ECLI:NL:RBOVE:2026:641

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
AK_24_3083_3085_3086_3344_3504_3336_25_1405_1406_1407_1408_1337
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 4.79 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 6.1 Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroepen tegen omgevingsvergunning voor uitbreiding co-vergistingsinstallatie Agro Baarlo

Deze uitspraak betreft beroepen tegen de verlening van een omgevingsvergunning eerste fase (milieu) en tweede fase (bouwen en gebruik gronden) door het college van gedeputeerde Staten van Overijssel voor de uitbreiding van een co-vergistingsinstallatie op het terrein van Agro Baarlo.

De rechtbank oordeelt dat een aantal eisers geen belanghebbende is bij de eerste fase vergunning en verklaart hun beroepen niet-ontvankelijk. Voor de overige eisers stelt de rechtbank vast dat het college voldoende onderzoek heeft verricht naar geur-, geluidsoverlast en verkeershinder en dat geen onaanvaardbare overlast zal ontstaan. De rechtbank wijst de beroepen, voor zover ontvankelijk, af.

De rechtbank behandelt ook het overgangsrecht van de Omgevingswet en de toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet. De rechtbank gaat niet mee in de stellingen van eisers over het ontbreken van een milieueffectrapportage, onvoldoende participatie, onduidelijke vergunningvoorschriften en andere aangevoerde bezwaren. De afwijkingen in de tweede fase vergunning worden als beperkt en niet onaanvaardbaar beoordeeld.

De beroepen leiden niet tot vernietiging van de vergunningen. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel op 10 februari 2026.

Uitkomst: De beroepen tegen de omgevingsvergunningen eerste en tweede fase worden ongegrond verklaard en enkele beroepen niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 24/3083, 24/3085, 24/3086, 24/3344, 24/3504 en 24/3336,
ZWO 25/1405, 25/1406, 25/1407, 25/1408 en 25/1337
uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaken tussen

[eiser 1] , uit [plaats 1] ,

[eiser 2] B.V., uit [plaats 2] ,
eisers in 24/3083 en 25/1405,

[eiser 3] , uit [plaats 3] ,

eiser in 24/3085 en 25/1406,

[eiser 4] , uit [plaats 4] ,

eiser in 24/3086 en 25/1407,

[eiser 5] , uit [plaats 5] ,

eiser in 24/3344,

[eiser 6] , uit [plaats 6] ,

eiser in 24/3504,

[eiser 6] ,

[eiser 7],
[eiser 8],
[eiser 9],
[eiser 10],
[eiser 11],
[eiser 10],
[eiser 12],
[eiser 13],
allen uit [plaats 7] ,
eisers in 25/1408,
gemachtigde: mr. J.C. Vijfhuizen,

[eiser 15] , uit [plaats 8] ,

[eiser 14], uit [plaats 9] ,
eisers in 24/3336,

[eiser 15] , uit [plaats 10] ,

[eiser 14], uit [plaats 11] ,
[eiser 16], uit [plaats 12] ,
[eiser 17], uit [plaats 13] ,
eisers in 25/1337,
gemachtigde: [eiser 15] ,
en

het college van gedeputeerde Staten van Overijssel (hierna: het college)

