ECLI:NL:RBOVE:2026:542

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
C/08/334630 / FA RK 25-1583
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:4 BWArt. 1:20a BWArt. 1:28 BWArt. 1:28a BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging geslachtsregistratie naar non-binair en voornaam in geboorteakte

De rechtbank Overijssel heeft op 6 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker een wijziging van de geslachtsregistratie in de geboorteakte van vrouwelijk (F) naar non-binair (X) en een wijziging van de voornaam verzocht. Verzoeker identificeert zich als non-binair en heeft een mastectomie ondergaan. Hoewel er geen wettelijke grondslag bestaat voor een non-binaire geslachtsregistratie, baseert de rechtbank haar oordeel op de aard en inhoud van het verzoek en de omstandigheden, conform een arrest van de Hoge Raad uit 2022.

De rechtbank weegt het individuele belang van verzoeker zwaar, mede gelet op recente maatschappelijke ontwikkelingen en jurisprudentie die non-binaire registratie ondersteunen. Verzoeker heeft een deskundigenverklaring overgelegd, die niet volledig voldoet aan de wettelijke eisen, maar de rechtbank acht een aanvullende verklaring niet noodzakelijk. De duurzame overtuiging van verzoeker omtrent de genderidentiteit is voldoende aangetoond.

Ook het verzoek tot wijziging van de voornaam wordt toegewezen, omdat verzoeker een zwaarwichtig belang heeft en de gewenste naam passend is. De rechtbank gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van Zwolle om de wijzigingen in de geboorteakte aan te brengen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging van geslachtsregistratie naar 'X' en wijziging van voornaam wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/334630 / FA RK 25-1583
beschikking van 6 februari 2026 van de meervoudige kamer
in de zaak van
[verzoeker],
verder te noemen: [verzoeker],
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. K.S.M. Smienk,
en
De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zwolle,
verder te noemen: de ambtenaar van de burgerlijke stand,
gevestigd te Zwolle.

1.Het procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft kennis genomen van:
- het verzoekschrift met bijlagen;
- de brief van 21 juli 2025 van de ambtenaar van de burgerlijke stand;
- de brief van 29 september 2025 van de ambtenaar van de burgerlijke stand;
- de brief van 28 december 2025 van de ambtenaar van de burgerlijke stand;
- de brief van 14 januari 2026 van mr. Smienk.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2026 plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen:
- [verzoeker], bijgestaan door mr. Smienk, en
- [naam 1] en [naam 2] namens de ambtenaar van de burgerlijke stand,

