ECLI:NL:RBOVE:2026:6
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlening bijstand in de vorm van geldlening wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Eiser vroeg bijstand aan nadat hij zijn woning onder de marktwaarde had verkocht en zijn onderneming had beëindigd vanwege verslavingsproblematiek. Het college van burgemeester en wethouders van Hengelo kende bijstand toe, maar stelde deze deels als geldlening vast op grond van artikel 48, tweede lid, onder b, van de Participatiewet, vanwege een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
Eiser voerde aan dat de woning niet vrij was verkocht, maar onder bezwaar van huur, en dat de WOZ-waarde niet representatief was vanwege vervuiling en achterstallig onderhoud. De rechtbank oordeelde dat het college terecht was uitgegaan van de WOZ-waarde als waarderingsgrondslag en dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat de werkelijke marktwaarde lager was.
De rechtbank stelde vast dat eiser door de verkoop onder de marktwaarde een aanzienlijk vermogen had prijsgegeven, waardoor hij eerder dan noodzakelijk een beroep op bijstand moest doen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan.
De rechtbank concludeerde dat het college bevoegd was om de bijstand deels als geldlening te verstrekken en dat dit middel evenredig en noodzakelijk was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit om bijstand deels als geldlening te verlenen wordt ongegrond verklaard.