gemachtigde: mr. J. Zweers.
Als derde-partij heeft deelgenomen aan dit geding:
Agro Baarlo Energie B.V., uit Baarlo (hierna: Agro Baarlo),
gemachtigde: mr. S. Maakal.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de uitbreiding van een co-vergistingsinstallatie op de voormalige varkenshouderij van Agro Baarlo aan de Uiterdijkenweg in Baarlo. Het college heeft twee vergunningen verleend: een omgevingsvergunning eerste fase (milieu) en een omgevingsvergunning tweede fase (bouwen en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het planologische regime). Eisers wonen binnen een ruime omgeving van de in geding zijnde locatie. Zij vrezen (toename van) geur- en geluidsoverlast van de inrichting en overlast vanwege een toename van vrachtverkeer in verband met de wijziging/uitbreiding van de inrichting.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning eerste fase en de omgevingsvergunning tweede fase heeft mogen verlenen
.Een aantal eisers is geen belanghebbende met betrekking tot de omgevingsvergunning eerste fase. Ten aanzien van de direct omwonenden heeft het college voldoende onderzoek verricht en op basis daarvan kunnen concluderen dat geen onaanvaardbare overlast zal ontstaan. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen, voor zover ontvankelijk, zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaken. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2.1.
Bij het bestreden besluit van 9 april 2024, aan de aanvrager toegezonden op 28 mei 2024, heeft het college een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor de wijziging van de inrichting van Agro Baarlo aan de [adres]. De eisers in de zaken met de nummers 24/3083, 24/3085, 24/3086, 24/3344, 24/3504 en 24/3336 hebben beroep ingesteld tegen dit besluit.
2.2.
Bij het bestreden besluit van 21 maart 2025 heeft het college een omgevingsvergunning tweede fase verleend voor het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van bouwwerken aan de [adres] in strijd met het planologische regime. De eisers in de zaken met de nummers 25/1405, 25/1406, 25/1407, 25/1408 en 25/1337 hebben beroep ingesteld tegen dit besluit.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
- eisers [eiser 1] , [eiser 6] , [eiser 13] , vergezeld van [naam 1] en bijgestaan door
mr. J.C. Vijfhuizen,
- eisers [eiser 15] , [eiser 14] en [eiser 17] ,
- [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5] namens het college, bijgestaan door mr. J. Zweers,
- [naam 6], [naam 7], [naam 8] en [naam 9] namens Agro Baarlo, vergezeld van ing. [naam 10] en bijgestaan door mr. S. Maakal en mr. D.G.J. Sanderink.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3.1.
Agro Baarlo exploiteert een inrichting aan de [adres]. De inrichting bevindt zich in het agrarische buitengebied van de gemeente Steenwijkerland, ten noordwesten van Blokzijl. Voorheen was sprake van een gemengd agrarisch bedrijf met een covergistingsinstallatie met een capaciteit van 36.000 ton per jaar. Ten behoeve van de bestaande inrichting is eerder een omgevingsvergunning verleend. De inrichting is bereikbaar via een weg vanaf de Uiterdijkenweg.
3.2.
Agro Baarlo wil de varkenshouderij beëindigen (ten tijde van de behandeling ter zitting van het beroep was de varkenshouderij feitelijk beëindigd) en wil de capaciteit van de vergistingsinstallatie vergroten tot 100.000 ton per jaar. Agro Baarlo wil de bestaande bebouwing grotendeels vervangen door nieuwe loodsen en overdekte sleufsilo’s voor de opslag van grondstoffen bouwen. Het totale bebouwde oppervlak van het terrein neemt toe van 25.081 m² naar 26.809 m². Het bruto vloeroppervlak aan bouwwerken blijft 4.000 m².
3.3.
De omgevingsvergunning eerste fase is op 13 december 2022 aangevraagd en is bij besluit van 9 april 2024 verleend. Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden. In het kader van de voorbereiding van dat besluit en van de op dat moment nog in te dienen aanvraag voor de tweede fase is op 19 oktober 2022 door de Omgevingsdienst IJsselland (hierna: de omgevingsdienst) in mandaat namens het college een “besluit m.e.r. beoordeling” genomen. Publicatie van het besluit van 9 april 2024 in het Provinciaal Blad heeft plaatsgevonden op 30 mei 2024.
3.4.
De omgevingsvergunning tweede fase is op 6 juni 2023 aangevraagd en is bij besluit van 21 maart 2025 verleend. Publicatie in het Provinciaal Blad heeft plaatsgevonden op 26 maart 2025.
