ECLI:NL:RBOVE:2026:513

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
08.191222.25
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 175 WVW 1994Art. 179 WVW 1994Art. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor veroorzaken dodelijk verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag

Op 6 januari 2025 veroorzaakte verdachte een dodelijk verkeersongeval op de Lichtmisweg in Zwolle door met een bedrijfsauto te rijden terwijl dit verboden was, met een snelheid van circa 76 km/u, deels over de middenas van de smalle rijbaan. Hierdoor botste hij frontaal op een goed verlichte fietser, die vrijwel direct overleed aan massaal traumatisch schedelhersenletsel.

De rechtbank stelde vast dat verdachte als beginnend bestuurder in het donker en bij nat wegdek reed, terwijl de weg gesloten was voor motorvoertuigen zonder bestemming en met een maximumsnelheid van 60 km/u. Verdachte had onvoldoende aandacht voor het verkeer, zag de fietser niet en veroorzaakte het ongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

Hoewel verdachte verklaarde dat zijn neefje de telefoon vasthield, kon niet worden vastgesteld of hij zelf met zijn telefoon bezig was. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte schuld had aan het ongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994.

De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van zes maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk en een rijontzegging van twee jaar. De verdediging verzocht om een taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging. De rechtbank legde een taakstraf van 240 uren, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van drie jaar en een rijontzegging van één jaar op, rekening houdend met de ernst van het feit, het leed van de nabestaanden en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank benadrukte dat verdachte niet volledig openheid van zaken gaf en dat het leed van de nabestaanden groot is, maar vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend gezien het reclasseringsadvies en de omstandigheden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, een taakstraf van 240 uren en een rijontzegging van één jaar wegens het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.191222.25 (P)
Datum vonnis: 3 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan de [woonplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. M. Mulderij-Anker, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens [slachtoffer 1] (nabestaande van [slachtoffer 2] ) voorgedragen slachtofferverklaring.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 6 januari 2025 in Zwolle als bestuurder van een bedrijfsauto schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor [slachtoffer 2] is overleden (
primair) dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt (
subsidiair) dan wel dat verdachte zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn auto tijdig tot stilstand kon brengen (
meer subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 6 januari 2025 te Zwolle als bestuurder van een voertuig
(bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Lichtmis,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft
gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl hij beginnend bestuurder was en/of
terwijl het donker was,
- in strijd met bord C12 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990, inhoudende: “gesloten voor alle motorvoertuigen, Ma t/m Vrij
07-09h en 16-18h. "Uitgezonderd motorvoertuigen die niet sneller kunnen en
mogen dan 25 km/h en bestemmingsverkeer" de Lichtmis is ingereden en/of
- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) minimaal 75 km/uur, althans met
een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende
maximumsnelheid van 60 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere
snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met artikel 3 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet
aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- in strijd met artikel 19 van Pro voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de
afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een vanuit tegengestelde
richting dicht genaderd zijnde fietser, ten gevolge waarvan de bestuurder van die
fiets ten val is geraakt,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] )
werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 januari 2025 te Zwolle als bestuurder van een voertuig
(bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Lichtmis,
terwijl hij beginnend bestuurder was en/of
terwijl het donker was,
- in strijd met bord C12 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990, inhoudende: “gesloten voor alle motorvoertuigen, Ma t/m Vrij
07-09h en 16-18h. "Uitgezonderd motorvoertuigen die niet sneller kunnen en
mogen dan 25 km/h en bestemmingsverkeer" de Lichtmis is ingereden en/of
- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) minimaal 75 km/uur, althans met
een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende
maximumsnelheid van 60 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere
snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met artikel 3 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet
aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- in strijd met artikel 19 van Pro voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de
afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een vanuit tegengestelde
richting dicht genaderd zijnde fietser, ten gevolge waarvan de bestuurder van die
fiets ten val is geraakt,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 januari 2025 te Zwolle als bestuurder van een voertuig
(bedrijfsauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de
Lichtmis, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn
voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon
overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in
aanrijding gekomen met een vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde
fietser, ten gevolge waarvan de bestuurder van die fiets ten val is geraakt.

