ECLI:NL:RBOVE:2026:546

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
ak_25_1175
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Huisvestingsverordening Deventer 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen invordering dwangsom wegens onzelfstandige bewoning

De zaak betreft de invordering van een dwangsom van € 3.000,- door het college van burgemeester en wethouders van Deventer wegens het niet naleven van een last onder dwangsom. De eigenaar van een pand aan een adres in Deventer was gelast om de onzelfstandige bewoning door meer dan twee personen te staken, maar toezichthouders constateerden dat zes personen in het pand verbleven zonder dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.

De eigenaar voerde aan niet op de hoogte te zijn geweest van het tijdelijke verblijf van twee extra bewoners en beriep zich op het vertrouwensbeginsel met betrekking tot een vermeende toelating van tijdelijk verblijf tot drie maanden. De rechtbank oordeelde dat de eigenaar als eigenaar beschikkingsmacht heeft over het gebruik van het pand en dat het niet op de hoogte zijn van de overtreding niet ontslaat van aansprakelijkheid.

Verder werd het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen omdat geen toezeggingen of beleidsregels bestonden die tijdelijk verblijf tot drie maanden toestonden. De rechtbank concludeerde dat het college terecht tot invordering van de dwangsom is overgegaan en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van de eigenaar tegen de invordering van de dwangsom wordt ongegrond verklaard en de invordering van € 3.000,- blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1175

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser, hierna: [eiser]