Ontvankelijkheid
4.1.
De rechtbank zal, voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepen, eerst beoordelen of de beroepen, voor zover ingesteld namens de verschillende eisers, ontvankelijk zijn.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat alle beroepen tijdig zijn ingesteld. Voor niet-ontvankelijkverklaring van een of meer beroepen vanwege overschrijding van de termijn voor het instellen van beroep bestaat dan ook geen aanleiding.
4.3.
Op grond van het bepaalde in artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. De rechtbank overweegt dat om als belanghebbende bij een besluit te kunnen worden aangemerkt niet reeds voldoende is dat sprake is van enige rechtstreeks feitelijke gevolgen. Er dient namelijk sprake te zijn van gevolgen van enige betekenis. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van een eiser zo gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij spelen de factoren afstand, zicht
,uitstraling en ondervonden milieugevolgen, zoals geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico, van de activiteit een rol. Ook de aard, intensiteit en frequentie van feitelijke gevolgen kunnen hiervoor van belang zijn. De rechtbank zal beoordelen of voor wat betreft alle eisers sprake is van gevolgen van enige betekenis.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft de eisers [eiser 1] , [eiser 2] B.V., [eiser 4] , [eiser 3] , [eiser 6]
,[eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 18], [eiser 10] , [eiser 11] en [eiser 12] sprake is van gevolgen van enige betekenis. De beroepen, voor zover namens hen ingesteld, zijn dan ook ontvankelijk. Voor wat betreft [eiser 1] en de [eiser 2] B.V. acht de rechtbank in dit verband zowel de afstand, de aanwezigheid van zicht op het terrein van de inrichting en het gegeven dat sprake is van (enige) verkeershinder van belang. Voor wat betreft [eiser 4] acht de rechtbank hiervoor van belang dat hij direct zicht heeft op het terrein van de inrichting. Voor wat betreft [eiser 3] , [eiser 10] en [eiser 12] acht de rechtbank van belang dat weliswaar geen sprake is van direct zicht op het terrein van de inrichting, maar dat de toegangsweg naar de inrichting (ongeveer) tegenover hun woningen uitkomt. Niet onaannemelijk is dat zij hiervan (enige) verkeershinder kunnen ondervinden. Voor wat betreft [eiser 6]
,[eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 18], [eiser 10] en [eiser 11] acht de rechtbank van belang dat zij direct zicht hebben op het terrein van de inrichting.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft [eiser 5] (hierna: Apperlo) geen sprake is van gevolgen van enige betekenis. In dit verband is van belang dat zij op geruime afstand van het terrein van de inrichting woont en dat zij geen direct zicht heeft op het terrein van de inrichting. Niet gebleken is dat voor haar sprake is van andere feitelijke gevolgen van enige betekenis op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat voor haar sprake is van gevolgen van enige betekenis. Apperlo kan dan ook niet als belanghebbende bij het bestreden besluit waartegen zij beroep heeft ingesteld worden aangemerkt. Ook heeft Apperlo geen zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit fase 1 waartegen zij beroep heeft ingesteld. Het door haar ingestelde beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4.6.
De rechtbank is met betrekking tot het bestreden besluit fase 1 van oordeel dat voor wat betreft eisers [eiser 15] (hierna: [eiser 15]) en [eiser 14] (hierna: [eiser 14]) geen sprake is van gevolgen van enige betekenis. Voor wat betreft [eiser 15] heeft te gelden dat zij haar formele woonverblijf in Zwolle heeft. Ter zitting heeft zij volstaan met haar enkele verklaring dat zij veelal verblijft in de woning van [eiser 14], echter is dat voor de rechtbank niet toetsbaar zodat de rechtbank zal uitgaan van haar woonverblijf in Zwolle. Voor wat betreft [eiser 14] geldt dat zijn perceel op geruime afstand van het terrein van de inrichting is gelegen, achter de Kuinderdijk. Voor zover vanuit zijn woning sprake is van zicht op het terrein van de inrichting, is dit zicht zeer beperkt. Het gaat dan enkel om het in de verte kunnen zien liggen van het perceel van de inrichting vanaf de 1e verdieping van de woning, waarbij nog wordt overwogen dat het grootste deel van de inrichting aan het zicht