3.4.2De overwegingen van de rechtbank
3.4.2.1 Medeplegen verdachte en [slachtoffer 3]
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor aan feiten en omstandigheden heeft vastgesteld, hebben verdachte en [slachtoffer 3] allebei een bijdrage geleverd die van voldoende gewicht is geweest om te concluderen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen, zoals ten laste is gelegd. In dit verband is niet relevant wie uiteindelijk daadwerkelijk de brand heeft gesticht of dat heeft geprobeerd te doen.
3.4.2.2 Gemeen gevaar voor goederen of personen
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of als gevolg van de brandstichtingen en de poging daartoe gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar
voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
Voor het kunnen vaststellen of sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen, dat zich dient uit te strekken tot andere roerende of onroerende goederen dan het goed waarin brand wordt gesticht, moeten concrete aanwijzingen zijn. De rechtbank stelt in dit verband vast dat het dossier geen proces-verbaal forensisch onderzoek, of ander geschrift, bevat, waaruit blijkt wat de exacte situatie ter plaatse was, in het bijzonder – met betrekking tot 28 mei 2025 – of er voertuigen nabij de betreffende auto stonden en – met betrekking tot 8 en 16 juli 2025 – wat de afstand was van de molotovcocktails en de auto tot de woning aan de [adres 2] en naastgelegen percelen. Ook is niet duidelijk geworden hoe lang of krachtig de aanmaakblokjes en molotovcocktails hebben gebrand of hadden kunnen branden, in hoeverre de auto hierdoor beschadigd is geraakt en of de branden zich verder hadden kunnen ontwikkelen en overslaan. Over het ontbreken van een proces-verbaal forensisch onderzoek heeft de officier van justitie tijdens de terechtzitting opgemerkt dat zij de politie hierover vragen heeft gesteld. Hierop is haar meegedeeld dat verbalisanten niet ter plaatse aanwezig waren en ook nadien niet een dergelijk proces-verbaal konden opmaken, omdat de foto’s in het dossier onvoldoende duidelijk zijn. Zij zouden daarom slechts kunnen vervallen in het verbaliseren van algemeenheden, waarbij zij zouden moeten gissen over de gevolgen. De rechtbank is van oordeel dat zij op basis van diezelfde (onduidelijke) foto’s evenmin kan vaststellen of op 28 mei 2025, 8 of 16 juli 2025 gemeen gevaar voor goederen – anders dan het betreffende voertuig – te duchten was. Dit brengt met zich dat het tenlastegelegde delictsbestanddeel gemeen gevaar voor goederen niet bewezen kan worden.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het tenlastegelegde levensgevaar voor personen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel evenmin worden bewezen. Daarvoor is, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, namelijk vereist dat kan worden vastgesteld dat dit gevaar daadwerkelijk te duchten was. Dit houdt in dat het gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat ook daarvan, wegens gebrek aan informatie hierover in het dossier, niet is gebleken.
Conclusie ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank niet bewezen wat onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd, zodat zij verdachte hiervan zal vrijspreken.
Overigens is de rechtbank van oordeel dat de brandstichtingen en de poging daartoe telkens een zeer (be)dreigende situatie voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben opgeleverd die eveneens tot vernielingen van goederen hebben geleid, maar zij constateert dat dergelijke strafbare feiten verdachte niet (subsidiair) ten laste zijn gelegd.
3.4.3De vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte heeft bekend vanaf 11 maart 2025 meerdere malen en op verschillende manieren contact te hebben gezocht met [slachtoffer 1] , aanvankelijk omdat zij hem terug wilde. Het begon met het plaatsen van liefdesbrieven onder de ruitenwisser van de auto. Daarna verstuurde ze brieven per post. Ook heeft zij in haar auto een hele nacht voor de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gepost, waarbij zij meerdere malen op de deur van die woning heeft gebonkt. Nadien namen de handelingen van verdachte in ernst en impact toe. Verdachte heeft de vader en een oom van [slachtoffer 1] in Turkije via facebookmessenger geïnformeerd dat [slachtoffer 1] vreemd zou gaan. Ook heeft zij een valse melding gedaan bij Veilig Thuis over de kinderen van [slachtoffer 2] , heeft zij via whatsapp aan een vriend van [slachtoffer 1] een screenshot gestuurd van een melding bij de FIOD over het plegen van fraude door [slachtoffer 1] en heeft zij via whatsapp een foto van een galg naar [slachtoffer 1] gestuurd met de tekst ‘die dag komt’. Verdachte heeft uiteindelijk, zoals de rechtbank hiervoor uiteen heeft gezet, meerdere malen de auto van [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] in brand gestoken of dat op z’n minst geprobeerd. Zij deed dit telkens in de nacht.