3.De bewijsmotivering

3.1
Inleiding
Op 6 januari 2025 heeft er omstreeks 17:40 uur een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een bedrijfsauto en een fietser op de Lichtmisweg in Zwolle. De fietser, [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), is vrijwel direct na het ongeval overleden. Verdachte wordt verweten schuldig te zijn aan het veroorzaken van dit verkeersongeval.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hij heeft daartoe betoogd dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval is ontstaan.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota – ten aanzien van het primair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat volgens de raadsvrouw geen sprake is van ‘zeer’ (maar hooguit van aanmerkelijk) onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
Vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 6 januari 2025 omstreeks 17:40 uur rijdt verdachte in een bedrijfsauto (Volkswagen Caddy) over de Lichtmisweg in Zwolle. Hij komt vanuit de richting van Rouveen en gaat in de richting van Zwolle. Verdachte rijdt vaker op de Lichtmisweg in verband met zijn werk als pakketbezorger en is dus ter plaatse goed bekend. Het neefje van verdachte zit als bijrijder bij hem in de auto.
De Lichtmisweg ligt parallel aan de A28 en bestaat uit één rijbaan die niet verdeeld is in rijstroken. De weg is bestemd voor verkeer in beide richtingen. De rijbaan is 3,6 meter breed en met inbegrip van de zogeheten ‘rammelstroken’, 4,4 meter breed. Aan beide zijden van de Lichtmisweg is een grasberm gelegen. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van zestig kilometer per uur. Langs de rijbaan van de weg is geen straatverlichting aanwezig.
Op het moment waarop verdachte op de weg rijdt is het donker. Het wegdek is nat door regenachtig weer.
Het is voor verdachte op dat moment verboden om met zijn auto over de Lichtmisweg te rijden. De weg is door middel van een geslotenverklaring (het verkeersbord C12) tussen onder andere 16:00 en 18:00 uur gesloten voor motorvoertuigen, met uitzondering van bestemmingsverkeer en motorvoertuigen die niet sneller kunnen en mogen dan 25 kilometer per uur. Verdachte is, zoals hij zelf ter zitting ook verklaart, geen bestemmingsverkeer. Dit betekent dat hij om 17:40 uur niet met de voornoemde bedrijfsauto op deze weg mag rijden. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij via deze is gereden, omdat hij de file op de A28 wilde vermijden.
[slachtoffer 2] fietst op dat moment over de Lichtmisweg vanuit de richting van Zwolle en fietst de auto van verdachte tegemoet. Uit camerabeelden blijkt dat [slachtoffer 2] goed verlicht is. De fiets van [slachtoffer 2] is voorzien van één of meerdere (voor)lampen en [slachtoffer 2] draagt reflecterende kleding en mogelijk nog een lamp op zijn kleding of helm. Hoewel [slachtoffer 2] niet zoveel mogelijk rechts op de rijbaan rijdt, bevindt hij zich – kort voor de botsing – wel op de juiste positie op de rijbaan in die zin dat er voldoende ruimte is voor tegemoetkomend verkeer. Verdachte bevindt zich daarentegen met zijn voertuig deels over de middenas van de rijbaan, waardoor er weinig ruimte is voor tegemoetkomend verkeer. Verdachte en [slachtoffer 2] naderen elkaar, maar verdachte ziet [slachtoffer 2] niet. Verdachte botst vervolgens – terwijl hij met een snelheid van ongeveer 76 kilometer per uur rijdt – met de linker voorzijde van zijn auto frontaal tegen [slachtoffer 2] en zijn fiets aan. [slachtoffer 2] wordt door de klap teruggeworpen op het wegdek. [slachtoffer 2] loopt hierdoor dermate ernstig letsel op dat hij vrijwel direct ter plaatse overlijdt. Uit het schouwverslag volgt dat [slachtoffer 2] is overleden aan massaal traumatisch schedelhersenletsel.
Uit onderzoek aan de mobiele telefoon van verdachte volgt dat er in de minuten voor en tijdens het ongeval, handelingen met de telefoon worden verricht. Zo wordt het telefoonscherm meermalen aangeraakt, wordt de applicatie Whatsapp geopend en wordt er vanaf 17:37:13 tot enkele seconden na het ongeval een telefonisch gesprek via Whatsapp gevoerd. Verdachte heeft hierover ter zitting verklaard dat zijn neefje, die als bijrijder bij hem in de auto zat, zijn telefoon in handen had tijdens de autorit.
Juridisch kader van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994
Om tot bewezenverklaring te kunnen komen van overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro 1994 moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid van verdachte. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Bewijsoverweging
Verdachte reed met zijn auto over de Lichtmisweg, terwijl hij hier op dat moment niet mocht rijden. De geslotenverklaring was door middel van een verkeersbord aangegeven, zodat verdachte daarvan had kunnen en moeten weten. Temeer nu verdachte regelmatig over de Lichtmis reed en dus ter plaatse bekend was.
