ECLI:NL:RBOVE:2026:57

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
ak_25_365
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verrekening van uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven

In deze zaak heeft de rechtbank Overijssel geoordeeld over een beroep van eiseres tegen de verrekening van een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Eiseres, de nabestaande van een zus die om het leven is gekomen door een geweldsmisdrijf, had een uitkering ontvangen van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) voor zowel immateriële schade als uitvaartkosten. Na een schadevergoeding van de dader in het strafproces, heeft de CSG een deel van de uitkering verrekend met deze schadevergoeding. Eiseres was het hier niet mee eens en stelde dat de verrekening onterecht was, omdat de uitvaartkosten niet in de schadevergoeding waren betrokken. De rechtbank heeft de zaak behandeld en geconcludeerd dat de CSG in dit geval rechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank oordeelde dat de CSG mocht verrekenen en dat de belangen van eiseres niet onevenredig waren geschaad. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, wat betekent dat eiseres geen gelijk kreeg en geen vergoeding van proceskosten ontving.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/365

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

(gemachtigde: mr. S.M. Diekstra),
hierna: [eiser]
en

de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven,

hierna: de CSG.

Samenvatting

1. De CSG heeft aan [eiser] een uitkering toegekend uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven als nabestaande van haar zus, die om het leven is gekomen door een geweldsmisdrijf. Die uitkering betrof enerzijds een deel immateriële schadevergoeding en anderzijds een deel materiële kosten die zagen op uitvaartkosten. [eiser] heeft zich daarna in het strafproces tegen de dader gevoegd als benadeelde partij en een verzoek om schadevergoeding ingediend. De strafrechter heeft dat verzoek gehonoreerd en ten laste van de dader aan [eiser] een schadevergoeding toegekend. Vervolgens heeft de CSG een gedeelte van de door haar gedane uitkering, te weten het deel dat ziet op uitvaartkosten, verrekend met de schadevergoeding die de dader aan [eiser] heeft betaald. [eiser] is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe aan dat de verrekening door de CSG onterecht is geweest omdat de door de CSG toegekende uitkering een deel van de uitvaartkosten betreft dat niet in de schadevergoeding is betrokken die door de dader of een derde vergoed is. Er is dus geen sprake van overcompensatie zoals de CSG stelt. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank het besluit van de CSG om tot verrekening over te gaan.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat de CSG in het geval [eiser] mocht verrekenen en ook in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot verrekening van de eerder aan [eiser] toegekende uitkering met de door de dader betaalde schadevergoeding. [eiser] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en procesverloop

2.1.
De zus van [eiser] is op [overlijdensdatum] 2021 in Almelo door een geweldsmisdrijf om het leven gekomen.
2.2.
[eiser] heeft op 18 november 2021 als nabestaande een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: het Schadefonds), deels vanwege de uitvaartkosten van haar zus. Zij heeft de aanvraag onderbouwd met facturen van de begrafenis van in totaal € 4.714,-.
2.3.
Met het besluit van 6 december 2021 heeft de CSG de aanvraag van [eiser] toegewezen en een uitkering van € 9.714,- aan haar toegekend, waarvan € 5.000,- aan immateriële schade en € 4.714,- voor de gemaakte uitvaartkosten.
2.4.
Met het besluit van 18 november 2024 (het primaire besluit) heeft de CSG de schadevergoeding van € 10.730,85 die de dader aan [eiser] moet betalen verrekend met de uitkering van € 4.714,- die de CSG al aan haar verstrekt had.
2.5.
[eiser] heeft tegen dit verrekeningsbesluit bezwaar gemaakt.
2.6.
Met het besluit van 11 december 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van [eiser] is de CSG bij de verrekening van de uitkering voor de uitvaartkosten met de schadevergoeding van de dader gebleven.
2.7.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De CSG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hierbij was de gemachtigde van [eiser] aanwezig en de CSG heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam].

