AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ontslag op staande voet wegens fraude met declaraties en uren bevestigd
De verzoekende partij, werkzaam bij AGC Nederland Holding B.V., werd op staande voet ontslagen wegens fraude met declaraties en uren. Zij verzocht vernietiging van het ontslag, maar de kantonrechter oordeelde dat het ontslag rechtsgeldig was gegeven vanwege stelselmatig onjuiste declaraties en het ontbreken van verlof voor privéactiviteiten.
De kantonrechter stelde vast dat de verzoekende partij jarenlang declaraties indiende zonder de vereiste facturen, ondanks herhaalde verzoeken van AGC. Tijdens een gesprek op 23 september 2025 erkende zij enkele onjuiste declaraties. AGC voerde aan dat dit een dringende reden vormde voor ontslag op staande voet, wat door de kantonrechter werd bevestigd.
Het verzoek tot vernietiging van het ontslag werd afgewezen. Het voorwaardelijke tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst werd niet behandeld. Van het zelfstandige tegenverzoek van AGC werden de vorderingen tot terugbetaling van onrechtmatig ingediende declaraties en de eigen bijdrage voor de leaseauto toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. Vergoedingen voor schoonmaakkosten en ontbrekende autosleutel werden afgewezen.
De kantonrechter wees de proceskosten toe aan de verzoekende partij en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De beslissing is gebaseerd op de feiten, de wet en jurisprudentie, waaronder relevante arresten van de Hoge Raad en gerechtshoven.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wegens fraude met declaraties en uren is rechtsgeldig en het verzoek tot vernietiging wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer / rekestnummer: 11966213 \ EJ VERZ 25-210
Beschikking van 11 februari 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. T.B.M. Kersten,
tegen
AGC NEDERLAND HOLDING B.V.,
gevestigd te Tiel en kantoorhoudende te Goor,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: AGC,
gemachtigde: mr. A.H.M. Booijink.
De zaak in het kort
[partij A] is op staande voet ontslagen omdat zij volgens haar werkgever AGC fraude heeft gepleegd met declaraties en uren. In deze zaak verzoekt [partij A] vernietiging van het ontslag op staande voet. [partij A] is, na een volgens de kantonrechter toegestane wijziging van de verwerende partij, ontvankelijk in haar verzoek. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag (rechts)geldig is. Op het voorwaardelijke tegenverzoek van AGC tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst hoeft daarom niet meer te worden beslist. Van het zelfstandige tegenverzoek van AGC worden het verzochte bedrag voor onrechtmatig ingediende declaraties en het bedrag voor de eigen bijdrage van de leaseauto toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. Ook wijst de kantonrechter de verzochte verklaring voor recht toe dat AGC de gefixeerde schadevergoeding heeft mogen verrekenen met de eindafrekening. Voor het overige wordt het tegenverzoek afgewezen of hoeft het niet meer te worden behandeld. De proceskosten komen voor rekening van [partij A] . De motivering van deze beslissing volgt hierna.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [partij A] (d.d. 12 november 2025), met producties 1 t/m 26,
- het verweerschrift van AGC (d.d. 4 januari 2026), met daarbij een voorwaardelijk tegenverzoek, een zelfstandig tegenverzoek en producties 1 t/m 25,
- de akte van [partij A] met het verzoek tot herstel partijnaam (d.d. 5 januari 2026),
- aanvullende producties 27 t/m 33 van [partij A] (d.d. 5 januari 2026),
- aanvullende producties 26 en 27 van AGC (d.d. 9 januari 2026),
- de mondelinge behandeling van 14 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, waar van [partij A] spreekaantekeningen zijn overgelegd en waar AGC een verweer op het verzoek herstel partijnaam is ingediend.
2.De feiten
2.1.
[partij A] , geboren op [geboortedatum] 1973, is sinds 17 januari 2022 in dienst bij AGC in de functie van [functie 1] met een loon van laatstelijk € 6.298,42 bruto per maand.
2.2.
[partij A] werkte voor het Technovation Center van AGC in België. Zij was verantwoordelijk voor het introduceren en vermarkten van nieuwe innovaties in glas. [partij A] was daarom vaak onderweg en had geregeld contact met (potentiële) klanten in horecagelegenheden.
2.3.
Partijen hebben met elkaar een berijdersovereenkomst gesloten voor een zakelijke leaseauto. Uit die overeenkomst volgt dat elke maand € 87,85 aan eigenbijdrage voor de leaseauto wordt ingehouden op het nettosalaris van [partij A] .
2.4.
Vanwege persoonlijke omstandigheden heeft [partij A] meerdere keren aan AGC om financiële ondersteuning gevraagd. AGC heeft haar een keer een lening verstrekt, een aantal keren een voorschot op haar loon betaald en vakantiedagen uitgekeerd.
2.5.
[partij A] declareerde geregeld kosten bij AGC door middel van het invullen van een declaratieformulier. In de omschrijving van het declaratieformulier gaf zij aan waar de kosten op zagen en zij voegde bij het declaratieformulier (foto’s van) de bonnen en facturen. De declaratieformulieren werden vervolgens gestuurd naar [naam 1] ( [functie 2] , hierna [naam 1] ) en [naam 3] (administratie AGC, hierna [naam 3] ).
