ECLI:NL:RVS:2025:6163

Raad van State

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
202400218/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake invordering van verbeurde dwangsom door college van burgemeester en wethouders van Lisse

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, waarin het beroep tegen de invordering van een verbeurde dwangsom van € 50.000,- door het college van burgemeester en wethouders van Lisse ongegrond werd verklaard. De dwangsom was opgelegd omdat [appellant], eigenaar van een pand in Lisse waar een hotel is gevestigd, niet voldeed aan een last onder dwangsom. Deze last was opgelegd omdat het pand niet als hotel werd gebruikt, maar als huisvesting voor arbeidsmigranten, wat in strijd was met het bestemmingsplan. De rechtbank oordeelde dat het college terecht de dwangsom had ingevorderd, ondanks de bezwaren van [appellant]. Tijdens de zitting op 5 december 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de zaak behandeld. [appellant] voerde aan dat de rechtbank niet had ingegaan op zijn argumenten over de begunstigingstermijn en de omstandigheden van de invordering. De Afdeling oordeelde echter dat de rechtbank deze argumenten wel degelijk had besproken en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering op de invordering rechtvaardigden. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en het college werd niet verplicht om proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202400218/1/R3.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 november 2023 in zaak nr. 22/1072 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Lisse.
Procesverloop
Bij besluit van 26 juli 2021 heeft het college een door [appellant] verbeurde dwangsom van € 50.000,- ingevorderd.
Bij besluit van 27 januari 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. ing. E.W.M. Aalsma, advocaat in Zaandam, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. van Werkhoven en mr. L. Elderhorst, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] is eigenaar van het pand aan de [locatie] in Lisse. In het pand is een hotel gevestigd. Bij besluit van 16 september 2020 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd, omdat uit controles door toezichthouders van de gemeente is gebleken dat het pand niet als hotel wordt gebruikt, maar dat daarin arbeidsmigranten zijn gehuisvest. Dit is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan. [appellant] is gelast om de overtreding vóór 15 oktober 2020 te beëindigen en beëindigd te houden. Voldoet hij niet aan de last, dan verbeurt hij een dwangsom van € 150.000,- ineens.
2.       [appellant] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hangende de bezwaarprocedure heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag gevraagd het besluit van 16 september 2020 te schorsen. De voorzieningenrechter heeft het besluit op 8 oktober 2020 bij wijze van ordemaatregel geschorst totdat uitspraak is gedaan op het verzoek. In de uitspraak van 17 november 2020 heeft de voorzieningenrechter het voorlopige oordeel gegeven dat de last onder dwangsom terecht is opgelegd, maar dat de opgelegde dwangsom te hoog is. De voorzieningenrechter heeft de dwangsom bij wijze van voorlopige voorziening op € 50.000,- ineens gesteld. Bij besluit van 8 februari 2021 heeft het college vervolgens op het bezwaar beslist, het besluit van 16 september 2020 herroepen voor zover dat betrekking heeft op de hoogte van de dwangsom en bepaald dat [appellant], voor zover thans van belang, een dwangsom verbeurt van € 50.000,- ineens als de overtreding niet voor 15 oktober 2020 is beëindigd en beëindigd is gehouden. Hiertegen heeft [appellant] geen beroep ingesteld, zodat het besluit van 8 februari 2021 in rechte vaststaat.
Bestreden besluitvorming en uitspraak van de rechtbank
3.       Op 7 december 2020 hebben toezichthouders van de gemeente het pand nogmaals bezocht. Uit hun bevindingen blijkt volgens het college dat het pand nog steeds voor de huisvesting van arbeidsmigranten wordt gebruikt en dat de overtreding dus op dat moment niet was beëindigd. Bij besluit van 26 juli 2021 heeft het college [appellant] laten weten dat de dwangsom van € 50.000,- is verbeurd en heeft het college deze dwangsom ingevorderd. Dit besluit heeft het college in bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft het hiertegen gerichte beroep ongegrond verklaard.
4.       [appellant] heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld.
Hoger beroep
5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet is ingegaan op zijn betoog dat het college onzorgvuldig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door in het besluit van 8 februari 2021 een begunstigingstermijn te handhaven die in het verleden ligt en daarbij ook geen rekening te houden met het feit dat de overtreding op 10 december 2020 al was beëindigd. Volgens [appellant] had hij uit de uitspraak van de voorzieningenrechter ook niet hoeven begrijpen dat de begunstigingstermijn op 15 oktober 2020 eindigde, nu dat niet uit die uitspraak blijkt.
5.1.    Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft dit betoog wel degelijk gemotiveerd besproken. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling hiervan in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.1 tot en met 4.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen, behalve in uitzonderlijke gevallen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1183). Van een uitzonderlijk geval is geen sprake, zodat de gronden van [appellant] die betrekking hebben op de begunstigingstermijn ook daarom niet kunnen slagen.
6.       [appellant] betoogt verder, onder verwijzing naar de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152, dat de rechtbank heeft miskend dat de invordering onevenredig is, nu hij binnen de beschikbare mogelijkheden tot herhuisvesting is overgegaan en contact heeft gehad met de betrokken ambtenaar van de gemeente. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom er geen beroep kan worden gedaan op misbruik van bevoegdheid aan de kant het college danwel overmacht aan zijn kant, aldus [appellant].
6.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien (zie onder meer de uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:309). Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de omstandigheden dat [appellant] zijn best heeft gedaan om binnen de begunstigingstermijn aan de last te voldoen en dit ook aan een medewerker van de gemeente heeft laten weten, geen bijzondere omstandigheden zijn. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat [appellant] kort na de controle alsnog aan de last heeft voldaan. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat de controle drie weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter plaats heeft gevonden en dat [appellant] daarmee feitelijk een veel langere begunstigingstermijn heeft gekregen.
Ook dit betoog slaagt niet.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ouwehand
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
752