2.De feiten

[verzoeker] is geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats]. Uit de geboorteakte blijkt dat [verzoeker] staat geregistreerd als (F), oftewel: vrouwelijk.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank om bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zwolle te gelasten om aan de geboorteakte ingeschreven in het register van de gemeente Zwolle van het jaar 2000 (aktenummer [nummer]) een latere vermelding toe te voegen van wijziging van het geslacht in die zin dat het geslacht X zal zijn, en
II. te bepalen dat diens voornaam gewijzigd wordt in de voornaam [naam 3] en een ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zwolle te gelasten om deze wijziging in de geboorteakte ingeschreven in het register van de gemeente Zwolle van het jaar 2000 (aktenummer [nummer]) toe te voegen.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek onder I. stelt [verzoeker] dat die zich identificeert als non-binair en dat de administratieve wijziging van diens gegevens een belangrijke stap is in de transitie. [verzoeker] heeft een traject doorlopen bij Psychologenpraktijk De Vaart en een mastectomie ondergaan. Voor [verzoeker] is het belangrijk dat diens geboorteakte, identiteitsbewijs en officiële documenten aansluiten bij diens gevoel en dat die mag zijn wie die is. Het besluit om de geslachtsvermelding te willen wijzigen, is niet lichtzinnig genomen en [verzoeker] heeft goed nagedacht over de gevolgen van de gewenste wijziging. Toewijzing van het verzoek zal voor opluchting en rust zorgen bij [verzoeker]. Hoewel [verzoeker] zich realiseert dat een wettelijke basis ontbreekt, is die van mening dat de rechtbank aan de hand van de aard en de inhoud van het verzoek en de verdere omstandigheden moet beslissen, zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 4 maart 2022. [verzoeker] weet dat een deskundigenverklaring is vereist, maar die vindt dat overbodig omdat die zelf de enige is die kan vaststellen dat er sprake is van een non-binaire beleving. Desondanks heeft [verzoeker] een deskundigenverklaring overgelegd.
3.3.
Bij brief van 14 januari 2025 heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht de ontwikkelingen in de rechtspraak en in de politiek mee te nemen bij de verdere beoordeling van het verzoek.
3.4.
Ter onderbouwing van het verzoek onder II. stelt [verzoeker] dat er sprake is van een zwaarwegend belang om de voornaam te wijzigen. [verzoeker] gebruikt de voornaam [naam 3], die is afgeleid van de huidige voornaam, sinds 2016 en vindt deze naam meer passend bij diens (gender)identiteit. Daarnaast is de officiële voornaam bedacht door de vader van [verzoeker] met wie die geen contact heeft en is [verzoeker] vroeger gepest met de officiële voornaam.
3.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] verklaard zich bewust te zijn van de (praktische) gevolgen van het verzoek onder I., bijvoorbeeld met betrekking tot buitenlandse reizen en vragen die gesteld kunnen worden of opmerkingen die gemaakt kunnen worden bij het zien van de gewenste geslachtsaanduiding op bijvoorbeeld het identiteitsbewijs. Toewijzing van het verzoek onder I. zal ertoe leiden dat [verzoeker] voor diens gevoel volgens de wet bestaat, dat het niet langer een geheim is wie die is en dat die mag zijn wie die wil zijn. [verzoeker] hoeft dan niet meer bij elke instantie uit te leggen hoe het zit en dan wordt die niet meer aangesproken met ‘de heer’ of ‘mevrouw’.

4.Het standpunt van de ambtenaar van de burgerlijke stand

4.1.
De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft aanvankelijk te kennen gegeven te kunnen instemmen met beide verzoeken ondanks het ontbreken van een wettelijke grondslag voor het verzoek onder I. Naar aanleiding van de intrekking van het op genderkeuze betrekking hebbende wetsvoorstel en de dienaangaande gestelde prejudiciële vragen heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand het standpunt ten aanzien van het verzoek onder I. herzien. De ambtenaar van de burgerlijke stand concludeert dat er geen wettelijke grondslag is voor het verzoek onder I. en dat er – aangezien het wetsvoorstel is ingetrokken – ook geen aanleiding is om op een toekomstige grondslag vooruit te lopen. Indien de rechtbank het verzoek onder I. wel toewijst, zal de ambtenaar van de burgerlijke stand opvolging geven aan de gelasting tot het doorvoeren daarvan in de registers van de burgerlijke stand.
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand meegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van beide verzoeken. De ambtenaar van de burgerlijke stand begrijpt de wens van [verzoeker] om de werkelijkheid en de identiteit samen te brengen.

