestuurder;
III. te bepalen dat er binnen 4 weken na de te wijzen beschikking met inachtneming van het bepaalde in de statuten van SWBR tot een nieuwe bestuurder B van SWBR dient te zijn overgegaan met toekenning van alle wettelijke en statutaire bevoegdheden aan deze bestuurder;
IV. Bodelaeke B.V., Beheermaatschappij Bodelaeke B.V. en Bodelaeke Verhuur B.V. te gebieden om binnen 14 dagen na betekening van de te wijzen beschikking inzage en/of afschriften te verstrekken van alle bescheiden als genoemd in randnummer 62 van het verzoekschrift, zulks op straffe van een dwangsom;
V. [verweerders] te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
[verweerders] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de Vereniging, dan wel tot afwijzing van de verzoeken van de Vereniging met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Vereniging in de kosten en nakosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

De ontvankelijkheid van de Vereniging
5.1.
[verweerders] hebben aangevoerd dat de Vereniging niet ontvankelijk is in haar verzoeken omdat de individuele eigenaren al zijn vertegenwoordigd in de SWBR en de SBK. Voor de Vereniging zelf is binnen de geldende governance-structuur geen rol weggelegd. Ook is onduidelijk hoeveel eigenaren de Vereniging vertegenwoordigt en of zij mandaat heeft om deze procedure te beginnen, aldus [verweerders]
5.2.
De Vereniging heeft herhaald dat zij wel belanghebbende is in de zin van de artikelen 2:298 BW en 843a Rv. Zij voert aan dat in de Vereniging 75 eigenaren (90 woningen) zijn verenigd.
5.3.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 2:298 lid 1 BW Pro niet in het algemeen is vermeld wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen. Dit moet uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. [1]
5.4.
Vooropgesteld wordt dat Waterresort Bodelaeke niet is opgesplitst in appartementsrechten en dat de Vereniging niet kan worden aangemerkt als een Vereniging van Eigenaren is als bedoeld in artikel 5:124 BW Pro.
5.5.
De Vereniging heeft nagelaten om uiteen te zetten op welke gronden zij meent belanghebbende te zijn. De enkele omstandigheid dat zij stelt 75 eigenaren en 90 recreatiewoningen te vertegenwoordigen, is daartoe niet voldoende. Zo is onder meer onduidelijk gebleven voor welke eigenaren zij optreedt en hoe de Vereniging zich verhoudt tot de Vergadering van Eigenaren als orgaan van SWBR. Vast staat immers dat de belangen van alle gezamenlijke eigenaren al via de Vergadering van Eigenaren en de beide bestuurders B in de SWBR en SBK zijn vertegenwoordigd. Van een zelfstandige rol van de Vereniging binnen de zogenaamde governance-structuur van het ressort is geen sprake. Dat maakt dat onvoldoende is gebleken dat de Vereniging een voldoende eigen belang heeft bij de uitkomst van een procedure, of op andere wijze voldoende nauw betrokken is bij dit onderwerp dat zij op grond van die betrokkenheid een belang heeft om in deze procedure te verschijnen. Echter, daargelaten of de Vereniging als belanghebbende heeft te gelden, zal uit de hierna te bespreken inhoudelijke gronden blijken dat het verzoek niet toewijsbaar is.
Het verzoek tot ontslag bestuurders ex artikel 2:298 BW Pro
5.6.
De vordering van de Vereniging tot ontslag van [verweerder 1] en [verweerder 2] is gebaseerd op artikel 2:298 lid 1 BW Pro. Daarin is (onder meer) bepaald dat een bestuurder op verzoek van een belanghebbende door de rechtbank kan worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen of wegens een ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.
5.7.
De rechtbank stelt voorop dat SWBR en SBK geen partij zijn in deze procedure en dat de Vereniging niet kan worden gelijkgesteld met de hiervoor genoemde Vergadering van Eigenaren. Daargelaten of de Vereniging de onderhavige vorderingen kan instellen en wat de grondslag daarvoor is, wordt als volgt overwogen.
5.8.
Voor het ontslag van een bestuurder een hoge drempel geldt. De rechtbank moet terughoudend toetsen, want ontslag is een middel dat zwaar ingrijpt in het bestuur van SBK en SWBR en heeft verstrekkende gevolgen voor de bestuurder(s). Deze hoge drempel wordt in dit geval niet gehaald, want het is niet gebleken dat sprake is van één van de ontslaggronden zoals genoemd in artikel 2:298 lid 1 BW Pro. De rechtbank zal de door de Vereniging gemaakte verwijten hieronder per verwijt bespreken. De rechtbank merkt daarbij op dat de Vereniging met betrekking tot de door haar gemaakte verwijten in deze procedure geen onderscheid heeft gemaakt tussen SWBR en SBK.