wordt onttrokken door een bomenrij op de grens van de locatie van de inrichting. Voor zover al sprake is van geurhinder, is niet aannemelijk gemaakt dat deze, gelet op de afstand, voor hem van meer dan zeer beperkte betekenis is. Omdat verkeer van en naar de inrichting plaatsvindt over de Uiterdijkenweg en niet over de Kuinderdijk, is van verkeersgevolgen voor deze eiser geen sprake. Ook de enkele verwijzing naar de beleving van het buitengebied is onvoldoende om te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. Voor zover eiser zich zorgen maakt over de mogelijke aanleg van een zonnepark rond het terrein van de inrichting, overweegt de rechtbank dat de aanleg van een zonnepark geen deel uitmaakt van de thans in geschil zijnde verleende omgevingsvergunning eerste fase. [eiser 15] en [eiser 14] kunnen dan ook niet als belanghebbenden worden aangemerkt bij het bestreden besluit fase 1.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat [eiser 15] tezamen met [eiser 14], [naam 11] (hierna: [naam 11]) en [eiser 17] (hierna: [eiser 17]), verder te noemen [eiser 15] c.s. een zienswijze heeft ingediend naar aanleiding van het ontwerpbesluit in het kader van de aanvraagprocedure van de omgevingsvergunning tweede fase. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 4 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:953) volgt dat een niet-belanghebbende die op grond van een wettelijke bepaling op het terrein van het milieurecht een zienswijze naar voren heeft gebracht over een ontwerpbesluit, gelet op artikel 9, derde lid, van het Verdrag van Aarhus niet kan worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is, als hij vervolgens tegen het besluit beroep instelt. Weliswaar betreft de bestreden vergunning fase 2 geen milieurechtelijke vergunning maar is deze vergunning wel verleend na toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb. Gelet op de jurisprudentie kan aan [eiser 15] c.s. niet worden tegengeworpen dat zij geen belanghebbenden zijn bij het besluit waarbij de omgevingsvergunning tweede fase is verleend. Het beroep van [eiser 15] c.s., voor zover gericht tegen het bestreden besluit van 21 maart 2025 is dan ook ontvankelijk.
Overgangsrecht
5.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).
5.2.
Omdat sprake is van gefaseerde vergunningverlening geldt in aanvulling hierop het specifieke overgangsrecht zoals dat is neergelegd in artikel 4.79 van de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: Invoeringswet Ow).
5.3.
De aanvraag om een omgevingsvergunning eerste fase is ingediend op 13 december 2022. De aanvraag om een omgevingsvergunning tweede fase is ingediend op 6 juni 2023. Uit het bepaalde in artikel 4.3, aanhef en onder a, en artikel 4.79 van de Invoeringswet Ow, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft, met uitzondering van de artikelen 2.5, vijfde, zesde en achtste lid, en 6.3 van de Wabo.
Toepasselijkheid Crisis- en herstelwet
6.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals deze voor 1 januari 2024 gold, gelezen in samenhang met de artikelen 1.5 en 10.1 van bijlage 1 bij de Chw is afdeling 2 van de Chw van toepassing op besluiten die nodig zijn voor de verwezenlijking van dit project. Op grond van het bepaalde in artikel 1.6a van de Chw, welke bepaling in afdeling 2 van de Chw is geplaatst, kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat het college er bij de bekendmaking van het bestreden besluit niet op heeft gewezen dat de Chw van toepassing is op een tegen dat besluit in te stellen beroep. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) [1] volgt dat in een dergelijk geval in beginsel niet aan eisers kan worden tegengeworpen dat zij niet binnen de beroepstermijn beroepsgronden hebben aangevoerd. Dit is anders indien aannemelijk is dat een eiser wist dat na afloop van de beroepstermijn geen gronden meer konden worden aangevoerd of aangevuld. Of al dan niet sprake is van bijstand door een professionele gemachtigde is in dit verband niet doorslaggevend.
6.3.
Bij e-mail van 28 mei 2025 heeft mr. S. Maakal de rechtbank erop gewezen dat de Chw van toepassing is op de behandeling van deze beroepen. De rechtbank heeft op 13 juni 2025 een kopie van deze e-mail doorgezonden aan (de gemachtigden van) eisers. De rechtbank neemt gelet op deze e-mail aan dat eisers na 13 juni 2025 bekend konden zijn met de toepasselijkheid van de Chw. De rechtbank zal daarom, gelet op het bepaalde in artikel 1.6a van de Chw, de na 13 juni 2025 ingediende nieuwe beroepsgronden buiten beschouwing laten en zij zal niet ingaan op wat in deze latere stukken voor het eerst is aangevoerd.
