ECLI:NL:RBOVE:2026:666

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
ak_25_3484 en 26_330
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 3:46 AwbArt. 4:112 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar dwangbevel en rechtsgevolgen in stand gelaten

KLIX Portaal B.V. heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel waarin het bezwaar tegen een dwangbevel niet-ontvankelijk werd verklaard. Het dwangbevel betrof een terugvordering van subsidie die KLIX niet had betaald.

De rechtbank stelt vast dat het college ten onrechte had gesteld dat een dwangbevel geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, waardoor het bezwaar onterecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Dit vormt een motiveringsgebrek en maakt het bestreden besluit vernietigbaar.

Echter, het college heeft terecht aangevoerd dat op grond van artikel 8:4 Awb Pro bezwaar tegen een dwangbevel niet mogelijk is, waardoor het bezwaar alsnog terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank vernietigt het besluit maar laat de rechtsgevolgen van het dwangbevel in stand. Het verzoek om een voorlopige voorziening om invordering te voorkomen wordt afgewezen.

De rechtbank wijst het griffierecht toe aan KLIX en benadrukt dat KLIX zich tot de burgerlijke rechter kan wenden om het dwangbevel aan te vechten. De procedure richt zich uitsluitend op het dwangbevel en niet op eerdere besluiten over de subsidie.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het dwangbevel is gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het dwangbevel blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/3484 en ZWO 26/330
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
KLIX Portaal B.V., uit Zwolle,
hierna: KLIX,
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel,
hierna: het college.

1.Inleiding

1.1.
Deze uitspraak gaat over het beroep van KLIX tegen het besluit van het college van 27 oktober 2025, en het daarmee samenhangende verzoek om voorlopige voorziening.
1.2.
Op 19 juli 2024 heeft KLIX bij het college een aanvraag ingediend voor vaststelling van de aan haar verleende subsidie.
1.3.
Met het besluit van 22 november 2024 (hierna: de vaststellingsbeschikking) heeft het college de verleende subsidie lager vastgesteld, op een bedrag van € 24.254,-, waarbij een bedrag van € 20.746,- is teruggevorderd (later gerectificeerd naar € 20.647, -). Het daartegen gemaakt bezwaar is door het college met het besluit van 13 maart 2025 (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is geen beroep ingesteld door KLIX.
1.4.
Op 7 oktober 2025 heeft het college een dwangbevel uitgevaardigd voor het bedrag van € 20.647, - (verhoogd met de wettelijke rente), omdat KLIX in gebreke is gebleven om het verschuldigde bedrag te betalen.
1.5.
Op 10 oktober 2025 heeft KLIX bezwaar gemaakt tegen het dwangbevel. Met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 heeft het college dit bezwaar (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard.
1.6.
KLIX is het met dit besluit niet eens en heeft daartegen op 28 november 2025 beroep ingesteld. Op 20 januari 2026 heeft KLIX de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen gedurende de beroepsprocedure, om te voorkomen dat het college op korte termijn tot invordering zal overgaan.
1.7.
Het college heeft op 29 december 2025 in beroep met een verweerschrift gereageerd. Op 4 februari 2026 heeft het college op het verzoek met een nagenoeg gelijkluidend verweerschrift gereageerd.
1.10.
De rechtbank ziet aanleiding uitspraak te doen zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe hij tot zijn oordeel komt.

2.Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het beroep
2.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep zich richt tegen de beslissing op bezwaar van het college van 27 oktober 2025, waarin het bezwaar tegen het dwangbevel van 7 oktober 2025 niet-ontvankelijk is verklaard.
2.2.
Het college heeft daarin gemotiveerd dat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het dwangbevel niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, waardoor de mogelijkheid tot het maken van bezwaar niet openstaat.
2.3.
KLIX heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat een dwangbevel wel een besluit in de zin van de Awb is. In reactie daarop heeft het college in het verweerschrift erkend dat hij in de beslissing op bezwaar inderdaad ten onrechte heeft gesteld dat een dwangbevel geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Een dwangbevel dient wel als zodanig te worden aangemerkt. De beslissing op bezwaar bevat daarom naar het oordeel van de rechtbank in zoverre een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb genomen dat bepaalt dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond.
2.4.
Het college heeft echter in de verweerschriften nader gemotiveerd dat op grond van artikel 8:4, eerste lid, onder b, van de Awb er geen mogelijkheid tot bezwaar openstaat tegen een dwangbevel, wat moet leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.
2.5.
De rechtbank stelt vast dat in artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 of Pro een dwangbevel. Uit die bepaling, in samenhang gelezen met artikel 7:1 van Pro de Awb, volgt dan ook dat geen bestuurlijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend tegen een dwangbevel. Met deze nadere beoordeling door het college in het verweerschrift heeft het college naar het oordeel van de rechtbank alsnog voldoende gemotiveerd waarom het bezwaar van KLIX, weliswaar op basis van een andere onderbouwing, terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank ziet om die reden aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven. Aan een inhoudelijke bespreking van het bezwaarschrift – zoals door KLIX is betoogd – heeft het college dan ook niet hoeven toekomen.
2.6.
De rechtbank komt, omdat het voorliggende geschil zich alleen richt op het dwangbevel en niet op de daaraan voorafgaande besluitvorming, niet toe aan een bespreking van de gronden die KLIX heeft aangevoerd, die zien op de vaststellingbeschikking, de terugvorderingsbeschikking, de daaropvolgende beslissing op bezwaar, en het (eventueel) ontbrekende invorderingsbesluit. KLIX heeft eerder tegen die besluitvorming bezwaar gemaakt en die bezwaren zijn bij besluit van 13 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard. KLIX heeft daartegen (tot op heden) geen beroep ingesteld. KLIX heeft de mogelijkheid gehad om die besluitvorming voor te leggen aan de rechtbank maar heeft er voor gekozen dat (tot op heden) niet te doen.
2.7.
De rechtbank, is gelet op de gedingstukken, van oordeel dat nader onderzoek niet tot een ander oordeel zal leiden en is daarom van oordeel dat het beroep kennelijk gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten.
2.8.
Ter voorlichting van KLIX merkt de rechtbank op dat indien zij het dwangbevel wil aanvechten zij zich daartoe kan wenden tot de burgerlijke rechter.
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening
2.9.
Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan de voorzieningenrechter worden verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van de uitspraak in de beroepsprocedure. Met de uitspraak van vandaag heeft de rechtbank al beslist op het beroep en dit ongegrond verklaard. Er bestaat geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

3.Conclusie en gevolgen

3.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
3.2.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
3.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan KLIX in de beroepsprocedure vergoeden. Dit betreft eenmaal € 385,-. Vastgesteld wordt voorts dat KLIX tot op heden het griffierecht in de voorlopige voorzienings-procedure niet heeft voldaan. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 27 oktober 2025;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan KLIX moet vergoeden.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarin is beslist op het beroep, een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin uitgelegd wordt waarom men het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moet dit in het verzetschrift worden vermelden. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.