ECLI:NL:RBOVE:2026:665

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/08/343891 / JE RK 26-99_29012026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Verordening (EU) 2019/1111Art. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 3 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961Art. 16 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige met psychische problematiek

Een minderjarige en zijn vader zijn vanuit China in Nederland aangekomen en verblijven sinds mei 2025 in afwachting van hun asielaanvraag. Vanwege ernstige psychische problemen bij beiden en een bedreigde ontwikkeling van de minderjarige, heeft de Raad voor de Kinderbescherming een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is. De gezagsverhouding tussen vader en zoon wordt bevestigd aan de hand van een Hukou-boekje en verklaringen, ondanks het ontbreken van een geboorteakte.

De kinderrechter stelt vast dat de vader door zijn psychische problematiek niet in staat is de opvoeding te bieden die de minderjarige nodig heeft. De minderjarige verblijft sinds september 2025 in een jeugdhulpvoorziening waar zijn situatie verbetert. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn noodzakelijk om de ontwikkeling van de minderjarige te beschermen en continuïteit van zorg te waarborgen.

De beschikking wordt voor de duur van twaalf maanden gegeven en is direct uitvoerbaar, ook bij hoger beroep. De vader verzet zich niet tegen het verzoek en toont bereidheid tot medewerking.

Uitkomst: De rechtbank stelt de minderjarige onder toezicht en verleent machtiging tot uithuisplaatsing voor twaalf maanden vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/343891 / JE RK 26-99
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad,
gevestigd te Maastricht ,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
verblijvende in [verblijfplaats] ,
bijgestaan door advocaat: mr. R.W. van Faassen uit Zwolle
en
[minderjarige].
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Nidos,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Utrecht.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader in het bijzijn van een tolk in de taal Chinees (Mandarijn) en bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] en [naam 3] namens de GI.
1.3.
Bijzondere toegang is verleend aan [naam 4] , begeleider van de vader vanuit het COA.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om zijn mening in een gesprek te geven.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] en de vader verblijven sinds 26 mei 2025 in Nederland en zij hebben een aanvraag gedaan voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning.
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [locatie] in [plaats 1] .

3.Het verzoek

3.1.
De raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. Ook verzoekt de raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van twaalf maanden. De raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken.
3.2.
Ter aanvulling heeft de raad tijdens de zitting naar voren gebracht dat de vader in het bezit is van een Hukou-boekje, wat een cruciaal document is met betrekking tot de familieverhouding en wat zou bevestigen dat de vader ook daadwerkelijk de vader van [minderjarige] is. De raad benoemt tevens dat er wordt gekeken naar een voorziening en verblijf voor de vader in [plaats 2] , zodat hij weer dichter bij [minderjarige] zal verblijven.

4.De standpunten

4.1.
De vader verzet zich niet tegen het verzoek van de raad en refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter. De vader wil graag meer contact met [minderjarige] , maar hij begrijpt dat hij eerst aan zichzelf moet werken.