Beoordelingsvolgorde
7. De rechtbank zal hierna eerst de beroepen gericht tegen de omgevingsvergunning eerste fase beoordelen en daarna de beroepen gericht tegen de omgevingsvergunning tweede fase.
Beoordeling eerste fase
8.1.
Eisers stellen zich op het standpunt dat ten onrechte geen milieueffectrapportage is opgemaakt. Zij zijn van mening dat sprake is van een situatie als omschreven in categorie C.21.6 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit mer). De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit standpunt dat categorie C.21.6 van de bijlage bij het Besluit mer de volgende activiteiten noemt:
De oprichting van een geïntegreerde chemische installatie, dat wil zeggen een installatie voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van:
a. organische basischemicaliën,
b. anorganische basischemicaliën,
c. fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde
meststoffen),
d. basisproducten voor gewasbescherming en van biociden,
e. farmaceutische basisproducten met een chemisch of biologisch procedé, of
f. explosieven.
Niet in geschil is dat in de inrichting van Agro Baarlo geen fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen als bedoeld in categorie C.21.6, aanhef en onder c, van kolom 1 van de bijlage bij het Besluit mer plaatsvindt. Ook geen van de andere activiteiten als genoemd in kolom 1 van deze categorie vindt binnen deze inrichting plaats. De rechtbank is daarom van oordeel dat categorie C.21.6 van het Besluit mer niet van toepassing is. Er hoefde dan ook geen milieueffectrapportage te worden opgesteld.
8.2.
Naar aanleiding van de stelling van eisers dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en dat dit besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, overweegt de rechtbank dat in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit een groot aantal onderzoeken door deskundigen heeft plaatsgevonden. Deze onderzoeken hebben geleid tot rapporten die vervolgens door het college zijn getoetst. Eisers hebben hun stelling dat de uitgevoerde onderzoeken niet zorgvuldig zijn geweest niet met tegenrapporten onderbouwd, maar zij hebben volstaan met algemeen verwoorde stellingen waarin zij hun zorgen over de milieugevolgen van de wijziging van de inrichting hebben verwoord. Nu eisers geen door deskundigen opgestelde tegenrapporten hebben overgelegd en hun algemeen verwoorde stellingen niet zonder nadere onderbouwing aannemelijk zijn, mocht het college afgaan op de rapporten die door Agro Baarlo zijn ingebracht en die door eigen deskundigen van het college zijn getoetst. Meer specifiek geldt ten aanzien van de verschillende onderzoeken het volgende.
8.3.
Naar aanleiding van de stelling van eisers dat zij vrezen voor geluidsoverlast oordeelt de rechtbank dat het college mocht afgaan op het akoestisch onderzoek dat is verricht door bureau Sain. In bijlage 3 bij het rapport van Sain, van 20 maart 2023, zijn de gegevens van het gehanteerde rekenmodel vermeld. Deze bijlage maakt onderscheid tussen de luchtwasser, overige stationaire bronnen en mobiele bronnen. Zowel bij de overige stationaire bronnen als bij de mobiele bronnen zijn naast andere bronnen ook vrachtwagens vermeld. De stelling van eisers dat de geluidsproductie van vrachtwagens en het aantal verkeersbewegingen niet zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek is dan ook onjuist. De bij dit onderzoek gehanteerde snelheid van 10 km/u op het terrein van de inrichting komt de rechtbank niet onrealistisch voor.
8.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college voor wat betreft het verkeer op de ontsluitingsweg vanaf de Uiterdijkenweg naar het terrein van de inrichting terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van directe hinder die aan de inrichting kan worden toegerekend. In dit verband is van belang dat deze toegangsweg een openbare weg is die ook door anderen wordt gebruikt. Hoewel partijen van mening verschillen over de vraag in welke mate door anderen gebruik wordt gemaakt van deze weg, staat vast dat ook de eigenaren van het pand aan de Uiterdijkenweg 59 en twee agrariërs met percelen die alleen over deze weg bereikt kunnen worden, gebruik van deze weg maken. De rechtbank is voorts gebleken dat de door eisers geraadpleegde adviseur van Akoestisch Bureau Tideman evenmin tot de conclusie is gekomen dat de weg tot de inrichting zou moeten worden gerekend. De rechtbank is van oordeel dat het college de weg niet heeft hoeven aan te merken als deel van de inrichting zodat de beroepsgronden van eisers die zien op het niet aanmerken van de ontsluitingsweg als onderdeel van de inrichting niet slagen.