Het bestreden besluit

3. Bij het bestreden besluit heeft de CSG het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. Volgens de CSG mag [eiser] de uitkering van het Schadefonds alleen houden als zij géén schadevergoeding krijgt van bijvoorbeeld de dader of een verzekering. Dit staat in artikel 6, derde lid, tweede zin van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) en in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven, versie 2022 (hierna: de beleidsbundel). Uit het vonnis van de strafrechter blijkt dat de dader is veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 10.730,85 voor uitvaartkosten. In de strafrechtprocedure heeft [eiser] verzocht om vergoeding van de volgende uitvaartkosten: de materiële schade voor een grafmonument en andere aankopen ten behoeve van de uitvaart van haar zus. De CSG heeft aan [eiser] eveneens een bedrag voor uitvaartkosten uitgekeerd. Omdat de dader heeft betaald voor uitvaartkosten heeft de CSG de door haar verstrekte uitkering voor uitvaartkosten verrekend met het door de dader aan [eiser] betaalde vergoeding. De CSG heeft erop gewezen dat de hoogte van de bedragen van een uitkering uit het Schadefonds zijn vastgesteld in de Letsellijst en de beleidsbundel. De hoogte van het door het slachtoffer of de nabestaande gevorderde bedrag aan schadevergoeding heeft hier geen invloed op. Volgens de CSG is het niet de bedoeling van de wetgever geweest om een wettelijke regeling te creëren op basis waarvan een aanvulling wordt gegeven op een door de dader betaalde schadevergoeding. In beginsel dient de schade geheel te worden verhaald op de dader. De tegemoetkoming uit het Schadefonds is dan ook bedoeld als vangnet en wordt alleen toegewezen in het geval op de dader geen schade kan worden verhaald.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de verrekening die bij het bestreden besluit in stand is gebleven. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiser].
5. [eiser] voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid, ondeugdelijk gemotiveerd en onevenredig is. De verrekening zoals die heeft plaatsgevonden staat namelijk niet omschreven in artikel 6 van de Wsg of de beleidsbundel. Er heeft naar haar mening onterecht een verrekening plaatsgevonden omdat de uitvaartkosten die hebben geleid tot de door de CSG toegekende uitkering niet in de bij de dader of een derde geclaimde vergoeding zijn betrokken en dus ook niet in de door de strafrechter toegekende schadevergoeding zijn betrokken en daardoor is er ook geen sprake van overcompensatie. Ook wordt in de beleidsbundel bij onderdeel ‘E.2 De uitkering aan de nabestaande’ aangegeven dat de CSG alleen een uitkering voor uitvaartkosten toekent als deze niet zijn vergoed door de dader of een uitvaartverzekering. Dit is bij [eiser] het geval. De verrekening maakt dat de betreffende uitgave nu feitelijk door [eiser] zelf moet worden gedragen. Zij kan deze schade niet meer elders verhalen. Zij wijst erop dat juist voor dit soort gevallen het Schadefonds in het leven is geroepen. Daarbij is in het besluit van 6 december 2021, waarmee door de CSG de uitkering aan haar is toegekend, niet aangegeven dat het gaat om een voorwaardelijke toekenning. De verrekening is dan ook op geen enkele wijze op kenbare wijze aan haar vooraf aangekondigd. Verder kunnen in het strafproces uitsluitend niet-vergoede kosten worden gevorderd. Door de strafrechter wordt immers ook beoordeeld of er reeds vergoeding van kosten heeft plaatsgevonden.
6. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
6.1.
Uit artikel 6, eerste lid, van de Wsg volgt dat bij het doen van een uitkering rekening wordt gehouden met de schadevergoeding die het slachtoffer langs burgerrechtelijke weg
kanverhalen