Invulling bestuur
5.9.
De Vereniging stelt als grondslag voor haar verzoek in de eerste plaats dat [verweerders] de statuten van SBK en SWBR schenden door de statutaire doelstellingen van beide stichtingen niet na te leven en in strijd te handelen met de voorgeschreven invulling van het bestuur. De Vereniging verwijst daarbij naar de statuten van SWBR waarin is bepaald dat bestuurder D, op dit moment [verweerder 2], uiterlijk zes maanden na verkoop van alle recreatiewoningen uit functie zal treden en daarvoor in de plaats een derde bestuurder B in de plaats treedt. Volgens de Vereniging houdt [verweerder 1] de benoeming van een nieuwe bestuurder B in het bestuur van SWBR echter tegen. Ondanks dat alle recreatiewoningen zijn verkocht weigert [verweerder 2] af te treden zodat zij plaats kan maken voor een nieuw te benoemen bestuurder B. Volgens de Vereniging staat daarmee tevens vast dat [verweerder 1] en [verweerder 2] zich niet richten naar het belang van SWBR, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 2:291, derde lid, BW. [verweerders] hebben dit betwist.
5.10.
In artikel 5, eerste lid, van de statuten van SWBR het volgende is bepaald:
(…) Uiterlijk binnen vijf maanden nadat alle recreatiewoningen gelegen in het Recratiepark door Bodelaeke zijn verkocht en geleverd, bestaat het bestuur uit een bestuurder A, drie bestuurders B en een bestuurder C.Bodelaeke zal de bestuurder D en de Stichting binnen één maand schriftelijk berichten van de verkoop en levering van de laatste recreatiewoning, waarna bestuurder D binnen één maand door het Bestuur zal worden ontslagen. Na het defungeren van de bestuurder D zal een derde bestuurder B worden benoemd (…)”
5.11.
Omdat partijen twisten over de uitleg van bovengenoemd artikel dient de rechtbank de vraag hoe partijen hun verhouding contractueel hebben geregeld te beantwoorden aan de hand van ‘de Haviltex-maatstaf’. Dit is de door de Hoge Raad in zijn arrest van 13 maart 1981 [2] geformuleerde maatstaf dat het bij de uitleg van de bepalingen in een overeenkomst aankomt op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, in het licht van alle omstandigheden van het geval. Aangezien het in deze zaak om uitleg van statuten gaat, geldt in beginsel een objectieve uitleg, waarbij vooral gewicht toekomt aan de letterlijke tekst. [3]
5.12.
De rechtbank stelt vast dat de tekst van de bepaling helder is. Uit de letterlijke tekst volgt dat pas op het moment dat alle recreatiewoningen zullen zijn verkocht bestuurder D terug zal moeten treden tegen gunste van een nieuw te benoemen bestuurder B.
5.13.
De Vereniging heeft ter zitting betoogd dat deze bepaling anders moet worden uitgelegd en voert aan dat het park is afgebouwd en dat de recreatiewoningen zijn verkocht. Dat er nog woningen in het bezit van Bodelaeke B.V. zijn ligt aan het handelen van [verweerders] Zij hebben de daadwerkelijke verkoop zelf in de hand en maken geen aanstalten daartoe. Zij maken daarmee misbruik van hun bevoegdheid. De bedoeling van de opstellers van deze bepaling was dat zodra alle woningen waren verkocht, de belangen van de eigenaren beter zouden zijn vertegenwoordigd. Er is daarbij geen rekening gehouden met de situatie dat [verweerders] zelf ook eigenaar zouden blijven en dat alle macht daardoor bij één partij zou komen te liggen.
5.14.
De rechtbank volgt de Vereniging niet in haar betoog. Daargelaten dat het hier om een objectieve uitleg gaat en de Vereniging niet heeft toegelicht waarom in deze zaak een meer subjectieve uitleg zou moeten worden gehanteerd, heeft de Vereniging geen enkel aanknopingspunt gegeven voor de door haar gestelde bedoelingen van partijen ten tijde van de totstandkoming van de statuten. De rechtbank zal artikel 5 van Pro de statuten van SWBR daarom uitleggen aan de hand van de letterlijke tekst van de bepaling.