2.6.
Bij afwezigheid van [naam 1] is door [management assistente] (management assistente AGC, hierna [management assistente] ) geconstateerd dat [partij A] bij een declaratie voor LinkedIn Business en een PhantomBuster geen facturen had meegestuurd. Bij e-mail van
21 augustus 2025 heeft [management assistente] [partij A] verzocht om die facturen alsnog bij de declaratie te voegen. [partij A] heeft daar bij e-mail van dezelfde dag onder meer het volgende op gereageerd:
“ Dat zijn doorlopende abonnementen, daar heb ik met [naam 3] een afspraak over dat ik die niet maandelijks hoef bij te voegen, daar krijg ik ook geen maandelijkse facturen van namelijk. Maar dat weten [naam 3] en [naam 1] .(…) ”
2.7.
Bij e-mail van 26 augustus 2025 heeft [management assistente] aan [partij A] gevraagd om de jaarfacturen van LinkedIn Business en PhantomBuster op te vragen. Bij navraag is volgens [management assistente] gebleken dat AGC hier nooit facturen van heeft gekregen en die voor de accountantscontrole wel nodig zijn. [partij A] reageert hier bij e-mail van
28 augustus 2025 aan [management assistente] en [naam 3] onder meer als volgt op:
“ Op verzoek van [management assistente] heb ik geprobeerd uit te zoeken hoe ik oude jaarfacturen van Phantombuster en Linkedln kon achterhalen. Om een lang (en frustrerend) verhaal kort te maken: ik kan jullie niet meer helpen aan oude facturen, doordat o.a. de accounts gekoppeld waren aan een niet meer bestaand emailadres dat ik indertijd had aangemaakt. Met beiden heb ik het geprobeerd alsnog boven water te krijgen, maar missie mislukt. [naam 3] , ik had jou eerder laten weten dat ik niet meer goed bij deze accounts kon, volgens mij was dat ook de reden dat jullie akkoord gingen om de situatie zo te accepteren als hij was.(…)”
2.8.
[management assistente] heeft [partij A] op 10 september 2025 gevraagd om nogmaals te controleren of de facturen beschikbaar zijn en deze te verstrekken. Daarbij geeft zij aan dat als dat niet lukt, [partij A] als alternatief bankafschriften kan aanleveren waaruit blijkt dat deze kosten door haar zijn betaald. Daarop heeft [partij A] bij e-mail van 10 september 2025 onder meer het volgende gereageerd:
“ Het spijt me zeer maar ik kan je oprecht niet aan de gevraagde gegevens helpen. De betalingen zijn gelopen via een pre paid creditcard die ik via de ANWB had en die is er niet meer omdat zij daarmee gestopt zijn (die dienst bieden zij niet meer aan, vraag mij niet waarom). Dat systeem is er dus ook niet meer (of hoe noem je dat, de app waarin ik `creditcard — bankierde'.(…)”
2.9.
Bij e-mail van 15 september heeft [naam 4] ( [functie 3] , hierna [naam 4] ) nogmaals aan [partij A] uitgelegd waarom AGC facturen van LinkedIn Business en PhantomBuster nodig heeft. Daarnaast heeft zij [partij A] verzocht om uiterlijk op 23 september 2025 de onderliggende facturen alsnog aan te leveren en, voor het geval dat niet lukt, contact op te nemen met de creditcardmaatschappij om transactiedata/details van de betreffende periode op te vragen. [partij A] reageert daarop bij e-mail van dezelfde dag en de volgende dag nog een keer. Zij gaat in de e-mails onder andere in op dat het bij [naam 3] bekend is dat zij de gegevens niet kan aanleveren en hij de declaraties altijd goedkeurde, dat zij niet meer bij oude e-mailadressen kan en de problemen die zij in het verleden heeft gehad met een faillissement van haar bedrijf en met haar ex-partner. De conclusie van de e-mails is dat [partij A] geen facturen en/of andere bewijzen kan sturen.
2.10.
AGC heeft vervolgens onderzoek gedaan naar alle door [partij A] ingediende declaraties.
2.11.
Op 23 september 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [partij A] , [naam 1] en [naam 4] . Het gesprek is, zonder dat [partij A] dat wist, door [naam 1] opgenomen. AGC heeft de opname van dit gesprek en een transcriptie daarvan in het geding gebracht. Daaruit volgt dat [naam 1] heeft aangegeven dat het ontbreken van de facturen voor LinkedIn Business en PhantomBuster de aanleiding is geweest om onderzoek te doen naar andere declaraties van [partij A] . In het gesprek heeft [naam 1] verschillende declaraties aan [partij A] voorgehouden en haar gevraagd om eerlijk aan te geven waar die kosten voor zijn gemaakt. In het gesprek heeft zij van drie declaraties erkend dat deze niet zagen op zakelijke kosten en zij dat verkeerd heeft gedaan. Daarnaast heeft [naam 1] voorgehouden dat hij een aantal van de bij de declaraties vermeldde personen heeft gebeld en die hebben aangegeven dat zij op het betreffende moment geen afspraak hadden met [partij A] . Aan het einde van het gesprek heeft [naam 1] medegedeeld dat [partij A] op staande voet wordt ontslagen. De leaseauto heeft [partij A] op verzoek van [naam 1] bij AGC achtergelaten.