5.De beoordeling

De wijziging van de geslachtsvermelding
5.1.
De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] toewijzen en de ambtenaar van de burgerlijke stand gelasten om aan de geboorteakte van [verzoeker] een latere vermelding toe te voegen van wijziging van het geslacht, in die zin dat het geslacht X zal zijn. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot deze beslissing is gekomen.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat er op dit moment geen wettelijke grondslag bestaat voor het verzoek om de vermelding van het geslacht op de geboorteakte te wijzigen in een non-binaire geslachtsidentiteit in de vorm van een ‘X’.
5.3.
In beginsel is het aan de wetgever om een voorziening te treffen die het mogelijk maakt om een non-binaire geslachtsidentiteit op te nemen in de geboorteakte. Hoewel er eerder wel initiatief toe is genomen, is er op dit moment geen wetgevingsproces in gang en wordt dit ook niet op korte termijn verwacht. Het wetsvoorstel
tot wijziging van Boek 1 BW in verband met het veranderen van de voorwaarden voor wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte(in de volksmond: de Transgenderwet) dat op 2 juli 2025 is ingetrokken, voorzag op zichzelf niet in een ‘x’-registratie, maar had als doel om de voorwaarden van de procedure voor transgenders en intersekse personen te versoepelen. De rechtbank overweegt dat, zolang er geen wetgeving is, elke concrete zaak aan de hand van de aard en inhoud van het verzoek en de verdere omstandigheden van het geval moet worden beslist, zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 4 maart 2022. [1]
5.4.
De rechtbank Noord-Nederland heeft recent opnieuw prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad, tegen de achtergrond dat het eerder genoemde wetsvoorstel is ingetrokken. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-beantwoording van de prejudiciële vragen omdat deze kwesties raken aan waarover de wetgever rechtspolitieke, juridische en beleidsmatige keuzes moet maken. De advocaat-generaal concludeert dat de rechter een dergelijk verzoek moet beoordelen met inachtneming van de in het geding zijnde rechten van de betrokkenen en dat de rechter hierbij een afweging moet maken tussen het individuele belang van de betrokkene en het algemeen belang bij instandhouding van het wettelijke uitgangspunt van binaire geslachtsregistratie.
5.5.
De Hoge Raad heeft inmiddels uitspraak gedaan en onder verwijzing naar zijn beslissing van 4 maart 2022 afgezien van beantwoording van de prejudiciële vragen. [2] Redengevend daarvoor is dat de ontwikkelingen nadien, waaruit blijkt dat het onderwerp de aandacht van het parlement en de regering heeft behouden, de Hoge Raad geen aanleiding geven om nu anders te beslissen.
5.6.
De rechtbank zal daarom beslissen aan de hand van de aard en inhoud van het verzoek en de verdere omstandigheden van het geval. Hierbij weegt de rechtbank het belang van [verzoeker] om op de gewenste, non-binaire wijze door instanties te worden aangesproken, af tegen het algemeen belang bij instandhouding van het wettelijke uitgangspunt van binaire geslachtsregistratie. Overeenkomstig het advies van de advocaat-generaal wordt in deze afweging ook de huidige maatschappelijke tendens op dit gebied betrokken. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
5.7.
De intrekking van voormeld wetsvoorstel betekent niet dat de politieke en maatschappelijke opvattingen wat betreft de non-binaire geslachtsregistratie zijn veranderd. Dat een geslachtsneutrale registratie in Nederland steeds breder wordt aanvaard, blijkt onder meer uit het feit dat op 25 oktober 2025 zeven politieke partijen (waaronder de vier van de vijf partijen die daarna bij de verkiezingen de meeste stemmen hebben gekregen: D66, CDA, VVD en GroenLinks-PvdA) het “Regenboog Stembusakkoord 2025” hebben ondertekend. Daarin is het voornemen opgenomen voor een wettelijke mogelijkheid om zonder tussenkomst van de rechter de geslachtsvermelding in officiële documenten (zoals het paspoort) te wijzigen naar een 'X' op dezelfde wijze als nu mogelijk is van V naar M of andersom.
5.8.
Ook de recente jurisprudentie van feitenrechters getuigt van een consistente lijn waarin verzoeken tot wijziging van de geslachtsregistratie naar een non-binaire aanduiding worden toegewezen. De toewijzende beslissingen die in de laatste maanden zijn genomen worden gebaseerd op analoge toepassing van artikel 1:28 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW), op artikel 10 van Pro de Grondwet, artikel 1, lid 2 van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb), artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), artikel 1, lid 2 van Protocol nr. 12 bij het EVRM, artikel 17 en Pro 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), alsmede op jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
5.9.