8.5.
Naar aanleiding van de gestelde vrees voor geurhinder en wat in dit verband gesteld is over het gebruik van een luchtwasser, is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat de bij de verleende vergunning behorende voorschriften 7.3.1 e.v. betrekking hebben op de goede werking van de luchtwasser. Voorschrift 7.2.1 bevat normen voor de geuremissie vanuit de inrichting. Bij de aanvraag is een door Bureau Blauw uitgevoerd geuronderzoek, met verspreidingsberekeningen, overgelegd. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het uitgevoerde geuronderzoek dan wel de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist zijn.
8.6.
Naar aanleiding van de stelling van eisers dat de voorschriften bij de verleende vergunning onvoldoende duidelijk zijn, oordeelt de rechtbank dat er geen grond is om te oordelen dat de vergunningsvoorschriften niet voldoende duidelijk en handhaafbaar zijn. Niet valt in te zien dat deze voorschriften voor meerdere uitleg vatbaar zijn. De voorschriften hoeven niet zo gedetailleerd te zijn dat daarin voor elke installatie wordt vastgelegd wanneer onderhoud en inspectie dient plaats te vinden. Het in voorschrift 6.5.2 gebruikte begrip “een in goede staat zijnde geluiddemper” is gelet op de functie van dit voorschrift voldoende duidelijk. In dit verband is van belang dat dit voorschrift is bedoeld als vangnet om te kunnen optreden tegen geluidsoverlast als gevolg van een (evident) niet goed werkende geluiddemper. Voor wat betreft voorschrift 1.6.1 geldt dat dit voorschrift juist vastlegt dat het gebruik van andere installaties en/of stoffen, bij wijze van proefneming, enkel is toegestaan na schriftelijke goedkeuring door het college. Wat eisers hebben aangevoerd over de duidelijkheid van de vergunningsvoorschriften kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
8.7.
Voor wat betreft de uitstoot van stikstof geldt op grond van de Wabo geen aanhaakverplichting. Agro Baarlo heeft een aanvraag ingediend voor een vergunning voor een Natura 2000-activiteit. Deze aanvraag is nog in behandeling.
8.8.
Naar aanleiding van de stelling van eisers dat de provincie Flevoland en de gemeente Noordoostpolder ten onrechte niet om advies zijn gevraagd over dit project overweegt de rechtbank als volgt. Burgemeester en wethouders van een andere gemeente en in sommige gevallen gedeputeerde staten van een andere provincie hebben op grond van het bepaalde in artikel 6.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een adviesrecht indien een project gedeeltelijk op het grondgebied van een andere gemeente of provincie wordt uitgevoerd. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. De inrichting van Agro Baarlo ligt geheel binnen de provincie Overijssel, in de gemeente Steenwijkerland. Dat de inrichting alleen bereikbaar is over de in de gemeente Noordoostpolder gelegen Uiterdijkenweg maakt dit niet anders. Van een situatie als bedoeld in artikel 6.1 van het Bor is dan ook geen sprake.
8.9.
Naar aanleiding van de stelling dat onvoldoende participatie heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank dat hiertoe geen wettelijke verplichting bestaat. Wel is de rechtbank ter zitting gebleken dat meerdere gesprekken zijn gevoerd tussen Agro Baarlo en omwonenden. Dat deze gesprekken niet tot een voor alle betrokkenen bevredigende oplossing hebben geleid, doet er niet aan af dat deze gesprekken wel degelijk zijn gevoerd. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
8.10.
Ten aanzien van de verkeersveiligheid en de cultuurhistorische waarden van het gebied geldt dat deze aspecten geen rol spelen in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning eerste fase.
8.11.