5.De beoordeling

Het internationaal privaatrecht
5.1.
De rechtbank dient ten eerste de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.
5.2.
[minderjarige] en de vader verblijven sinds 26 mei 2025 in Nederland en hebben asiel aangevraagd. De rechtbank dient te beoordelen of [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland of China heeft en of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.
5.3.
Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van het kind moet worden vastgesteld op basis van alle feiten en omstandigheden. [1] De rechtbank stelt vast dat [minderjarige] en de vader vanuit China, via verschillende andere landen naar Nederland zijn gereisd. Volgens de vader hebben zij China verlaten, omdat hij wil dat [minderjarige] onderwijs volgt en dat dat in China niet mogelijk was. Op 26 mei 2025 hebben [minderjarige] en de vader in Nederland asiel aangevraagd. Sindsdien verblijven [minderjarige] en de vader in Nederland en zijn zij in afwachting van de beoordeling van hun asielaanvraag. Er is een duidelijke intentie om in Nederland te blijven en [minderjarige] en zijn vader verblijven ook al sinds langere tijd in Nederland. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
5.4.
De rechtbank Overijssel komt rechtsmacht toe op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van Pro de Verordening (EU) 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter), omdat [minderjarige] op de datum van indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
5.5.
Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing nu de Nederlandse rechter bevoegd is.
5.6.
Vervolgens moet gekeken worden naar de gezagsverhouding tussen [minderjarige] en de vader. Op 26 mei 2025 zijn [minderjarige] en de vader vanuit China middels een langdurige reis aangekomen in Nederland en hebben zij in [plaats 3] asiel aangevraagd. Diezelfde dag zijn [minderjarige] en de vader overgebracht naar een AZC in [plaats 4] . Er is geen geboorteakte van [minderjarige] bekend. De raad heeft getracht duidelijkheid te krijgen over de gezagsverhouding en heeft contacten gelegd met de Centrale Autoriteiten, het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Chinese ambassade in Den Haag. De raad heeft geen duidelijkheid gekregen naar aanleiding van deze contacten. [minderjarige] en de vader hebben verklaard dat zij familie van elkaar zijn en de raad gaat bij gebrek aan documenten uit van deze verklaringen. De raad heeft [minderjarige] en de vader afzonderlijk van elkaar gesproken en hun beschrijving van hun voorgeschiedenis komt in grote lijnen overeen. Ter zitting heeft de vader een Hukou-boekje laten zien. De tolk heeft verklaard dat daarin beschreven staat dat de vader en [minderjarige] vader en zoon zijn. Voor de rechtbank is dit voor deze procedure voldoende om aan te nemen dat de vader daadwerkelijk de vader van [minderjarige] is.
5.7.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] geboren is vóór 1 mei 2011. Daarom zijn voor de vraag of sprake is van gezag zowel artikel 3 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1961 (
hierna: HKV 1961) als artikel 16 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996 (
hierna: HKV 1996) van belang. Zij die gezag hebben op basis van de oude en de nieuwe regeling hebben allen gezamenlijk gezag. In artikel 3 HKV Pro 1961 staat dat naar het recht van de nationaliteit van het kind moet worden beoordeeld wie het gezag heeft over het kind. In artikel 16 HKV Pro 1996 staat dat naar het recht van de gewone verblijfplaats van het kind beoordeeld moet worden wie het gezag heeft.
5.8.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] de Chinese nationaliteit heeft. Het Chinese recht kent geen onderscheid tussen het ouderlijke gezag en voogdij. Volgens het Chinese recht komt de voogdij in eerste instantie toe aan de ouders. Er zijn geen gegevens bekend van de moeder van [minderjarige] . [minderjarige] en de vader hebben beiden verklaard dat de moeder hen heeft verlaten rond de kleuterfase van [minderjarige] en dat er sindsdien geen enkel contact meer is geweest. Of er nadien omtrent het gezag of voogdij iets geregeld is, is niet bekend. De vader is gezien het Chinese recht in ieder geval belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
5.9.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [2] Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [3] De kinderrechter zal [minderjarige] onder toezicht stellen en zal een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlenen voor de duur van een jaar. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.10.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige] kent een belaste geschiedenis, waarbij zijn moeder het gezin al in zijn kleuterfase verlaten heeft en hij lange tijd is opgevoed door zijn grootouders vaderszijde. In 2021 is [minderjarige] , samen met zijn vader, in China opgenomen geweest en behandeld vanwege mentale problemen. [minderjarige] is met zijn vader vanuit China in Nederland terechtgekomen, nadat zij enige tijd door Europa hebben gezworven. Kort nadat [minderjarige] en zijn vader in Nederland zijn aangekomen is [minderjarige] tijdelijk op een crisisplek van Argo geplaatst vanwege suïcideuitspraken en omdat hij zichzelf sneed. Nadat [minderjarige] vanuit de crisisplek weer is teruggegaan naar zijn vader is zijn opvoedsituatie verslechterd. Zo kreeg [minderjarige] geen eten, terwijl er wel voldoende financiële middelen voor de vader aanwezig waren om eten te kopen. Ook kregen [minderjarige] en zijn vader ruzies waarbij sprake was van over en weer verbaal en fysiek geweld. De vader heeft [minderjarige] de schuld gegeven van alle problemen waar zij nu mee te maken hebben. Dit heeft er toe geleid dat [minderjarige] sinds 5 september 2025 geplaatst is bij [locatie] in [plaats 1] . Op psychisch vlak is het met de vader niet goed gegaan. Zo heeft de vader ook suïcideuitspraken gedaan. De vader is opgenomen op de Intensief Begeleide Opvang in [verblijfplaats] en ontvangt daar intensieve GGZ behandeling en ondersteuning voor zijn psychische problemen.
5.11.
De kinderrechter is van oordeel dat de vader, gezien zijn eigen problematiek, niet is staat is om [minderjarige] op dit moment de opvoeding te bieden die [minderjarige] nodig heeft en de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. De vader verblijft momenteel niet bij [minderjarige] in de buurt. De kinderrechter ziet dat de vader bereid is om aan alles mee te werken, zolang het in het belang van [minderjarige] is. Het lukt de vader echter niet om uit eigen beweging de benodigde hulp in te schakelen. De kinderrechter ziet dat er geen sprake is van onwil, maar van onmacht. Een ondertoezichtstelling is dan ook noodzakelijk om de vader te kunnen ondersteunen in het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Het is dan ook in het belang van [minderjarige] dat er regie wordt gevoerd, dat zijn ontwikkeling goed gemonitord wordt en de zorg die [minderjarige] ontvangt gecontinueerd wordt.
5.12.
[minderjarige] verblijft inmiddels enkele maanden bij [locatie] en daar gaat het inmiddels beter met hem. Ondanks de taalbarrière heeft [minderjarige] met andere leeftijdsgenoten contact gelegd en gaat hij ook naar school. [minderjarige] ontwikkelt zich positief en het is dan ook noodzakelijk dat hij op deze plek kan blijven wonen. Omdat de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht zal stellen en [minderjarige] niet bij zijn vader verblijft zal de kinderrechter ook een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Nidos voor de duur van een jaar, met ingang van 29 januari 2026 tot 29 januari 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar, met ingang van 29 januari 2026 tot 29 januari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr. D.E. Schaap, kinderrechter, in aanwezigheid van J.G.J. Remeijsen als griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Zie: Hof van Justitie van de Europese Unie 2 december 2010, nr. C-497/10 PPU en Hoge Raad 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4833.
2.Artikel 1:255 BW Pro.
3.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.