of heeftverhaald en met overige vergoedingen van schade die als gevolg van het misdrijf aan het slachtoffer
zijn of kunnen(cursiveringen door de rechtbank) worden verstrekt. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat een uitkering wordt verstrekt onder de voorwaarde dat de schade waarop de uitkering betrekking heeft niet op andere wijze is of wordt vergoed. In artikel 6, derde lid, van de Wsg staat dat indien na uitkering de schade op andere wijze wordt of blijkt te zijn vergoed, de door het slachtoffer verkregen vergoeding alsnog in mindering kan worden gebracht op het bedrag van de uitkering. De CSG kan het onverschuldigd betaalde terugvorderen.
6.2.
Artikel 6, derde lid, van de Wsg bevat een discretionaire bevoegdheid voor de CSG. Dit betekent dat de CSG kan overgaan tot verrekening, maar zij is hiertoe niet verplicht. Bij het uitoefenen van deze bevoegdheid heeft de CSG beleidsruimte. De CSG moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank toetst daarom de beslissing van de CSG om over te gaan tot verrekening terughoudend.
6.3.
In de Memorie van Toelichting (MvT) bij artikel 6, derde lid, van de Wsg [1] is het volgende vermeld:
“Beleidsmatig is het uitgangspunt dat primair de dader de schade aan het slachtoffer moet vergoeden; het Schadefonds vormt een vangnet. Wanneer de dader, nadat het slachtoffer van het Schadefonds een uitkering heeft gekregen, tot betaling overgaat, wordt dit verrekend met de uitkering van het Schadefonds. Daarbij wordt niet gekeken naar de totale schade die het slachtoffer heeft geleden. Met de invoering van het zogeheten «all-in beleid» wordt de schade die het slachtoffer heeft geleden niet meer vastgesteld op grond van facturen, maar worden vaste, forfaitaire bedragen toegekend. Berekening van de werkelijke schade is niet nodig nu het karakter van de uitkering van het Schadefonds de vorm van een tegemoetkoming heeft en niet beoogt de totale schade te vergoeden. Schadevaststelling is vooral een taak van de rechter die in het strafproces of in civiele procedure een vordering tot schadevergoeding beoordeelt. Voor zover de schadevergoeding die de rechter heeft toegekend ziet op immateriële schade of vermogensschade vindt verrekening plaats.”
6.4.
Bij de uitoefening van haar bevoegdheid uit artikel 6, derde lid, van de Wsg heeft de CSG gebruik gemaakt van de beleidsbundel. Van belang is onderdeel ‘D.3 Verhaal op de dader’, daarin staat dat de CSG van het slachtoffer verwacht dat het zijn schade zo veel mogelijk verhaalt op de dader (als deze bekend is). Dit kan het slachtoffer doen door zich te voegen in de strafzaak of door de schade langs civielrechtelijke weg te verhalen op de dader of diens verzekering.
6.5.
De rechtbank stelt vast dat uit artikel 6 van de Wsg voortvloeit dat het slachtoffer/benadeelde de totale schade die hij heeft geleden op de dader verhaalt. Slechts wanneer die schade of een deel van die schade niet op de dader kan worden verhaald functioneert het Schadefonds als vangnet. Ook in het geval dat de schade niet is verhaald en ook niet had kunnen worden verhaald vervult het Schadefonds de functie van vangnet. Voorop staat namelijk dat de dader verantwoordelijk is voor de schade van het slachtoffer/benadeelde en niet de samenleving (een uitkering uit het Schadefonds wordt uit de algemene middelen voldaan). Slechts wanneer de dader niet betaalt of kan betalen, terwijl wel is getracht die schade op hem te verhalen, kan het Schadefonds de hem toegekende rol vervullen.
6.6.