2.12.
AGC heeft bij brief van 25 september 2025 haar bevindingen over het gesprek van 23 september 2025 uiteen gezet en het ontslag op staande voet bevestigd. In de brief staat onder meer het volgende:
“(…)
Declaraties
Vervolgens zijn de volgende declaraties besproken die u ook heeft meegekregen.
1. Het eerste als zakelijk gedeclareerde bonnetje dat u is voorgelegd om nadere uitleg over te geven betreft een bezoek aan Theetuin Appeltern', die in mei 2025 is gedeclareerd. De reden om dit aan u voor te leggen was het ontbreken van een datum en tijd op dat bonnetje. U verklaarde desgevraagd te hebben geluncht met de heer [naam 5] en over projecten te hebben gesproken.
2. Daarop zijn de declaraties besproken van:
- Antwerpen op 15 juni 2024 (met omschrijving lead Wavetrap advocaat en procureur generaal),
- bonnetje overleg [naam 6] van 4 februari 2024,
- van het eerste informele overleg met [naam 7] van 27 januari 2014,
- de zakenlunch met [naam 8] (die nog twee mensen bij zich had waardoor de helft is gedeclareerd)
- de klantmeeting in Uden op 7 september 2024 waar u de naam van de klant niet meer wist noch had genoemd op de declaratie,
- de bespreking met de Lead Veghel, zonder naam, op 13 juli 2024.
Nadat u een inhoudelijke toelichting op de declaraties had gegeven, zeker bij de eerste paar, werd u geconfronteerd met het feit dat deze zakelijke declaraties plaatsvonden op zaterdag of zondag. Dit kwam volgens u omdat het (drukke) privé-contacten zijn (zoals [naam 8] ), u gewend was vanuit uw eigen bedrijf in het weekend te werken, u extra stappen buiten werktijd wilde zetten, etc. Uitdrukkelijk is u gevraagd of deze declaraties niet voor u privé waren, hetgeen niet het geval was volgens u. U snapt dat het vreemd is dat lunches of bonnetjes van zaterdag of zondag worden gedeclareerd en zeker als er geen namen bijstaan met welke zakenrelatie dit dan heeft plaatsgevonden. U zult dit niet meer doen.
3. Vervolgens stonden wij stil bij uw declaratie van een lunchbespreking met een zorgorganisatie in Zondag te Maastricht van 16 juli 2024. U legde gelijk het project uit, ook met [naam 5] . Toen wij u confronteerde met een foto van u met een jongen op het terras van Zondag, gaf u aan dat dit uw zoon (" [zoon] , mijn derde zoon") zou zijn, die later na de lunch zou zijn gekomen en waarmee u in Maastricht zou hebben rondgelopen. U had ook alleen een inrijkaart van de parkeergarage (om 12.45 uur). U had geen kwitantie of uitrijkaart, maar declareerde aan parkeerkosten tenminste 4 uur. Op de vraag of dit geen privé-uitgave was, gaf u zeker aan dat dit niet het geval is. Voor 16 juli 2024 heeft u echter ook geen verlof gevraagd of genoteerd. U pakt wel eens een uurtje terug als u te veel heeft gewerkt. Dit stemt u verder niet af en bepaalt u zelf. Hierbij liet u uw verklaring.
4. Bij de volgende declaratie, die van ' [naam 9] en [naam 10] ' van augustus 2024 ad € 31,80 erkende u dat deze niet klopt.
5. Dit geldt ook voor de declaratie van Boscafé het Maasdal van 16 juli 2024 van € 95,90. U gaf aan dat u dit niet goed heeft gedaan. Evenmin heeft u hiervoor verlof gevraagd.
6. Op de vraag of de declaratie van de meeting met [naam 11] en [naam 12] (Axians) en [naam 5] van 2 mei 2025 ad € 83,30 klopte, wist u dat zeker van wel. Wij hebben echter [naam 11] gebeld die aangaf daar niet met u te zijn geweest. Op 2 mei 2025 had u bovendien verlof. Ook deze declaratie klopt dus niet, maar volhardt u ten onrechte dat u er niet met uw kinderen bent geweest, terwijl er foto's van de dichtbij gelegen Alpacafarm zijn gepost.
7. Bij de declaratie van € 100,20 van 5 maart 2025 bij "Parkpaviljoen De Wezenlanden" — toen u geluncht zou hebben in Zwolle met onder andere de heer [naam 13] en drie collega's van hem (bedrijf AB Telecom') — erkende u dat deze niet klopt en dat u daar niet eerlijk over bent geweest.
Er zijn ook foto's met vier personen naast u van een bezoek in Zwolle gepost.