Verder staat vast dat verdachte de maximumsnelheid met ongeveer 16 kilometer per uur overschreed en over de middenas van de (smalle) rijbaan reed, waardoor hij weinig ruimte liet voor tegemoetkomend verkeer. Bovendien was het donker en regende het. Deze omstandigheden hadden (in combinatie met het feit dat hij daar op dat moment niet mocht tijden) voor verdachte juist reden moeten zijn om extra voorzichtig te rijden. In plaats daarvan heeft verdachte zijn aandacht onvoldoende bij het verkeer gehad, waardoor hij [slachtoffer 2] , die hem als zeer goed verlichte fietser tegemoet kwam fietsen, niet heeft gezien.
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen of verdachte tijdens het rijden bezig is geweest met zijn telefoon of dat, zoals verdachte heeft verklaard, zijn neefje zijn telefoon tijdens de rit in handen had. Dit staat echter niet in de weg aan het oordeel dat door het handelen van verdachte een frontale botsing tussen de auto van verdachte en [slachtoffer 2] heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer 2] ten val is gekomen en is overleden. Gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is in de zin van artikel 6 WVW Pro 1994.
Met betrekking tot de mate van schuld is de rechtbank van oordeel dat de combinatie van de hierboven beschreven gedragingen van verdachte, hoewel deze grenst aan zeer onvoorzichtig rijgedrag, als aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig verkeersgedrag moet worden aangemerkt.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 6 januari 2025 te Zwolle als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Lichtmis aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl het donker was,
- in strijd met bord C12 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “gesloten voor alle motorvoertuigen, Ma t/m Vrij 07-09h en 16-18h. "Uitgezonderd motorvoertuigen die niet sneller kunnen en mogen dan 25 km/h en bestemmingsverkeer" de Lichtmis is ingereden en
- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) minimaal 75 km/uur en
- in strijd met artikel 3 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en
- in strijd met artikel 19 van Pro voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
- is gebotst tegen een vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde fietser, ten gevolge waarvan de bestuurder van die fiets ten val is geraakt,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) werd gedood.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in 175 WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
primair
het misdrijf:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht te volstaan met de oplegging van een taakstraf, zoals door de reclassering is geadviseerd in haar rapport. De raadsvrouw heeft verder verzocht om een rijontzegging in voorwaardelijke vorm op te leggen, omdat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft in verband met zijn werk en hij (na het ongeval) een cursus bij het CBR met goed gevolg heeft afgerond.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich als bestuurder van een bedrijfsauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval op de Lichtmis in Zwolle. Door onvoldoende rechts te rijden op de betreffende (smalle) ventweg en zijn aandacht onvoldoende op het verkeer te houden, heeft verdachte de zeer goed verlichte fietser ( [slachtoffer 2] ) niet gezien en heeft verdachte een frontale botsing veroorzaakt ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] is overleden. Verdachte reed ten tijde van het ongeval te hard en mocht bovendien – in verband met een geslotenverklaring – op dat moment niet met zijn auto over de Lichtmis rijden.
Door het handelen van verdachte is het slachtoffer uit het leven weggerukt en is diep en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden. Ter zitting is namens de echtgenote van [slachtoffer 2] het verdriet over het (plotselinge) verlies en het gemis van haar echtgenote en de vader en opa van haar (klein)kinderen op indringende wijze onder woorden gebracht. De rechtbank realiseert zich dat het in deze zaak onmogelijk is om een straf op te leggen die recht doet aan het leed van de nabestaanden.
Persoon van verdachte
Naast de aard en de ernst van het feit, houdt de rechtbank bij het bepalen van de straf ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft allereerst acht geslagen op het strafblad van verdachte van 5 november 2025, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Wel heeft verdachte, zo volgt uit het dossier, in de afgelopen jaren meerdere verkeersovertredingen begaan.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 11 december 2025, opgemaakt door [reclasseringswerker], reclasseringswerker. Uit het rapport volgt dat verdachte sinds ongeveer vijf jaar in Nederland verblijft, samen met een deel van zijn familie uit Syrië. Vanwege de taalbarrière en de culturele achtergrond van verdachte was het voor de reclassering lastig om een volledig beeld van verdachte te krijgen. De reclassering beschrijft dat verdachte het moeilijk vindt om over het ongeval en zijn emoties en problemen te praten. Wel is duidelijk geworden dat verdachte ten gevolge van het ongeval kampt met stress- angst- en schuldgevoelens. Ook is verdachte zijn baan als koerier kwijtgeraakt. Verdachte heeft echter geen behoefte (meer) aan hulpverlening en lijkt langzamerhand zijn leven weer op te pakken. Nu verdachte oprecht lijkt te zijn geschrokken van het ongeval en de gevolgen die het heeft gehad, wordt het risico op recidive door de reclassering als laag ingeschat. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou volgens de reclassering gevolgen kunnen hebben voor het psychosociaal functioneren van verdachte en voor het behoud van zijn huurwoning. Verdachte is bereid en in staat om een taakstraf te verrichten.