5.15.
Uitgaande van de tekst is de voorwaarde voor het defungeren van bestuurder D en het benoemen van een derde bestuurder B niet vervuld. Van een verkoop van alle recreatiewoningen is immers geen sprake. De stelling van [verweerders] dat zij momenteel nog 37 niet eerder verkochte woningen in eigendom heeft is door de Vereniging immers niet gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.
5.16.
Dat [verweerders] de verkoop van de bij haar, althans Bodelaeke B.V., in eigendom zijnde woningen frustreert, zoals door de Vereniging is betoogd, acht de rechtbank onvoldoende gebleken. [verweerders] heeft ter zitting toegelicht dat zij graag de woningen willen verkopen. De reden waarom hun woningen niet publiekelijk te koop worden aangeboden is gelegen in het feit dat er twintig recreatiewoningen van andere woningeigenaren op het park te koop staan. Zakelijk verdient het dan niet de voorkeur nog meer woningen in de verkoop te doen, omdat dat zou kunnen leiden tot een waardedaling van de recreatiewoningen op het resort, aldus [verweerders] Deze plausibele toelichting is door de Vereniging ter zitting ook niet weersproken. Dat [verweerders] de verkoop van de woningen tegenhouden teneinde een ongeoorloofde invloed te kunnen blijven uitoefenen in het bestuur van SWBR is dan ook een veronderstelling van de Vereniging waarvan de juistheid niet is komen vast te staan. De Vereniging heeft daarvoor ook geen concrete aanknopingspunten gegeven.
5.17.
Voor zover de Vereniging stelt dat [verweerders] de benoeming van nieuwe bestuurders tegenhouden door te weigeren nieuwe bestuurders te benoemen heeft zij haar bezwaren op dit punt evenmin voldoende onderbouwd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet komen vast te staan dat [verweerders] op dit punt een verwijt kan worden gemaakt. Dat geldt ook indien de Vereniging ten aanzien van SBK hetzelfde standpunt heeft willen innemen. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat [verweerders] ten aanzien van de invulling van het bestuur van SBK een verwijt kan worden gemaakt.
Tegenstrijdige belangen
5.18.
Daarnaast is er volgens de Vereniging sprake van tegenstrijdige belangen, omdat [verweerders] ten aanzien van het resort, voor wat betreft de Bodelaeke-vennootschappen, SWBR en SBK alle macht in handen hebben, terwijl zij ook eigenaar zijn van een aanzienlijk aantal recreatiewoningen op het resort. Volgens de Vereniging nemen [verweerders], ondanks die tegenstrijdige belangen, deel aan de besluitvorming en beraadslaging in al deze rechtspersonen. [verweerders] handelen volgens de Vereniging daarmee in strijd met het bepaalde in artikel 2:291, lid 6 BW, hetgeen grond vormt voor onmiddellijk ontslag als bestuurder. [verweerders] hebben dat betwist en voeren aan dat zij juist hetzelfde belang hebben als de eigenaren van de recreatiewoningen, te weten een mooi resort met een goede bezettingsgraad.
5.19.
De rechtbank stelt vast dat [verweerders] betrokken zijn bij een groot aantal entiteiten die in de governance-structuur van het resort een rol spelen (Bodelaeke B.V., Beheermaatschappij Bodelaeke, Bodelaeke Verhuur, SLT Holding, SWBR en SBK) terwijl zij zelf (indirect) ook eigenaar zijn van een aanzienlijk aantal recreatiewoningen. Dat rechtvaardigt echter niet de vaststelling dat per definitie sprake is van ontoelaatbare tegenstrijdige belangen. Van de Vereniging mag worden verwacht dat zij haar bezwaren concreet maakt en onderbouwt met voorbeelden en onderliggende stukken. Zo dient zij te specificeren waaruit in concrete situaties het tegenstrijdige belang bestaat en vervolgens bij welke besluiten [verweerders] actief hebben deelgenomen aan de besluitvorming terwijl er een tegenstrijdig belang was dat daaraan in de weg stond. Dat heeft de Vereniging echter niet gedaan, zodat niet beoordeeld kan worden welk besluit met een tegenstrijdig belang tot stand is gekomen.
5.20.