De rechtbank is vervolgens van oordeel dat indien het slachtoffer/benadeelde schade wel heeft gevorderd en schadevergoeding is toegekend het CSG ervan mag uitgaan, gelet op het hiervoorgenoemde uitgangspunt van artikel 6 van de Wsg, dat het slachtoffer/benadeelde zijn totale schade heeft gevorderd bij de dader. Nu uit het vonnis van de strafrechter in het onderhavige geval blijkt dat [eiser] in het strafproces zich heeft gevoegd als benadeelde partij en uit dien hoofde schadevergoeding heeft gevorderd van de dader en die vordering is toegewezen mag het CSG ervan uitgaan dat daarmee de totale geleden schade in de toegekende schadevergoeding is betrokken. Dit leidt uitzondering als de strafrechter in het vonnis duidelijk heeft gemaakt dat en zo ja welk deel van de gevorderde schadevergoeding niet is toegekend. Daarvan is evenwel in het onderhavige geval niet gebleken.
6.7.
[eiser] stelt dat onterecht verrekening heeft plaatsgevonden omdat de uitkering van de CSG ziet op (uitvaart)kosten die niet door de dader
zijnvergoed.
6.8.
De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 6 van de Wsg volgt dat de CSG de uitkering verrekent met de schade die door de dader
is of kanworden verstrekt. In artikel 6, eerste lid, van de Wsg staat dat de CSG bij het doen van een uitkering rekening houdt met overige vergoedingen van schade die als gevolg van het misdrijf
zijn of kunnenworden verstrekt. (cursivering door de rechtbank)
6.9.
Het gaat in het onderhavige geval, naar het oordeel van de rechtbank, om kosten die door de dader zouden
kunnenworden vergoed. [eiser] of haar gemachtigde kan of had daartoe een vordering kunnen dan wel moeten indienen bij de strafrechter. De door [eiser] aangevoerde redenen en omstandigheden waarom dat niet is gebeurd, leiden niet tot het oordeel dat het risico van dat verzuim niet voor haar rekening en risico kan blijven.
6.10.
Naar het oordeel van de rechtbank behoeft vervolgens van de CSG niet gevraagd te worden om te beoordelen welke exacte kosten in de toegekende schadevergoeding zijn betrokken, gelet op het hiervoorgenoemde uitgangspunt van artikel 6 van de Wsg. Dat [eiser] heeft bedacht dat zij bepaalde (uitvaart-)kosten niet meer hoefde of kon claimen bij de dader omdat die kosten al via de uitkering van de CSG waren vergoed, komt daarmee voor rekening en risico van [eiser]. Het had op de weg van [eiser] gelegen die kosten bij de dader te claimen en bij niet toekenning daarvan door de strafrechter had zij voldaan aan het bepaalde in artikel 6 van de Wsg. Nu is niet komen vast te staan dat zij die kosten niet op de dader kon claimen. Zoals hiervoor overwogen komt het risico daarvan voor rekening van [eiser].
6.11.
Voor wat betreft het standpunt van [eiser] dat in het besluit van 6 december 2021 niet is aangegeven dat het gaat om een voorwaardelijke toekenning overweegt de rechtbank het volgende. In dit besluit staat: “Laat het ons weten als u van anderen geld kreeg of krijgt. Bijvoorbeeld van de verzekering of van de dader. We bekijken dan of u ons geld moet terugbetalen. We nemen daar een aparte beslissing over. U krijgt namelijk geen uitkering van het Schadefonds als u uw schade op een andere manier vergoed krijgt.”. De rechtbank volgt [eiser] dan ook niet in haar standpunt dat de verrekening op geen enkele wijze is aangekondigd. Overigens wijst de rechtbank er nog op dat verrekening rechtstreeks uit de wet voortvloeit. Een voorschrift/opmerking daarover had reeds daarom niet in het besluit behoeven te worden opgenomen.
6.12.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de CSG in het geval van [eiser] mocht verrekenen en ook in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot verrekening van de eerder aan [eiser] toegekende uitkering van € 4.714,- met de door de dader betaalde schadevergoeding. Wat [eiser] voor het overige heeft aangevoerd hoeft dan ook niet meer besproken te worden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A.G. Bulte, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2018/19, 35041, nr. 3, p. 6-7.