Ter terechtzitting laat verdachte eenzelfde beeld zien als door de reclassering in haar advies van hem wordt geschetst. Hij heeft een grotendeels gesloten houding en vindt het moeilijk om over het ongeval en de gevolgen daarvan te praten. Hoewel de rechtbank dit kan begrijpen en zich realiseert dat de taalbarrière en de culturele achtergrond van verdachte hier mogelijk een rol in spelen, laat het bij de rechtbank de indruk achter dat verdachte ter zitting niet volledig openheid van zaken heeft gegeven en daarmee geen volle verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit voor de nabestaanden van het slachtoffer moeilijk is.
De op te leggen straf of maatregel
Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en naar de straffen die in soortgelijke gevallen zijn opgelegd. Volgens de oriëntatiepunten is het uitgangspunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een ‘aanmerkelijke schuld’ en waarbij het slachtoffer is overleden, een taakstraf voor de duur van 240 uren en een rijontzegging voor de duur van één jaar.
Al het voorgaande overwegend, acht de rechtbank de volgende straf passend en geboden. Zij legt aan verdachte op een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar. Daarnaast zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee maanden met een proeftijd van drie jaren. Dit om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst schuldig te maken aan het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten en daarnaast ter uitdrukking van de ernst van het gepleegde feit . Mede omdat de rechtbank tot een bewezenverklaring van een lagere mate van schuld komt, legt de rechtbank – anders dan door de officier van justitie is geëist – geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 WVW Pro 1994.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair, het misdrijf:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;
-
ontzegtverdachte de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigenvoor de duur van
1 (één) jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
Buiten staat
Mr. Peper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025008523. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Ik reed op 6 januari 2025 in een bedrijfsauto, een Volkswagen Caddy, op de Lichtmis in Zwolle in de richting van Zwolle. Ik ben ter plaatse goed bekend. Ik reed regelmatig op die weg in verband met mijn (voormalig) werk als pakketbezorger. Die avond van het ongeval was ik niet aan het werk. Ik reed via de Lichtmis omdat ik de file op de A28 wilde vermijden. Ik heb de fietser niet gezien.
2.
Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeer van 16 mei 2025, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] pagina’s 43 tot en met 45, 59 tot en met 66, 68, 69, 76 en 77, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisanten:
2.1
Wegsituatie
Wij zagen dat :
  • het verkeersongeval had plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Lichtmisweg, ter hoogte van perceel 35;
  • de Lichtmisweg bestond uit één rijbaan die niet verdeeld was in rijstroken;
  • aan beide zijden van de Lichtmisweg was een grasberm gelegen;
  • de Lichtmisweg was parallel gelegen aan de A28.
2.2
Verkeersmaatregelen
Wij zagen het volgende: de maximumsnelheid bedroeg ter plaatse 60 km/u (zone) als gevolg van artikel 62 jo Pro. verkeersbord Al van bijlage 1 van het RVV 1990.
Ter plaatse waren de volgende verkeerstekens van toepassing: de Lichtmisweg was door middel van de borden C12 gesloten voor alle motorvoertuigen met de onderborden:
[Afbeelding]
[Afbeelding]
2.4
Lichtgesteldheid
Op het moment van het verkeersongeval was het donker en was het nacht , als bedoeld in artikel 1 van Pro het RVV 1990.
Wij zagen bij ons komst ter plaatse dat :
- op de plaats van het verkeersongeval, langs de rijbaan van de Lichtmisweg geen straatverlichting aanwezig was.
2.5
Weersgesteldheid
Wij zagen op later veiliggestelde videobeelden dat het op het moment van het verkeersongeval regende. Wij zagen dat het wegdek nat was.
5.2
Bepaling botspositie en botsplaats
Met gebruikmaking van de schades en de sporen aan de betrokken voertuigen, stelden wij vast dat de Vokswagen met de linker voorzijde tegen de voorzijde van de fiets en de fietser was gebotst.