De rechtbank beoordeelt het verzoek van [verzoeker] met analoge toepassing van artikel 1:28 e.v. BW, welke artikelen zien op personen die de overtuiging hebben tot het 'andere' geslacht te behoren. Dat deze artikelen geen ruimte bieden voor een non-binaire registratie, levert naar het oordeel van de rechtbank een ongerechtvaardigd en ongeoorloofd onderscheid op tussen personen die zich identificeren met het 'andere' (binaire) geslacht en personen, zoals [verzoeker], die de overtuiging hebben buiten de categorieën mannelijk of vrouwelijk te vallen. Dit onderscheid is in strijd met artikel 26 van Pro het IVBPR en artikel 1, lid 2 van Protocol nr. 12 bij het EVRM.
5.10.
Op grond van artikel 1:28a BW moet bij een verzoek om wijziging van het geslacht naar het andere geslacht in de geboorteakte een deskundigenverklaring worden overgelegd. Bij analoge toepassing van dit artikel op situaties waarin iemand zich identificeert als non-binair, is in beginsel dus een deskundigenverklaring vereist. Die verklaring houdt in dat de betrokkene bij de deskundige heeft verklaard de overtuiging te hebben een genderneutraal geslacht te hebben en jegens de deskundige er blijk van heeft gegeven diens voorlichting omtrent de reikwijdte en de betekenis van deze staat te hebben begrepen en de wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte weloverwogen te blijven wensen. Uit het “Besluit aanwijzing deskundigen transgenders” blijkt dat er maar enkele deskundigen zijn aangewezen die de verklaring mogen afgeven. Als deskundigen bedoeld in artikel 1:28a BW worden aangewezen de artsen en psychologen die verbonden zijn aan:
– het Kennis- en Zorgcentrum voor genderdysforie van het Amsterdam Universitair Medische Centra (Amsterdam UMC) te Amsterdam,
– het expertisecentrum Geslacht & Gender van het Radboud universitair medisch centrum (Radboud UMC) te Nijmegen,
– het Genderteam van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) te Groningen, en
– het Genderteam van het Curium en Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) te Leiden.
5.11.
[verzoeker] heeft een verklaring overgelegd van 13 juni 2025 van drs. A.O. Man, psychotherapeut specialist genderidentiteitsproblematiek, waarin drs. Man heeft verklaard [verzoeker] overeenkomstig het protocol deskundigen te hebben voorgelicht en dat [verzoeker] er blijk van heeft gegeven deze voorlichting te hebben begrepen en de wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van de geboorte weloverwogen te blijven wensen.
In de verklaring heeft Man vermeld dat hij is aangewezen als deskundige in de zin van artikel 1:28a BW, maar van een verbondenheid van drs. Man met de in het Besluit aanwijzing deskundigen transgenders genoemde instanties is de rechtbank niet gebleken. De verklaring van drs. Man kwalificeert daarom niet als een deskundigenverklaring in de zin van artikel 1:28a BW. Naar het oordeel van de rechtbank staat dit echter niet in de weg aan toewijzing van het verzoek. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 12 juni 2003 [3] , waarin het EHRM bevestigde dat het recht op genderidentiteit en persoonlijke ontwikkeling een fundamenteel element van artikel 8 EVRM Pro vormt en genderidentiteit één van de meest intieme aspecten van het privéleven en één van de meest wezenlijke elementen van zelfbeschikking vormt. De eis om een deskundige (en dan ook nog slechts een in het besluit gemelde) de genderidentiteit te laten vaststellen is daarmee niet goed te verenigen. De rechtbank weegt verder mee dat uit het onderzoek dat in opdracht van de overheid is uitgevoerd naar de huidige wet, het volgende naar voren is gekomen: “Zorgverleners menen dat de duurzame overtuiging van iemand om tot het andere geslacht te horen niet is vast te stellen, terwijl de toegevoegde waarde van de verstrekte informatie en het consult niet altijd duidelijk is”. Daarbij komt dat er een lange wachttijd is voor deze verklaring door de door de wet aangewezen deskundigen, terwijl non-binaire personen vaak al wel over een langere periode hebben gesproken met andere deskundigen, zoals de eigen huisarts, een psycholoog en/of psychiater (zoals in ook hier het geval is). Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank geen aanleiding ziet om een nadere deskundigenverklaring te verlangen.
5.12.
De rechtbank beoordeelt dus aan de hand van de stukken en de tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting of [verzoeker] het besluit tot wijziging weloverwogen heeft genomen.
5.13.