Relevant is verder dat in de statuten en de algemene akte een governance-structuur is opgenomen waarmee de eigenaren bij de aankoop van hun woningen hebben ingestemd. Uit de samenstelling van de besturen van SWBR en SBK volgt dat de bestuurders B van SWBR worden benoemd door de Vergadering van Eigenaren en bestuurder C, tevens voorzitter, onafhankelijk is. Ter zitting hebben de aanwezige bestuurders B van SWBR verklaard dat er binnen het bestuur van SWBR geen sprake is van enig conflict. Een tegenstrijdig belang kan daaruit niet worden afgeleid. Tot slot is onvoldoende gebleken van concrete besluitvorming waarbij een tegenstrijdig belang aan de orde was. De Vereniging heeft dit standpunt niet concreet kunnen maken. Daarbij staat als onweersproken vast dat bij de recente benoeming van [naam 2] als bestuurder B, [verweerders] niet hebben deelgenomen aan de beraadslaging en besluitvorming.
Taakverwaarlozing
5.21.
De Vereniging stelt in haar verzoek verder dat zij vraagtekens plaatst bij de handelwijze van [verweerders] als bestuurders van (onder meer) SWBR. De Vereniging heeft de indruk dat [verweerders] hun eigen belangen laten prevaleren boven de belangen van de (overige) eigenaren door zichzelf een voorkeursbehandeling te geven bij de verhuur van de recreatiewoningen.
5.22.
De rechtbank stelt vast dat deze vraagtekens zich niet vertalen in vaststaande, concrete verwijten. [verweerders] hebben aangevoerd dat van taakverwaarlozing door hen geen sprake is en dat zulks ook niet wordt ervaren door de overige bestuursleden. Van een conflict binnen het bestuur van SWBR is geen sprake. Daarnaast betwisten [verweerders] dat zij zich laten leiden door eigen belang. De Vereniging heeft dat verwijt vervolgens niet voldoende nader onderbouwd.
Rekening en verantwoording
5.23.
Ten slotte verwijt de Vereniging [verweerders] dat zij, ondanks meerdere verzoeken daartoe, weigeren rekening en verantwoording af te leggen omtrent de bezettingsgraad van de recreatiewoningen, het annuleringsbeleid en de financiën (met name het doorbelasten van kosten en het vaststellen van de PSB).
5.24.
De rechtbank merkt op dat de Vereniging geen grondslag heeft aangevoerd voor haar standpunt dat [verweerders] gehouden zijn om aan de Vereniging rekening en verantwoording af te leggen. Deze grondslag kan in ieder geval niet worden gevonden in artikel 3 lid 6 van Pro de algemene akte, waarin is bepaald dat rekening en verantwoording
aan SWBRdient te worden afgelegd, en evenmin in de statutaire doelomschrijving van SWBR. Het is SWBR, die de belangen van de gezamenlijke eigenaren vertegenwoordigt, en het is ook SWBR die recht heeft op rekening en verantwoording. Dat naast SWBR ook de Vereniging recht en belang heeft op rekening en verantwoording kan zonder nadere toelichting niet worden gevolgd.
5.25.
De Vereniging stelt verder dat zij vraagtekens zet bij de wijze waarop de PSB wordt aangewend of verantwoord. De rechtbank overweegt dat de PSB is bedoeld om de aan de exploitatie van het resort verbonden kosten te dragen. Door de Vereniging is niet betwist dat de begroting waarbij de PSB wordt vastgesteld vooraf ter goedkeuring aan SWBR wordt voorgelegd en dat SWBR deze begroting, die onderhevig is aan een accountantscontrole, kan goed- of afkeuren. Het is derhalve SWBR, en niet [verweerders], die de begroting goed- of afkeurt.
5.26.
De Vereniging stelt ten slotte dat zij gerede twijfels heeft bij het verhuur- en reserveringsbeleid dat [verweerders] via Bodelaeke Verhuur hanteren. Bij de leden van de Vereniging bestaat de indruk dat [verweerders] zichzelf een voorkeursbehandeling geven door hun eigen woningen, althans die van Bodelaeke, in te zetten voor verhuur ten koste van de andere eigenaren. De rechtbank stelt ook hier vast dat het gaat om niet nader onderbouwde aannames van de Vereniging die door [verweerders] gemotiveerd zijn weersproken onder meer door te verwijzen naar de door hen overgelegde presentaties in de jaarvergaderingen van SWBR in 2021, 2022, 2023 en 2024 waarbij de eigenaren desgewenst aanwezig konden zijn. In die presentaties heeft Bodelaeke B.V. aan de eigenaren een terugkoppeling gegeven van de jaarlijkse verhuurresultaten. In die presentaties wordt door Bodelaeke B.V. zelf ook geconstateerd dat het aantal boekingen achterblijft. Bodelaeke B.V. beschrijft daarbij ook welke maatregelen zij neemt om te proberen het aantal boekingen te laten toenemen. In het licht van het door [verweerders] gevoerde verweer heeft de Vereniging haar verwijt richting [verweerders] onvoldoende onderbouwd zodat ook dat verwijt geen doel treft.