8. Vervolgens confronteerde wij u met het bericht dat de verificatie van uw lunches met [naam 5] — wat tijdens ons verantwoordingsgesprek plaatsvond — opleverde, dat deze declaraties ook niet kloppen. Hij heeft niet met u geluncht bij de B&B Theetuin — Appeltern. Hij was op 27 juni 2025 niet bij Strand 10 te Oss met (waar 8 drankjes in 40 minuten zijn genuttigd?), noch op 27 januari 2025 bij Pan & Zo te Herpen en evenmin op 13 december 2024 voor € 108,70 bij NUL 73 te Den Bosch.
Dringende redenen
Anders gezegd, vaststaat dat u onjuiste declaraties hebt ingediend, zeker voor wat betreft die onder de punten 1, 4, 5, 6, 7 en 8 hiervoor, naast die van de abonnementen Linkedln Business — Sales Navigator en Phantombuster. In deze fraude op schrift jegens uw werkgever AGC is dan ook de dringende reden gelegen zoals in de Wet bedoelt, voor elke declaratie in deze punten (1, 4, 5, 6, 7 en 8 hiervoor en de abonnementen) op zich en los van elkaar, maar ook in onderlinge samenhang, objectief en subjectief bezien, waardoor wij u tijdens de bespreking op staande voet hebben ontslaan. Hieraan kan ook de urenfraude die hier onder ligt, zoals in de punten 3, 5 en 7 benoemd, worden toegevoegd. U heeft stelselmatig frauduleuze handelingen gepleegd ten koste van uw werkgever, waardoor u ons vertrouwen volstrekt onwaardig bent geworden, zoals bedoeld in artikel 7:678 lid 2 onderPro d BW. Hierdoor kan van ons (nu al) niet worden gevergd om de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren.
(…)”
2.13.
Partijen hebben daarna geprobeerd om met elkaar een minnelijke regeling te treffen. Dat is niet gelukt.
2.14.
AGC heeft de eindafrekening opgemaakt en aan [partij A] verstrekt. Hierbij heeft AGC het salaris tot 23 september 2025, het opgebouwde vakantiegeld en niet-genoten vakantiedagen verrekend met een gefixeerde schadevergoeding.
3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
3.1.
[partij A] verzoekt de kantonrechter – na vermindering van haar verzoek –het ontslag op staande voet te vernietigen en AGC te veroordelen tot betaling van loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BurgerlijkPro Wetboek (BW). Voor het geval het ontslag op staande voet wel in stand blijft, verzoekt zij om een gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en een billijke vergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente. Daarnaast verzoekt zij AGC, op straffe van een dwangsom, te veroordelen tot verstrekking van een correcte eindafrekening per datum dat het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd, een verklaring voor recht dat het verrekenen van de gefixeerde schadevergoeding van AGC met het laatstverdiende loon niet rechtsgeldig is en veroordeling van AGC in de proceskosten.
3.2.
AGC vraagt afwijzing van het verzoek van [partij A] . Bij zelfstandig tegenverzoek verzoekt AGC de kantonrechter om [partij A] te veroordelen tot betaling van vergoedingen voor onrechtmatig ingediende declaraties, onterecht uitbetaalde (want niet gewerkte) uren, de eigen bijdrage van de leaseauto en voor gemaakte schoonmaakkosten van de auto en het ontbreken van de tweede sleutel, te vermeerderen met wettelijke rente. Verder verzoekt AGC om een verklaring voor recht dat zij de gefixeerde schadevergoeding rechtsgeldig met de eindafrekening heeft verrekend en dat [partij A] , op straffe van een dwangsom, wordt veroordeeld de laptop van AGC in te leveren. Voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd, verzoekt AGC bij voorwaardelijk tegenverzoek ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 BWPro onder e (verwijtbaar handelen), g (verstoorde arbeidsverhouding) dan wel i (combinatiegrond). In alle gevallen verzoekt AGC om veroordeling van [partij A] in de proceskosten.
4.De beoordeling
Hertstel van het verzoekschrift en ontvankelijkheid
4.1.
De kantonrechter stelt vast dat het verzoek zoals dat op 12 november 2025 is ingediend, was gericht tegen AGC Nederland Groothandel B.V. Bij akte van
5 januari 2026 heeft [partij A] gevraagd het verzoek te wijzigen en te rectificeren, zodanig dat het is gericht tegen AGC Nederland Holding B.V. Met dat verzoek kan naar het oordeel van de kantonrechter worden ingestemd, op de volgende gronden.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in dagvaardingszaken kan een vergissing in de partijaanduiding door een rectificatie worden hersteld indien (a) de vergissing onder de gegeven omstandigheden voor de processuele wederpartij kenbaar was, (b) de wederpartij door de vergissing en de rectificatie daarvan niet is benadeeld of in haar verdediging geschaad, en (c) de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden [1] . Met herstel van louter formele fouten mogen in de regel geen materiële belangen van de wederpartij worden geschaad [2] . De kantonrechter gaat er – evenals de gerechtshoven Amsterdam en ’s-Hertogenbosch [3] – van uit dat deze jurisprudentie van overeenkomstige toepassing is in verzoekschriftprocedures. Vergissingen in bijvoorbeeld de partijaanduiding in het verzoekschrift moeten in beginsel kunnen worden hersteld.
4.3.