Op grond van de stukken en hetgeen [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht is de rechtbank van oordeel dat er bij [verzoeker] sprake is van een duurzame overtuiging omtrent de genderidentiteit en dat het besluit om wijziging van de geboorteakte te verzoeken, weloverwogen is genomen. [verzoeker] herkent zich niet in de duiding van ‘vrouw’ zoals op diens geboorteakte staat. Non-binair is de identiteit van [verzoeker] en hoe die zich voelt. De overtuiging non-binair te zijn, bestaat bij [verzoeker] al geruime tijd en wordt door [verzoeker] in woord en daad uitgedragen in contact met derden. Toewijzing van het verzoek zorgt bij [verzoeker] voor de erkenning dat die mag zijn wie die is. Dat is voor ieder mens van grote waarde en weegt dus zwaar. De aanduiding ‘X’ leidt ertoe dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming is met diens innerlijke genderbeleving. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] een voldoende zwaarwichtig belang dat de geboorteakte in overeenstemming wordt gebracht met diens non-binaire genderidentiteit. Het weigeren van een registratie die aansluit bij deze innerlijke overtuiging zou een schending opleveren van artikel 8 EVRM Pro. Het EHRM heeft al in 2003 [4] geoordeeld dat het recht op genderidentiteit en persoonlijke ontwikkeling een fundamenteel element vormt van artikel 8 EVRM Pro. Genderidentiteit wordt beschouwd als een van de meest intieme aspecten van het privéleven en als een essentieel onderdeel van het zelfbeschikkingsrecht.
5.14.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, valt de belangenafweging uit in het voordeel van [verzoeker]. Diens individuele belang bij erkenning van de identiteit weegt zwaarder dan het belang van instandhouding van een binaire geslachtsregistratie.
De wijziging van de voornaam
5.15.
Artikel 1:4 lid Pro 4, eerste en tweede volzin, BW bepaalt dat op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijziging van de voornaam kan worden gelast door de rechtbank. De wijziging geschiedt doordat van de beschikking een latere vermelding aan de akte van geboorte wordt toegevoegd, overeenkomstig artikel 1:20a lid 1 BW. Voor een dergelijke wijziging moet een voldoende zwaarwichtig belang bestaan.
5.16.
De rechtbank overweegt dat voornamen een middel zijn om personen binnen hun
familie en in het maatschappelijk verkeer te identificeren. Daarom vallen voornamen onder het begrip ‘privéleven en familie- en gezinsleven’ in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Voor een wijziging van de voornaam zoals verzocht moet voldoende zwaarwichtig belang bestaan. Het persoonlijk belang van de betrokkene dient afgewogen te worden tegen het belang dat het rechtsverkeer heeft bij een zo hoog mogelijke mate van consistentie in namen. Bepalend bij de vraag of een weigering om een bepaalde voornaam toe te kennen een ongerechtvaardigde inmenging oplevert, is de mate van ongemak of overlast die de betrokkene hiervan ondervindt. Daarbij dienen alle feiten en omstandigheden te worden meegewogen, waaronder ook de vraag of het voor de betrokkene feitelijk toch mogelijk is de gewenste voornamen te voeren.
5.17.
De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat die een zwaarwichtig belang heeft bij de verzochte wijziging van de voornaam. [verzoeker] heeft dat in het verzoek voldoende onderbouwd gesteld en een en ander wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand ook niet betwist.
5.18
De rechtbank is van oordeel dat de door [verzoeker] genoemde feiten en
omstandigheden zwaarder wegen dan het maatschappelijk belang bij een zo hoog mogelijke mate van consistentie in namen. Nu de door [verzoeker] gewenste voornaam geoorloofd is naar de maatstaven van artikel 1:4, lid 2 BW, zal de rechtbank het verzoek toewijzen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zwolle om aan de geboorteakte ingeschreven in het register van de gemeente Zwolle van het jaar 2000 (aktenummer: [nummer]) een latere vermelding toe te voegen van wijziging van het geslacht in die zin dat het geslacht X zal zijn;
6.2.
gelast wijziging van de voornaam van
[verzoeker], geboren in [geboorteplaats] op
[geboortedatum] 2000, in die zin dat deze na wijziging zal luiden:
[naam 3];
6.3.
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zwolle de latere vermelding aan de geboorteakte van het jaar 2000, met aktenummer [nummer], toe te voegen.
6.4.
draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking -en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld- een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zwolle.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Koene, M. van Bruggen en A.M. Mensink en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026 in tegenwoordigheid van J.C. Bouman, griffier.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
a.
a) door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b) door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Hoge Raad 4 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:336.
2.Hoge Raad, 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1959.
3.EHRM 12 juni 2003, ECLI:EC:ECHR:2003:0612JUD003596897, [naam 4]-Duitsland.
4.EHRM 12 juni 2003, ECLI:EC:ECHR:2003:0612JUD003596897, [naam 4]-Duitsland.