Conclusie verzoek tot ontslag en benoeming nieuwe bestuurders
5.27.
Van handelen in strijd met artikel 2:291 BW Pro, meer in het bijzonder lid 3 en lid 6, is gelet op het voorgaande niet gebleken. Evenmin is gebleken dat de handelwijze van [verweerders] op dit punt een gewichtige reden in de zin van artikel 2:298, eerste lid, BW oplevert.
Het verzoek van de Vereniging om [verweerders] als bestuurders te ontslaan, alsmede de daaropvolgende verzoeken om te bepalen dat tot benoeming van een nieuwe bestuurder van SBK en SWBR dient te worden overgegaan, wordt als ongegrond afgewezen.
Het verzoek tot afgifte van stukken gericht tegen de Bodelaeke-vennootschappen
5.28.
De Vereniging stelt dat Bodelaeke B.V. richting de (potentiële) eigenaren van de recreatiewoningen op het resort steeds heeft aangegeven dat zij een hoge bezettingsgraad van de recreatiewoningen en dus een goedlopende verhuur zal kunnen realiseren terwijl inmiddels gebleken is dat de verhuurbaarheid van de woningen (zeer) beperkt is. De Vereniging voert aan dat zij de Bodelaeke-vennootschappen herhaaldelijk heeft verzocht om informatie te verstrekken waaruit volgt welke inspanningen zij hebben verricht om tot verbetering van de bezettingsgraad te komen. De Bodelaeke-vennootschappen hebben op dat verzoek niet gereageerd. De Vereniging heeft tot op heden geen deugdelijke rekening en verantwoording ontvangen ten aanzien van onder meer de bezettingsgraad, het annuleringsbeleid en de financiën, aldus de Vereniging. De Vereniging vermoedt dat [verweerders] zichzelf bij het verhuur- en reserveringsbeleid ten koste van de overige eigenaren bevoordelen door alleen hun eigen woningen in te zetten voor verhuur.
De Bodelaeke-vennootschappen hebben dit betwist en zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.
Artikel 843a (oud) Rv versus artikel 194 (nieuw) Rv
5.29.
De Vereniging baseert haar verzoek op het inzagerecht van artikel 843a Rv. Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. Het inzagerecht is nu opgenomen in de artikelen 194 e.v. Rv. Omdat de Vereniging het verzoek voor 1 januari 2025 heeft ingediend, dient het verzoek op grond van het toepasselijke overgangsrecht aan 843a Rv te worden getoetst. De rechtbank zal daarom uitgaan van de wetsartikelen zoals deze golden voor 1 januari 2025.
5.30.
Artikel 843a Rv strekt ertoe afschrift of inzage in bescheiden te verlenen die een andere partij tot zijn beschikking heeft. Voor toewijzing van de vordering moet voldaan zijn aan de volgende eisen. Het moet gaan om (i) bepaalde bescheiden, (ii) de partij die inzage of afschrift vordert moet daarbij rechtmatig belang hebben en (iii) de bescheiden moeten betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij de eiser of verzoeker partij is.
5.31.
Als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van artikel 843a Rv geldt dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet voldoende aannemelijk moet zijn. Die maatstaf stelt de rechter in staat een evenwicht te vinden tussen het belang van de Vereniging om de waarheid te kunnen achterhalen en haar bewijspositie te versterken, en het belang van de Bodelaeke-vennootschappen om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is. Die maatstaf biedt de rechter voorts voldoende ruimte om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt zal dus gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden moeten stellen en met eventueel al voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen dat voldoende aannemelijk is dat er sprake is van de door de Vereniging vermeende benadeling van de individuele eigenaren. [4]
5.32.