Ten aanzien van het door eisers gestelde gevaar voor de externe veiligheid en de vrees voor lichthinder geldt dat aan deze aspecten aandacht is geschonken in de onderbouwing van de aanvraag. Eisers hebben hiertegen slechts zeer algemene beroepsgronden aangevoerd. Op grond van wat zij hebben aangevoerd is niet aannemelijk gemaakt dat de vergunningverlening niet tekortschiet voor wat betreft de externe veiligheid en lichthinder.
8.12.
De beroepen, gericht tegen de omgevingsvergunning eerste fase, kunnen dan ook niet leiden tot vernietiging van dat besluit.
Beoordeling tweede fase
9.1.
De rechtbank stelt voorop dat de vergistingsinstallatie op het terrein aan de [adres] op grond van de Beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014 (hierna: de beheersverordening) onafhankelijk van de productieomvang van die installatie bij recht is toegestaan. De bij de omgevingsvergunning tweede fase vergunde afwijking van de beheersverordening heeft alleen betrekking op de situering van een aanvullend mestbassin en op de overschrijding van de maximale goothoogte van vijf meter naar 5,5 meter. Andere activiteiten dan deze beide afwijkingen staan in het kader van dit beroep niet ter discussie.
9.2.
Voor wat betreft zowel de landschappelijke inpassing van het mestbassin als de overschrijding van de goothoogte is van belang dat het terrein van de inrichting aan de [adres] grotendeels aan het zicht is onttrokken door een bomenrij. Voor zover aan de achterzijde van het perceel van Agro Baarlo (bezien vanaf de Uiterdijkenweg) geen sprake is van een doorlopende bomenrij, geldt dat eisers, afgezien van [eiser 15] c.s., daar geen zicht op hebben. Voor wat [eiser 15] c.s. betreft, heeft te gelden dat de afstand vanaf de woningen aan de Kuinderdijk zo groot is dat voor hen niet of nauwelijks de aanwezigheid van het mestbassin zichtbaar zal zijn. Voor wat betreft de overschrijding van de goothoogte geldt dat slechts sprake is van een beperkte overschrijding van 5 naar 5,5 meter. Daarbij is relevant dat er geen sprake is van een negatief welstandsadvies. Van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat als gevolg van de landschappelijke inpassing van het mestbassin dan wel van de overschrijding van de goothoogte is daarom geen sprake.
9.3.
Eisers zijn van mening dat in het kader van de belangenafweging die dient te worden gemaakt bij de beoordeling van de verleende afwijkingen de door hen in de beroepschriften naar voren gebrachte belangen dienen te worden betrokken.
De rechtbank is anders dan eisers van oordeel dat bij de te maken afweging slechts dient te worden beoordeeld in hoeverre die door eisers naar voren gebrachte belangen een rechtstreeks relatie hebben met de verleende afwijkingen. In dat verband heeft Agro Baarlo ter zitting desgevraagd verklaard dat de exploitatie van de beoogde inrichting niet afhankelijk is van de verleende afwijkingen. Ook als die afwijkingen niet zouden zijn verleend zou de inrichting in de voorgenomen omvang geëxploiteerd kunnen worden. Deze stelling is door eisers niet weersproken. De rechtbank komt gelet daarop tot het oordeel dat geen van de door eisers naar voren gebrachte belangen rechtstreeks gerelateerd kunnen worden aan het bestreden besluit fase 2. De rechtbank is van oordeel dat daarmee de door eisers gestelde belangen zijn beoordeeld.
9.4.
De rechtbank wijst er daarbij nog op dat de door gemachtigde Vijfhuizen aangevoerde gronden: verkeersveiligheid, volksgezondheid en veiligheid, buiten behandeling zijn gelaten aangezien deze na 13 juni 2025 in het geding zijn gebracht.
9.5.
De beroepen, gericht tegen de omgevingsvergunning tweede fase, kunnen dan ook niet leiden tot vernietiging van dat besluit.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen, voor zover ontvankelijk, zijn ongegrond. Dat betekent dat de besluiten waarbij de omgevingsvergunning eerste fase en de omgevingsvergunning tweede fase zijn verleend in stand blijven. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen, voor zover ingesteld namens [eiser 5] en door, [eiser 15]
en [eiser 14] tegen het besluit van 9 april 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart de overige beroepen voor zover gericht tegen het besluit van 9 april 2024 ongegrond;
- verklaart de beroepen gericht tegen het besluit van 21 maart 2025 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzitter, mr. J.H.M. Hesseling en
mr. E.C. Rozeboom, leden, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op .
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. ECLI:NL:RVS:2012:BY2476, r.o. 3.2