Allereerst is van belang dat [partij A] ten tijde van het ontslag in dienst was van AGC Nederland Holding B.V., die als handelsnaam onder andere AGC Nederland Groothandel voert. Tijdens de mondelinge behandeling is aan de zijde van AGC verklaard dat zij haar statutaire naam en haar handelsnamen (of een verkorting daarvan zoals op de loonstrook) door elkaar gebruikt. Ondanks dat zegt AGC de partijduiding in het verzoekschrift als een bewuste keuze van [partij A] te zien, omdat uit de arbeidsovereenkomst, de ontslagbrief en het handelsregister van de Kamer van Koophandel duidelijk blijkt dat AGC Nederland Holding B.V. de werkgever is. De kantonrechter is van oordeel dat die omstandigheden juist maken dat sprake is van een voor AGC kenbare vergissing. Uit de inhoud van het verzoekschrift blijkt dat [partij A] het ontslag op staande voet aanvecht dat haar op 23 september 2025 is gegeven. Daarmee was het voor AGC kenbaar dat het de bedoeling van [partij A] was om haar werkgever (AGC Nederland Holding B.V.) in rechte te betrekken en dat de partijaanduiding, die ook nog eens ziet op een niet bestaande vennootschap, berustte op een vergissing. Dat de juiste vennootschap makkelijk door (de gemachtigde van) [partij A] te achterhalen viel, doet daar niet aan af.
4.4.
Verder is de kantonrechter van oordeel dat AGC Nederland Holding B.V. door de vergissing en de rectificatie daarvan niet is benadeeld of in haar verdediging is geschaad. Voor de vraag of sprake is van benadeling moet een vergelijking worden gemaakt met de situatie waarin de vergissing niet was gemaakt. Het gaat er dus niet om of AGC Nederland Holding B.V. benadeeld wordt door de rectificatie (ook niet als zij daardoor een voordeel verliest dat zij door de vergissing zou kunnen hebben verkregen), maar door de combinatie van de vergissing en de rectificatie. Indien het verzoekschrift meteen tegen AGC Nederland Holding B.V. was gericht, had zij ook geen beroep kunnen doen op de wettelijke vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub a BW, zodat zij wat dat betreft niet benadeeld wordt door de vergissing en de rectificatie daarvan.
4.5.
AGC Nederland Holding B.V. is evenmin in haar verdediging geschaad. Het moet voor de bij het ontslag op staande voet betrokken personen van AGC Nederland Holding B.V., in elk geval [naam 1] en [naam 4] , kenbaar zijn geweest dat het de bedoeling was van
[partij A] om haar werkgever in rechte te betrekken. Zij wisten bovendien daarvoor ook al dat [partij A] het niet eens was met het aan haar gegeven ontslag. De gemachtigde van [partij A] heeft namelijk bij brief van 23 oktober 2025 geprotesteerd tegen het ontslag. Die brief is geadresseerd aan AGC Nederland Holding B.V. en was gericht aan [naam 1] . Daarna heeft de gemachtigde van [partij A] met de gemachtigde van AGC onderhandeld over een minnelijke regeling. Dat heeft tot niets geleid, waarna de gemachtigde van [partij A] in een e-mail van 10 november 2025 meldt dat [partij A] niet berust in het ontslag op staande voet en vraagt om verhinderdata voor een mondelinge behandeling. Aldus wist AGC Nederland Holding B.V. waar het om ging en had zij voldoende voorbereidingstijd om zich inhoudelijk te verweren, wat zij ook met haar verweerschrift van 4 januari 2026 heeft gedaan.
4.6.
Ten slotte heeft [partij A] tijdig om rectificatie verzocht, wat ook niet door AGC is betwist. De kantonrechter zal het op 12 november 2025 ingediende verzoek daarom lezen als ware het gericht tegen AGC Nederland Holding B.V. en haar daarom als verweerster vermelden in de kop van deze beschikking. Het voorgaande brengt daarnaast met zich dat het beroep van AGC op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub a BW wordt gepasseerd. [partij A] is om die reden in haar verzoeken ontvankelijk.
Inhoudelijke beoordeling ontslag op staande voet
4.7.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Op grond van artikel 7:677 lid 1 BWPro is iedere partij bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. AGC heeft op 23 september 2025 de arbeidsovereenkomst met [partij A] om een dringende redenen onverwijld mogen opzeggen. De kantonrechter zet hierna uiteen hoe hij tot dat oordeel is gekomen.
Is het ontslag onverwijld gegeven en meegedeeld?
4.8.
Volgens [partij A] declareerde zij jarenlang kosten bij AGC op dezelfde wijze. Zij stuurde de declaraties met (foto’s van) losse bonnetjes en facturen naar [naam 1] en [naam 3] . Die keurden de declaraties goed en vervolgens werd het gedeclareerde bedrag uitbetaald. Het was volgens [partij A] al jaren bekend bij AGC dat de facturen van LinkedIn Business en PhantomBuster bij de declaraties ontbraken, maar zij is daar tot voorkort nooit op aangesproken. Daarmee heeft AGC niet voldaan aan de onverwijldheidsvereiste, aldus [partij A] .
4.9.