De rechtbank stelt voorop dat de Vereniging geen formele rol heeft in de governance-structuur en niet de bevoegdheden heeft die SWBR wel heeft. Indien en voor zover de eigenaren meer of andere informatie wensen dienen zij dit, overeenkomstig de afgesproken governance-structuur, via hun vertegenwoordigers binnen de SWBR op te vragen. Van een contractuele rechtsbetrekking tussen de Vereniging en de Bodelaeke vennootschappen is geen sprake. Daarnaast heeft Vereniging, gelet op het voorgaande en in het licht van de gemotiveerde betwisting door de Bodelaeke-vennootschappen, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die aannemelijk maken dat van de door de Vereniging gestelde bevoordeling van [verweerders] en benadeling van de Vereniging sprake is. Het vermoeden van de Vereniging – in haar eigen bewoordingen gaat het immers om “de indruk dat [verweerder 1] zichzelf een voorkeursbehandeling geeft” – is door haar op geen enkele wijze onderbouwd. Daar komt bij dat de Bodelaeke-vennootschappen ter zitting hebben aangevoerd dat er onderzoek is gedaan naar het verwijt dat [verweerders] zich bij de verhuur van woningen ten koste van de overige eigenaren zou bevoordelen maar dat uit dat onderzoek is gebleken dat zich geen benadeling heeft voorgedaan. Dat verweer is vervolgens door de Vereniging niet betwist. De “indruk” dat [verweerders] zich via de Bodelaeke-vennootschappen een voorkeurspositie hebben verschaft bij de verhuur van woningen is dus onvoldoende geobjectiveerd en onderbouwd. Tot slot is evenmin voldoende gesteld of anderszins gebleken dat de Bodelaeke-vennootschappen de eigenaren een hoge bezettingsgraad of een goede verhuurbaarheid hebben gegarandeerd.
Gelet op het voorgaande is van de vereiste rechtsbetrekking onvoldoende gebleken. Bovendien leidt de governance-structuur er toe dat evenmin sprake is van een voldoende rechtmatig belang. De Vereniging kan immers andere wegen bewandelen om informatie te verkrijgen.
5.33.
Op grond van het voorgaande strandt het inzageverzoek en zal dit verzoek worden afgewezen.
Tot slot
5.34.
De rechtbank begrijpt de wens van de eigenaren dat zij deugdelijk willen worden ingelicht over de PSB en de maatregelen die worden getroffen om te komen tot een hogere bezettingsgraad. Op grond van de governance-structuur hebben zij daar ook recht op. Uit de in het geding gebrachte stukken volgt dat de eigenaren vanuit SWBR op verschillende manieren van informatie worden voorzien. Zo brengt SWBR regelmatig informatiebulletins uit en vinden er jaarvergaderingen plaats waarin SWBR gezien de overgelegde presentaties de eigenaren op de hoogte stelt van de (financiële) ontwikkelingen op het resort waaronder ook de verhuurbaarheid van de woningen. Verder kunnen de eigenaren via de bestuurders B verzoeken indienen tot het geven van nadere informatie. Ter zitting hebben de heer [naam 1] en de heer [naam 2] ook aangeboden om met de Vereniging in gesprek te gaan om te bezien of de bij de eigenaren spelende vragen en kwesties in der minne kunnen worden besproken en zo mogelijk ook opgelost. Vervolgens heeft de Vereniging zich ter zitting ook bereid verklaard om het gesprek aan te gaan en hebben partijen daartoe een eerste stap gezet door een afspraak te maken.
Proceskosten
5.35.
De Vereniging zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verweerders] worden begroot op:
griffierecht € 714,00
salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten x € 614,00)
nakosten € 178,00 (te verhogen met het in het dictum
te vermelden bedrag)
_________
Totaal € 2.120,00
5.36.
Weliswaar hebben [verweerders] twee afzonderlijke verweerschriften, één tegen het verzoek tot ontslag en één tegen het verzoek ex artikel 843a Rv, ingediend maar het verweer had redelijkerwijs ook in één verweerschrift kunnen worden opgenomen zodat de rechtbank voor beide verweerschriften één punt aan salaris advocaat zal toekennen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de verzoeken van de Vereniging af;
6.2.
veroordeelt de Vereniging in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verweerders] begroot op € 2.120,00 verhoogd met € 92,00 in geval van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen deze termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking, dan wel, voor zover het gaat om de kosten van betekening, vanaf veertien dagen na betekening van deze beschikking aan de Vereniging;
6.3.
verklaart deze beschikking voor wat de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
De beschikking is gegeven door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026 door mr. C.A. de Beaufort.

Voetnoten

1.HR 12 oktober 2018 ECLI:NL:HR:2018:1900
2.ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Ermes/Haviltex).
4.HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251