Verdachte heeft ontkend dat zij heeft geprobeerd om een telefoonabonnement af te sluiten op naam van [slachtoffer 1] en dat zij
valsemeldingen over hem heeft gedaan bij de politie, zoals ten laste is gelegd. Het dossier bevat hiervoor, behoudens de aangifte, geen bewijsmiddelen, zodat de rechtbank verdachte hiervan partieel zal vrijspreken.
Nadere overwegingen ten aanzien van het bewijs
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd. Voor een bewezenverklaring van belaging is nodig dat verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de ander, met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van meet af aan niet hebben gereageerd op de brieven van verdachte. Ook het nachtelijke posten, en daarbij bonken op de deur, heeft geen reactie bij hen uitgelokt. De politie heeft verdachte die betreffende ochtend verzocht om te vertrekken en [slachtoffer 1] met rust te laten. Het is hiermee voor verdachte duidelijk geweest, althans dat had het moeten zijn, dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geen contact met haar wilden. Naar het oordeel van de rechtbank staat gelet hierop, maar ook gezien de aard en omvang van het verdere contact, de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte vast.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van de vereiste stelselmatigheid zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte gedurende een periode van ruim vier maanden contact heeft gezocht met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door het sturen van brieven, posten en daarbij bonken op de deur en sturen van een foto via whatsapp. Niet vereist is dat elk van deze handelingen afzonderlijk op stelselmatige wijze heeft plaatsgehad, maar de contacten moeten in onderlinge samenhang worden bezien. Deze contacten waren indringend en obsessief van aard. Daarnaast heeft verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in diskrediet gebracht bij familieleden en een vriend respectievelijk bij Veilig Thuis. De branden en de poging daartoe die nadien volgden, waren zeer dreigend van aard. [slachtoffer 2] heeft in de aangifte van 7 augustus 2025 uiteengezet wat het handelen van verdachte met haar en [slachtoffer 1] heeft gedaan. Ze zijn erg angstig geworden in hun eigen woning en worden dagelijks belemmerd in hun doen en laten. Zo hebben ze last van nachtmerries en stress. [slachtoffer 2] kon zich hierdoor niet meer focussen op haar werk en is daardoor haar baan kwijtgeraakt. [slachtoffer 1] heeft, als gevolg van de stress, lichamelijke klachten.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte met haar gedrag, zoals hiervoor weergegeven, stelselmatig een grove inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
De rechtbank is van oordeel dat verdachte het oogmerk heeft gehad om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] haar handelingen te laten dulden en hen vrees aan te jagen. Immers, door het gedurende een periode van ruim vier maanden sturen van brieven en berichten en op andere wijze contact zoeken, hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] er niet voor kunnen kiezen daaraan te ontkomen. Enkele berichten, maar bovenal de brandstichtingen en poging daartoe, waren bovendien dreigend van aard.
Conclusie ten aanzien van feit 4
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de valse meldingen bij de politie en het proberen af te sluiten van een telefoonabonnement op naam van [slachtoffer 1] .
Parketnummer 08-273367-25
Aan verdachte is tenlastegelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 1º, 4º en 6º van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) door, samengevat, een vriendin genaamd [slachtoffer 3] uit te buiten door haar door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie te dwingen meerdere brandstichtingen te plegen.
Toetsingskader mensenhandel
In het ten laste gelegde wordt verdachte op meerdere onderdelen verwijten gemaakt. De rechtbank zet het kader per onderdeel uiteen.
Dwangmiddelen en handelingen (sub 1)
Het eerste onderdeel van het eerste lid van artikel 273f Sr ziet op het – door middel van een (dwang)middel – werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van de ander.
De in het eerste lid sub 1 genoemde (dwang)middelen zijn dwang, (dreiging met) geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over een ander heeft. De inzet van een dwangmiddel moet ertoe leiden dat iemand in een uitbuitingssituatie (een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schiep) belandt of dat iemand ervan wordt weerhouden zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken.