AGC heeft gemotiveerd betwist dat zij al jaren bekend was met de ontslagreden. AGC ging er in goed vertrouwen vanuit dat [partij A] de kosten van de LinkedIn Business en PhantomBuster abonnementen voorschoot en keurde daarom deze declaraties goed. Pas toen [partij A] op 15 september 2025 (en nogmaals op 16 september 2025) naar [naam 4] e-mailde dat zij geen enkele onderbouwing kon geven van de betalingen, was er volgens AGC reden voor nader onderzoek naar het declaratiegedrag van [partij A] . Dat onderzoek heeft zij gedaan. Vervolgens heeft zij [partij A] tijdens het gesprek op 23 september 2025 in de gelegenheid gesteld om te reageren op de bevindingen van dat onderzoek. Volgens [partij A] heeft [naam 1] haar tijdens dat gesprek enorm onder druk gezet en geïntimideerd, maar dat blijkt niet uit de geluidsopname. Volgens [partij A] heeft AGC delen uit de geluidsopname geknipt, maar dat heeft zij niet aangetoond. Op de geluidsopname is een aaneengesloten gesprek te horen waarbij de toon van de sprekers steeds vrijwel hetzelfde blijft en de onderwerpen in een logische volgorde besproken worden. [partij A] heeft een rapport over de geluidsopname in het geding gebracht, maar daaruit kan de kantonrechter niet opmaken dat in de geluidsopname is geknipt. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de geluidsopname het volledige gesprek omvat. Aan het einde van dat gesprek is [partij A] op staande voet ontslagen. Twee dagen later heeft zij de ontslagbrief ontvangen, waarin de redenen van het ontslag op staande voet nog een keer uiteen zijn gezet (zie 2.12). Naar het oordeel van de kantonrechter heeft AGC onder deze omstandigheden voldoende voortvarend en ook zorgvuldig gehandeld. Dit betekent dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven en meegedeeld.
Is sprake van een dringende reden voor het ontslag op staande voet?
4.10.
Als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BWPro worden op grond van het bepaalde in artikel 7:678 lid 1 BWPro beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van [partij A] , die ten gevolge hebben dat van AGC redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van wat AGC als dringende reden aanmerkt en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop [partij A] deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van [partij A] , zoals haar leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet hebben.
4.11.
De dringende reden die is medegedeeld en dus moet worden beoordeeld, is blijkens de ontslagbrief van 25 september 2025 (zie 2.12) dat [partij A] – kort gezegd –stelselmatig frauduleuze handelingen heeft verricht ten koste van AGC. AGC verwijt [partij A] dat zij, naast de declaraties voor LinkedIn Business en PhantomBuster, meerdere onjuiste declaraties heeft ingediend en voor meerdere privé-activiteiten geen verlof heeft aangevraagd.
4.12.
[partij A] betwist de verwijten van AGC. Er is volgens haar geen sprake van een dringende reden, omdat zij niet willens en wetens declaraties heeft vervalst en er dus geen sprake is van fraude. Zij zegt met toestemming van haar leidinggevende abonnementen op LinkedIn en PhantomBuster te hebben afgesloten en die voor haar werk bij AGC te hebben gebruikt. [partij A] erkent wel dat zij drie declaraties heeft ingediend die niet zagen op zakelijke kosten maar op privé-uitgaven. Dat is volgens haar een vergissing geweest en zij heeft AGC aangeboden om die kosten zelf te betalen. Dit alles rechtvaardigt volgens [partij A] geen ontslag op staande voet.
4.13.
Er is geen discussie over dat AGC de declaraties van [partij A] voor LinkedIn en PhantomBuster jarenlang zonder facturen goedkeurde en uitbetaalde. Toen AGC in augustus 2025 aan [partij A] vroeg om de facturen te verstrekken, kwam daar als reactie op dat dit niet mogelijk was. Volgens [partij A] waren de accounts gekoppeld aan een e-mailadres die haar ex-man heeft geblokkeerd. De betalingen liepen via een prepaid creditcard waarvan zij geen afschriften kreeg. De afschriften konden volgens haar niet opgevraagd worden, omdat de creditcardmaatschappij gestopt was met haar diensten. [partij A] stelt dat zij er alles aan heeft gedaan om de facturen en de bankafschriften te achterhalen. Dat heeft zij alleen op geen enkele manier met stukken onderbouwd en ook heeft zij niets in het geding gebracht waaruit valt af te leiden dat zij de abonnementen heeft gehad. Dat had volgens de kantonrechter, gelet op de betwisting van de declaraties door AGC, wel op haar weg gelegen. Het is hierdoor niet aannemelijk dat [partij A] de (betaalde) abonnementen daadwerkelijk heeft gehad.
4.14.
Daarnaast staat door de erkenning van [partij A] vast dat zij drie onjuiste declaraties heeft ingediend die niet zagen op zakelijke kosten maar op privé-uitgaven. Volgens [partij A] is dit niet opzettelijk gebeurd; het zouden vergissingen zijn. De kantonrechter acht dat niet geloofwaardig. [partij A] heeft op de declaratieformulieren vermeld om welke zakelijke afspraken het ging, zij heeft de namen van de contacten van de afspraken op de kassabonnen geschreven en zij heeft foto’s van de kassabonnen als bijlage toegevoegd waarbij in de bestandsnamen van de foto’s ook nog eens staat op welke zakelijke afspraak het ziet. Gelet hierop kan het dus niet meer om een enkele vergissing gaan, maar moeten het welbewuste gedragingen te zijn geweest.