5.3
Interpretatie omgevingsfactoren
Wij zagen dat het zicht op de verkeersborden niet gehinderd werd door vaste obstakels in de omgeving.
6.1
Onderzoek videobeelden
Wegkant L 2025/01/06 17:40:17 uur:
Wij zagen op de videobeelden een voertuig die wij aan de hoekige vorm, lichte kleur en zwarte strip op de zijkant , herkenden als zijnde de bij het verkeersongeval betrokken Volkswagen. Wij zagen dat de Volkswagen naderde vanuit de richting Rouveen. Wij zagen dat de koplampen aan de voorzijde licht uitstraalden. Wij zagen dat het wegdek nat was. Wij zagen dat er tussen de rechterzijkant van de Volkswagen en de rechterberm, gezien vanuit de rijrichting van de Volkswagen een deel van de rijbaan zichtbaar was.
Wegkant R 2025/01/06 17:40:16 uur:
Wij zagen op de videobeelden een persoon op een fiets die wij aan de reflecterende kleding en de vorm/plaats van de reflectiestrepen op deze kleding, herkenden als zijnde de bij het verkeersongeval betrokken fietser. Wij zagen dat de fietser naderde vanuit de richting Zwolle. Wij zagen dat de fiets was voorzien van een lamp aan de voorzijde die licht uitstraalde en mogelijk nog een lamp op de fiets of op de kleding/helm van de fietser. Wij zagen dat de kleding van de fietser reflecteerde. Wij zagen dat de fietser, gezien zijn rijrichting, aan de rechterzijde van de rijbaan fietste.
Voorgevel L 2025/01/06 17:40:17 uur:
Wij zagen op de videobeelden dat kort voor het moment van de botsing, de fietser met de reflecterende kleding duidelijk zichtbaar was in de lichtbundel van de Volkswagen.
Wij zagen vervolgens op de videobeelden dat de Volkswagen met de linker voorzijde tegen de voorzijde (frontaal) tegen de fiets en de fietser botste.
6.3
Wegbreedte/plaats op de weg
Wij zagen dat de rijbaan van de Lichtmisweg een gemeten breedte had van 3,6 meter en met inbegrip van de goten, zogenaamde "rammelstroken", 4,4 meter.
Aan de hand van een frame van de videobeelden hebben wij de positie van de Volkswagen, kort voor het moment van de botsing, gereconstrueerd om zo een indicatie te geven van de positie op de rijbaan.
Gezien de positie op de rijbaan, de breedte van de rijbaan, de schade inpassing en de breedte van de betrokken voertuigen, stelden wij vast dat :
  • de bestuurder van de Volkswagen, kort voor het moment van de botsing, niet zoveel mogelijk rechts hield en zich met zijn voertuig deels over de middenas van de rijbaan bevond, waardoor er weinig ruimte was voor tegemoetkomend verkeer;
  • de bestuurder van de fiets, kort voor het moment van de botsing, niet zoveel mogelijk rechts hield, maar zich met zijn voertuig niet over de middenas van de rijbaan bevond waardoor er voldoende ruimte was voor tegemoetkomend verkeer.
6.4
Aangevraagde tweedelijns onderzoeken
Door een collega van het team digitale ondersteuning werd onderzoek gedaan aan de mobiele
telefoon van de bestuurder van de Volkswagen. Uit dit onderzoek bleek dat deze telefoon een snelheid had geregistreerd. Kort samengevat bleek dat er omstreeks het tijdstip van het verkeersongeval, omstreeks 17:40:17 in de telefoon een snelheid van 76 km/u was geregistreerd.
3.
Het aanvullend proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeer van 16 september 2025, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , pagina 3, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisanten:
Met de bewoording “niet zoveel mogelijk rechts" bedoelen wij dat de bestuurder van de fiets niet uiterst rechts reed, maar zich wel op de juiste positie op de rijbaan bevond. Ten tijde van het verkeersongeval was er sprake van duisternis en regende het. Hierdoor was het voor
de bestuurder van de fiets ook begrijpelijk om niet uiterst rechts van de rijbaan te fietsen.
4.
Een schriftelijk bescheid, te weten het schouwverslag betreffende het slachtoffer [slachtoffer 2] van 7 januari 2025, opgemaakt door [naam] , forensisch arts KNMG, pagina 2, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Conclusie
Niet natuurlijke dood, verkeersongeval met botsing.
Doodsoorzaak: massaal traumatisch schedelhersenletsel.