De handelingen omschreven in sub 1 (het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander) zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen. Niet is vereist dat de ander daadwerkelijk is uitgebuit.
Het verrichten van arbeid of diensten (sub 4)
Het vierde onderdeel van het eerste lid van artikel 273f Sr stelt het gebruik van iemand in een uitbuitingssituatie strafbaar. Het gaat om de situatie waarbij een ander met een dwangmiddel (dezelfde als genoemd in sub 1) wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, of waarbij onder de in sub 1 genoemde omstandigheden enige handeling wordt ondernomen waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt. Gedoeld wordt op degenen die gebruik maken van de uitbuitingssituatie van een ander, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd.
In de delictsomschrijving van dit vierde onderdeel ontbreekt de term ‘uitbuiting’ of het ‘oogmerk van uitbuiting’ als bestanddeel. Dat de verdachte met zijn gedraging(en) als bedoeld in het vierde onderdeel van het eerste lid van artikel 273f Sr het ‘oogmerk van uitbuiting’ heeft gehad, hoeft daarom niet in de bewijsvoering komen vast te staan.Die gedragingen kunnen echter pas als ‘mensenhandel’ worden gekwalificeerd als uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. ‘Uitbuiting’ moet daarom worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 4° Sr.
Het zesde onderdeel van het eerste lid van artikel 273f Sr stelt het profijt trekken uit de uitbuiting van een ander strafbaar. Voor een veroordeling is vereist dat het opzet van de dader behalve op het voordeel trekken ook (al dan niet voorwaardelijk) gericht was op de uitbuiting van een ander.Een dwangmiddel is hier niet nodig.
De vraag ten slotte of en, zo ja, wanneer sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van artikel 273f, eerste lid, Sr is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling of de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren moeten de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader worden gehanteerd.
Overwegingen van de rechtbank
Dwangmiddelen: misbruik van kwetsbare positie en overwicht
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of sprake was van een kwetsbare positie bij [slachtoffer 3] waarvan verdachte misbruik heeft gemaakt, dan wel of verdachte misbruik van [slachtoffer 3] heeft gemaakt vanuit enig overwicht dat zij op haar had.
Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 3] licht verstandelijk beperkt is en een zorgprofiel VG6 heeft. Dit houdt in dat zij intensieve begeleiding en (voortdurende) gedragsregulering nodig heeft. [slachtoffer 3] verblijft bij [zorginstelling] en ontvangt daar 24-uurs begeleiding. [begeleider] , senior begeleider bij [zorginstelling] , omschrijft [slachtoffer 3] als een heel kwetsbaar, goedgelovig en heel afhankelijk persoon.
Verdachte heeft verklaard te hebben gemerkt dat [slachtoffer 3] een achterstand heeft. Zij was zich dus bewust van [slachtoffer 3] kwetsbaarheid.
Uit het dossier, in het bijzonder het reclasseringsadvies van 14 november 2025, blijkt ten aanzien van verdachte zelf dat zij met een 95%-waarschijnlijkheidsinterval met een IQ-waarde tussen de 56 en 66, op een licht verstandelijk beperkt niveau presteert. Zij is mogelijk beïnvloedbaar door anderen en kan, door haar verstandelijke beperking, de gevolgen van haar handelen moeilijk overzien.
De rechtbank leidt hieruit af dat tussen verdachte en [slachtoffer 3] in zekere zin sprake is van gelijkwaardigheid. Dat verdachte overwicht op [slachtoffer 3] heeft gehad en hiervan misbruik heeft gemaakt, is de rechtbank niet gebleken en kan op basis van het dossier ook niet worden vastgesteld. Uit het overige in het dossier is de rechtbank evenmin gebleken dat verdachte, hoewel daarmee bekend, misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van [slachtoffer 3] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dwangmiddelen, zoals tenlastegelegd, zich hier niet voordoen.
Voor de volledigheid bespreekt de rechtbank ook of verdachte handelingen heeft verricht gericht op het uitbuiten van [slachtoffer 3] .