4.15.
Het onterecht declareren van kosten levert op zichzelf al een dringende reden op die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Immers, met deze handelswijze heeft [partij A] zich bedragen toegeëigend waarop zij geen aanspraak had en daarmee heeft zij AGC benadeeld. Van AGC kon daarom redelijkerwijze niet worden verlangd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Anders dan [partij A] heeft betoogd, had AGC niet hoeven te volstaan met een lichtere sanctie, zoals het inhouden van de betreffende declaraties op haar loon. Dat het wederrechtelijk voordeel van [partij A] slechts om een paar tientjes per declaratie gaat, doet aan de onrechtmatigheid van de gedraging niet af. Datzelfde geldt voor dat AGC eerder had kunnen ontdekken dat de declaraties niet kloppen. Een werkgever moet erop kunnen vertrouwen dat een werknemer alleen werkelijk gemaakte zakelijke kosten declareert.
4.16.
[partij A] heeft gewezen op haar persoonlijke omstandigheden en de (financiële) gevolgen van het ontslag. Zij heeft toegelicht dat zij een alleenstaande moeder is van twee minderjarige kinderen (van 15 en 17 jaar) en daardoor een zware financiële verantwoordelijkheid draagt. Zij lijdt daarnaast aan fibromyalgie, wat door de stress van het ontslag op staande voet erger is geworden. Zij voelt zich op dit moment emotioneel kapot en is daarom nog niet begonnen met het zoeken naar een andere baan. Gezien haar leeftijd weet zij niet goed wat haar positie op dit moment op de arbeidsmarkt is. De kantonrechter is van oordeel dat, hoe vervelend de privé-omstandigheden van [partij A] ook zijn, dit niet de conclusie rechtvaardigt dat van een dringende reden geen sprake is.
4.17.
De conclusie is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.
Het verzoek van [partij A]
4.18.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [partij A] om betaling van haar loon vermeerderd met de wettelijke verhoging, de billijke vergoeding en de gefixeerde schadevergoeding worden afgewezen.
4.19.
Ook het verzoek om AGC te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt afgewezen. Hiervoor is geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [partij A] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd. [4]
4.20.
[partij A] heeft verder verzocht om veroordeling van AGC tot verstrekking en uitbetaling van een correcte eindafrekening en om een verklaring voor recht dat het verrekenen van de gefixeerde schadevergoeding met het laatstverdiende loon niet rechtsgeldig is. Ook die verzoeken worden afgewezen. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat [partij A] schuld heeft aan het ontslag op staande voet, zodat zij de gefixeerde schadevergoeding aan AGC verschuldigd is. Omdat AGC recht heeft op de gefixeerde schadevergoeding en de hoogte van het bedrag niet ter discussie staat, heeft zij deze vergoeding terecht verrekend met de eindafrekening. Door [partij A] is niet onderbouwd op grond waarvan dat niet zou mogen.
Het tegenverzoek van AGC
4.21.
Gelet op het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, is de arbeidsovereenkomst tussen partijen reeds geëindigd en komt de kantonrechter dan ook niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
4.22.
Over het zelfstandige tegenverzoek van AGC wordt het volgende overwogen.
Vergoeding onrechtmatig ingediende declaraties en niet gewerkte uren
4.23.
AGC verzoekt [partij A] te veroordelen tot (terug)betaling van een bedrag van € 3.584,20 aan onrechtmatig ingediende declaraties en een bedrag van € 1.606,50 bruto aan onterecht uitbetaalde niet gewerkte uren. [partij A] betwist dat zij gehouden is om die bedragen te betalen. Volgens haar is niet onderbouwd wat de juridische grondslag hiervan is en van de niet gewerkte uren mist elke concrete onderbouwing.
4.24.
De kantonrechter overweegt dat [partij A] opzettelijk heeft bewerkstelligd dat AGC kosten heeft vergoed die niet zakelijk zijn. De kantonrechter verwijst hiervoor naar de overwegingen over het door [partij A] ingediende verzoek. [partij A] heeft door dit opzettelijke handelen schade veroorzaakt bij AGC. AGC heeft op een lijst (productie 24 van AGC) uiteengezet welke declaraties volgens haar niet zakelijk zijn. In totaal komen die declaraties neer op een bedrag van € 3.584,20. Tegen de declaraties op de lijst is geen (afzonderlijk) verweer door [partij A] gevoerd. De kantonrechter is daarom van oordeel dat AGC met de lijst uiteen heeft gezet wat haar schade is. [partij A] is op grond van art. 7:661 BWPro gehouden tot vergoeding van die schade. De verzochte schadevergoeding van € 3.584,20 zal daarom worden toegewezen.
4.25.