en
het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de invordering van € 3.000,- vanwege het niet voldoen aan een opgelegde last onder dwangsom. Volgens het college is het pand, waarvan [eiser] de eigenaar is, nog steeds onzelfstandig bewoond door zes personen, terwijl [eiser] was gelast om de onzelfstandige bewoning door twee of meer personen in het betreffende pand te staken en gestaakt te houden. [eiser] is het niet eens met de invordering. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op goede gronden tot invordering is overgegaan. [eiser] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Bij besluit van 29 oktober 2024 heeft het college beslist om vanwege het niet voldoen aan de last onder dwangsom het verbeurde bedrag van € 3.000,- bij [eiser] in te vorderen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 25 februari 2025 op het bezwaar is het college bij dat besluit gebleven.
1.2.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. [eiser] is zonder bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding
2. [eiser] is eigenaar van het pand aan de [adres].
2.1.
Toezichthouders hebben op 17 april 2023 en 20 juli 2023 geconstateerd dat het pand aan de [adres] is omgezet naar onzelfstandige woonruimte. Tijdens de controle op 17 april 2023 waren elf bewoners in het pand aanwezig en verklaard werd dat zij met twaalf personen in het pand woonden. Het college heeft op basis van de processen-verbaal van deze controles geconcludeerd dat sprake was van onzelfstandige bewoning, omdat de bewoners van de woning geen gezamenlijke huishouding voerden, de bewoners afzonderlijke kamers hadden en de aanwezige voorzieningen deelden. Het college heeft geconstateerd dat, omdat voor het pand geen omzettingsvergunning aan [eiser] was verleend, hij in overtreding was.
2.2.
Het college heeft daarop bij besluit van 11 augustus 2023 een last onder dwangsom aan [eiser] opgelegd en hem gelast om zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na de verzenddatum van dat besluit, de onzelfstandige bewoning aan de [adres] te staken en gestaakt te houden. [eiser] kan dit doen door de onzelfstandige bewoning terug te brengen tot maximaal twee personen (hiervoor geldt geen vergunningsplicht), door het pand terug te brengen naar één zelfstandige woonruimte (één duurzame gemeenschappelijke huishouding) of de bewoning van het pand geheel te doen staken. In de last onder dwangsom is vermeld dat, indien [eiser] na afloop van de genoemde begunstigingstermijn niet of niet geheel heeft voldaan aan deze last, hij een dwangsom verschuldigd is. De hoogte van de dwangsom is vastgesteld op een bedrag van € 3.000,- per geconstateerde overtreding per maand of een gedeelte daarvan met een maximum van € 15.000,-.
2.3.
[eiser] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het dwangsombesluit van 11 augustus 2023 zodat dit besluit onherroepelijk is.
2.4.
Met ingang van 4 november 2023 heeft [eiser] de woning aan de [adres] verhuurd aan het gezin Mihov, bestaande uit een man, een vrouw en twee kinderen.
2.5.
Op 13 september 2024 hebben toezichthouders van de gemeente Deventer een (her)controle uitgevoerd in het pand aan de [adres]. Van deze controle is op 19 september 2024 een proces-verbaal opgesteld.
2.6.
Naar aanleiding van de controle op 13 september 2024 heeft het college bij brief van 26 september 2024 aan [eiser] laten weten dat hij op 13 september 2024 van rechtswege een dwangsom van € 3.000,- heeft verbeurd en dat het college het voornemen heeft om het bedrag van € 3.000,- in te vorderen.
2.7.
[eiser] heeft tegen dit voornemen een zienswijze ingediend.
2.8.
Het college is vervolgens overgegaan tot de besluitvorming, zoals beschreven onder het procesverloop.
Het bestreden besluit
3. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat tijdens een controle op 13 september 2024 door toezichthouders is geconstateerd dat de woning aan de [adres] onzelfstandig werd bewoond door zes personen. Het gaat hierbij om een gezin van vier personen en twee andere personen, te weten de schoonzus en de neef van een van de bewoners. Volgens het college is hierdoor van rechtswege een eerste dwangsom verbeurd. Volgens het college blijkt uit het proces-verbaal van 19 september 2024 dat ten aanzien van de twee andere personen een van de bewoners niet heeft verklaard dat sprake is van logés, noch dat zij korter dan drie maanden in de woning zouden verblijven. Uit de verklaringen blijkt wel dat er zes personen in het pand woonachtig zijn en dat in ieder geval de neef in Nederland werkt. Volgens het college is geen sprake van logés of 'op bezoek komen' door de schoonzus en de neef. De zes personen vormen geen duurzame, gemeenschappelijke huishouding. Er is sprake van een overtreding omdat er niet aan de last onder dwangsom van 11 augustus 2023 is voldaan, aldus het college.
Overwegingen
4. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) dat bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [1]
5. Op 13 september 2024 hebben toezichthouders van de gemeente Deventer een inspectie uitgevoerd op het perceel [adres]. Uit het proces-verbaal van deze inspectie volgt dat door één van de bewoners is verklaard dat er zes personen wonen in het pand. Verklaard is verder dat, naast de vier ingeschreven personen, de schoonzus en de neef sinds de maand augustus in het pand verblijven. Tot slot is verklaard dat zij een paar maanden zullen blijven, mogelijk tot het einde van het jaar en dan weer terugkeren naar Bulgarije.
6. Op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening Deventer 2022 wordt onder huishouden verstaan: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woonruimte hebben en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen gaan voeren.
7. De rechtbank is van oordeel dat op 13 september 2024 niet voldaan werd aan de last onder dwangsom. Ten tijde van de controle op 13 september 2024 verbleven zes personen in het pand aan de [adres] en voerden deze personen geen duurzame gemeenschappelijke huishouding. Dit blijkt uit de verklaring van een van de bewoners maar ook, zoals door het college naar voren is gebracht, uit het feit dat één kamer werd bewoond die kon worden afgesloten met een hangslot en uit het feit dat twee personen niet op het adres stonden ingeschreven. [eiser] heeft ook niet gesteld dat ten aanzien van de zes personen wel sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
8. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet op de hoogte was van het tijdelijke verblijf van de neef en de schoonzus vanaf eind augustus 2024 en dat dit door de huurders niet was aangegeven.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat [eiser] niet op de hoogte was van dit tijdelijke verblijf, niet betekent dat [eiser] geen dwangsom heeft verbeurd. Hierbij acht de rechtbank van belang dat [eiser] eigenaar is van het pand en dat de overtreding direct verband houdt met de wijze waarop de woning wordt gebruikt. Een woningeigenaar kan in de regel beschikken over de wijze van gebruik van zijn woning, ook als hij deze heeft verhuurd. [eiser] heeft als eigenaar van de woning beschikkingsmacht over het gebruik van de woning. Dit betekent dat, zelfs als [eiser] niet op de hoogte was geweest van de extra bewoners, hij het wederrechtelijke gebruik van de woning heeft aanvaard door niet de zorg te betrachten die in redelijkheid van hem als eigenaar kon worden gevraagd met het oog op het voorkomen van de overtreding. [2] [eiser] heeft niet weten te voorkomen dat er meer mensen dan het gezin Mihov in het pand woonden. Anders dan [eiser] heeft betoogd, kan hij naar het oordeel van de rechtbank wel als overtreder worden aangemerkt. Dat er mogelijk ook andere overtreders zijn, doet hier niet aan af.
9. [eiser] heeft verder betoogd dat hij erop mocht vertrouwen dat het toegestaan is om logés korter dan drie maanden verblijf te bieden. Volgens [eiser] heeft hij van een handhavingsmedewerker gehoord dat tijdelijk verblijf van korter dan drie maanden feitelijk is toegestaan.
9.1.
Wie zich op het vertrouwensbeginsel beroept, moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe [3] .
9.2.
Het college heeft betwist dat de betreffende handhavingsmedewerker heeft gezegd dat tijdelijk verblijf van korter dan drie maanden feitelijk is toegestaan. Er is navraag gedaan bij deze handhavingsmedewerker en deze heeft ontkend dit gezegd te hebben. Het college heeft verder toegelicht dat de door [eiser] genoemde termijn van drie maanden geen wettelijke basis heeft en ook niet wordt gebruikt in het beleid van de gemeente Deventer. Er is geen regel die stelt dat kort verblijf tot drie maanden is toegestaan. Een dergelijke regel was er niet in het verleden en is er volgens het college ook op dit moment niet. De rechtbank stelt vast dat [eiser] geen onderbouwing heeft gegeven van het door hem gestelde. Onder deze omstandigheden heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat van de kant van het college is toegezegd dat een verblijf als logé binnen de termijn van drie maanden is toegestaan. Het beroep van [eiser] op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt en dat de invordering van het bedrag van € 3.000,- in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 december 2025 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2025:6163.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2023 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2023:2501.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 november 2025 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2025:5624.