Verdachte en [slachtoffer 3] hebben allebei verklaard vriendinnen van elkaar te zijn. Verdachte heeft verklaard dat de vriendschap zes jaar geleden is begonnen. Ze leerden elkaar kennen via een buurman van verdachte, met wie [slachtoffer 3] een relatie had. Na het verbreken van die relatie is [slachtoffer 3] een half jaar bij verdachte komen wonen. Daarna is [slachtoffer 3] onder begeleiding van [zorginstelling] komen te staan. Verdachte en [slachtoffer 3] bleven elkaar zeer geregeld zien. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 3] altijd bij haar kwam. Soms kwam dat verdachte even niet uit en ging [slachtoffer 3] terug naar [zorginstelling] , maar dan belde [slachtoffer 3] haar al snel huilend op en kwam ze weer langs. Verdachte heeft verder verklaard dat zij [slachtoffer 3] soms vroeg om in de nacht met de auto naar het tankstation te gaan: om te tanken en om iets te eten en soms ook wat te drinken. Verdachte bracht [slachtoffer 3] nadien weer terug. Volgens [begeleider] sliep [slachtoffer 3] sinds twee maanden voor de arrestatie ook weer bij verdachte thuis.
Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat verdachte en [slachtoffer 3] al jarenlang vriendinnen zijn. Zelfs al voordat verdachte en [slachtoffer 1] met elkaar gehuwd zijn (in 2023), waren [slachtoffer 3] en zij al bevriend. Uitgesloten is dat verdachte [slachtoffer 3] destijds heeft geworven om haar zes jaren later te bewegen de branden te stichten op 28 mei 2025, en 8 en 16 juli 2025. Van het tenlastegelegde verwerven met een oogmerk van criminele uitbuiting is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Naar het oordeel van de rechtbank is van het tenlastegelegde vervoeren en overbrengen evenmin sprake. Weliswaar heeft verdachte [slachtoffer 3] op voormelde data met de auto afgezet nabij [adres 2] , de locatie van de branden, maar uit bovenstaande verklaringen blijkt dat verdachte en [slachtoffer 3] wel vaker (nachtelijke) autoritjes met elkaar maakten.
Dat geldt ook voor het tenlastegelegde huisvesten. [slachtoffer 3] sliep kort voorafgaand aan de brandstichtingen bij verdachte thuis, maar [slachtoffer 3] kwam voortdurend bij verdachte thuis en heeft een half jaar bij haar ingewoond. De rechtbank is niet gebleken dat verdachte daarbij als doel had om [slachtoffer 3] op een later moment in te zetten voor het laten plegen van brandstichtingen.
Gelet hierop kan niet worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer 3] door middel van een dwangmiddel heeft geworven, vervoerd, overgebracht en/of gehuisvest als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 1° Sr, laat staan dat de verdachte dat zou hebben gedaan met het oogmerk van uitbuiting. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het eerste onderdeel van de tenlastelegging.
Het verrichten van arbeid of diensten (sub 4)
De rechtbank heeft hierboven geoordeeld dat de tenlastegelegde dwangmiddelen niet aan de orde zijn. Om die reden alleen al kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen van het vierde onderdeel van artikel 273f Sr.
Daarbij komt dat naar het oordeel van de rechtbank van dwang, eveneens een wezenlijk bestanddeel van het vierde onderdeel, niet is gebleken. In dit verband overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij zich gedwongen voelde om de brandstichting op 28 mei 2025 te plegen. Verdachte zou tegen haar hebben gezegd dat zij haar anders zou neerschieten. Verdachte heeft dat ontkend, terwijl het dossier geen ander bewijsmiddel, bijvoorbeeld de inhoud van de chatgesprekken tussen verdachte en [slachtoffer 3] , bevat ter ondersteuning van de verklaring van [slachtoffer 3] . Uit de in het dossier aanwezige chatgesprekken blijkt ook niet van enige mate van dwang.
Dit brengt met zich dat de rechtbank verdachte ook vrijspreekt van het vierde onderdeel van
de tenlastelegging.
Resteert de vraag of verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 3] .
De rechtbank is van oordeel dat ook op deze vraag een ontkennend antwoord moet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende bewijs voor uitbuiting, laat staan dat verdachte daar financieel of enig ander voordeel uit heeft getrokken.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het tenlastegelegde niet bewezen, zodat zij verdachte hiervan zal vrijspreken.