De verzochte schadevergoeding voor niet gewerkte uren is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd en daarom niet toewijsbaar. Weliswaar staan er niet gewerkte uren op de lijst bij de declaraties vermeld, maar AGC heeft verder niet uiteengezet hoe ze bij de aantallen daarvan komt. Door [partij A] is aangevoerd dat zij structureel overwerkte en dat soms tijdens werkuren compenseerde. Of zij dus daadwerkelijk een bedrag van € 1.606,50 bruto onterecht uitbetaald heeft gekregen, is dus maar de vraag.
Vergoeding eigen bijdrage leaseauto
4.26.
AGC verzoekt verder een bedrag van € 1.844,85 aan eigen bijdrage voor de leaseauto. Volgens AGC zijn partijen overeengekomen dat [partij A] een bedrag van € 87,85 per maand verschuldigd is tot het einde van de leaseovereenkomst (8 juni 2027), omdat zij een duurdere leaseauto heeft uitgekozen dan waar zij met haar functie recht op had. Nu de arbeidsovereenkomst door toedoen van [partij A] eerder dan de einddatum van de leaseovereenkomst is geëindigd, loopt AGC de eigen bijdrage iedere maand mis. Volgens AGC moet [partij A] op grond de berijdersovereenkomst de resterende verschuldigde eigen bijdrage betalen.
4.27.
Tijdens de mondelinge behandeling is door AGC verklaard dat de leaseauto inmiddels aan een andere werknemer in gebruik is gegeven, maar AGC de eigen bijdrage niet bij die werknemer in rekening brengt omdat hij niet zelf voor een duurdere leaseauto heeft gekozen. Volgens [partij A] valt dit voor haar niet te controleren en maken die omstandigheden dat het niet redelijk is om van haar de eigen bijdrage te verzoeken. De kantonrechter is dat niet met [partij A] eens. In de berijdersovereenkomst staat dat [partij A] bij voortijdige uitdiensttreding verplicht is de eventueel resterende verschuldigde bedragen voor de leaseauto aan AGC te betalen. Dat een andere werknemer de leaseauto nu heeft, doet daar niet aan af. Het verzochte bedrag van € 1.844,85 aan eigen bijdrage wordt daarom toegewezen.
Vergoeding schoonmaakkosten auto en ontbreken sleutel
4.28.
Volgens AGC heeft [partij A] de leaseauto allesbehalve schoon (vol met hondenharen) ingeleverd. AGC heeft de auto daarom tot twee keer toe professioneel moeten laten reinigen. Daarnaast heeft [partij A] de tweede autosleutel volgens AGC niet ingeleverd. De kosten hiervan moeten volgens AGC voor rekening van [partij A] komen, in totaal neerkomend op een bedrag van € 557,02.
4.29.
[partij A] betwist dat zij de auto vies en zonder tweede autosleutel heeft ingeleverd. De tweede autosleutel bevond zich in de auto, wat ook op het in het geding gebrachte inleverbewijs staat geschreven.
4.30.
De kantonrechter vindt het niet redelijk dat [partij A] de schoonmaakkosten van de auto moet vergoeden. Door AGC is niet aangetoond dat de auto bij het inleveren vies was. [partij A] heeft ook geen kans gehad om de auto zelf schoon te maken, aangezien zij deze direct na het gesprek op 23 september 2025 moest inleveren. Over de autosleutel is verder niets concreets door AGC aangevoerd. De kantonrechter zal daarom de verzochte vergoeding van deze kosten afwijzen.
Verklaring voor recht gefixeerde schadevergoeding
4.31.
Gelet op wat hiervoor (zie 4.20) is geoordeeld, zal de door AGC verzochte verklaring voor recht worden toegewezen.
Inleveren laptop
4.32.
[partij A] heeft tijdens de mondelinge behandeling de laptop aan AGC gegeven. Het verzoek van AGC daarover hoeft daarom niet meer beoordeeld te worden.
Wettelijke rente
4.33.
Over de toegewezen bedragen voor de onrechtmatig ingediende declaraties en die voor de eigen bijdrage voor de leaseauto wordt, zoals verzocht is door AGC, de wettelijke rente toegewezen vanaf 23 september 2025.
Proceskosten
4.34.
De proceskosten komen voor rekening van [partij A] , omdat zij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van AGC worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.35.
De proceskosten van AGC in het tegenverzoek worden begroot op nihil.
5.De beslissing
De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
wijst het verzoek af,
5.2.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
op het tegenverzoek,
5.3.
verstaat dat op het voorwaardelijke tegenverzoek niet hoeft te worden beslist,
5.4.
veroordeelt [partij A] om aan AGC te betalen een bedrag van € 3.584,20 voor onrechtmatig ingediende declaraties en een bedrag van € 1.844,85 aan eigen bijdrage voor de leaseauto, te vermeerderen met de wettelijke rente over die bedragen vanaf 23 september 2025 tot aan de dag van gehele betaling,
5.5.
verklaart voor recht dat AGC de gefixeerde schadevergoeding rechtsgeldig met de eindafrekening heeft verrekend,
5.6.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten, aan de zijde van AGC begroot op nihil,
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af,
op het verzoek en op het tegenverzoek
5.8.
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.2, 5.4 en 5.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad [5] .
Deze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op