AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep ongegrond tegen invordering dwangsom wegens niet voldoen aan last onder dwangsom
De zaak betreft een beroep van eiseres tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg tot invordering van een dwangsom van €12.000. Deze dwangsom is opgelegd wegens het niet tijdig indienen van een melding van beëindiging van bedrijfsactiviteiten en het niet aanleveren van een bodemkwaliteitsrapport.
Het college stelde dat eiseres niet aan de opgelegde last onder dwangsom had voldaan, terwijl eiseres betoogde dat de last onterecht aan haar was opgelegd en dat er geen overtreding had plaatsgevonden. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was en dat de bezwaren tegen de last onder dwangsom in deze procedure niet opnieuw beoordeeld konden worden, tenzij sprake was van een uitzonderlijk geval, wat niet het geval was.
De rechtbank stelde vast dat de vaststelling van de overtreding door een bevoegde medewerker van de Omgevingsdienst IJsselland was gedaan en dat het controlerapport betrouwbaar was. Er waren geen bijzondere omstandigheden die invordering van de dwangsom konden verhinderen. Daarom bleef het bestreden besluit in stand en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de invordering van de dwangsom wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1059
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres, hierna: [eiseres],
en
het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: mr. L.F. Miltenburg en mr. M.J. Tunnissen).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de invordering van € 12.000,- vanwege het niet voldoen aan een opgelegde last onder dwangsom. Volgens het college heeft [eiseres] niet tijdig een volledige melding van de beëindiging van bedrijfsactiviteiten ingediend en niet tijdig een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit naar het college gestuurd. [eiseres] is het niet met deze invordering eens omdat zij vindt dat de last onder dwangsom niet aan haar opgelegd had mogen worden. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op goede gronden tot invordering is overgegaan. [eiseres] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1. Bij besluit van 28 februari 2024 heeft het college beslist om een verbeurde dwangsom van € 12.000,- van [eiseres] in te vorderen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 24 februari 2025 op het bezwaar is het college bij dat besluit gebleven.
1.2.
Bij brief van 19 maart 2025 is namens [eiseres] en [naam 1] beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] namens [eiseres] en de gemachtigden en [naam 2] namens het college. [naam 3] en [naam 4] van de Omgevingsdienst IJsselland waren ook op de zitting aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Aanleiding
2. In 2006 is op het adres [adres] een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer opgericht.
2.1.
Volgens het college is bij meerdere milieucontroles geconstateerd dat op het perceel met het adres [adres] activiteiten zijn verricht met bodembedreigende stoffen.
2.2.
Het perceel met het adres [adres] is op 15 april 2022 in eigendom overgedragen aan het bedrijf [bedrijf] BV.
2.3.
Een toezichthouder – werkzaam namens het college – heeft vastgesteld dat er een einde is gemaakt aan de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] aan de [adres]. Deze wijziging van de inrichting had volgens het college gemeld moeten worden en dat is niet gebeurd.
2.4.
Het college heeft vervolgens bij besluit van 11 mei 2023 een last onder dwangsom aan [eiseres] opgelegd. Het college heeft in deze last aan [eiseres] opgedragen om voor 12 juni 2023 een volledige melding, zoals bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, in te dienen. Wanneer dit niet of niet op tijd wordt gedaan, moet een dwangsom van € 1.000,- per week worden betaald, zolang het beëindigen van de activiteit niet wordt gemeld (met een maximum van € 6.000,-). Verder is aan [eiseres] opgedragen om voor 15 juli 2023 een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit naar het college te sturen. Wanneer dit niet of niet op tijd wordt gedaan, moet een dwangsom van € 1.000,- per week worden betaald, zolang geen rapport wordt toegestuurd (met een maximum van € 6.000,-). Ten slotte is aan [eiseres] opgedragen om, wanneer uit het rapport volgt dat de bodem aangetast of verontreinigd is, ervoor zorg te dragen dat de bodemkwaliteit hersteld wordt. Dit moet binnen zes maanden na toezending van het rapport worden gedaan. Als dit niet of niet op tijd wordt gedaan, dan moet een dwangsom van € 1.750,- per week worden betaald, zolang de bodemkwaliteit niet wordt hersteld (met een maximum van € 17.500,-).
2.5.
Namens [eiseres] is bezwaar gemaakt tegen deze last onder dwangsom. In de beslissing op bezwaar van 26 maart 2024 is het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld, zodat dit besluit in rechte komen vast te staan. Dit betekent dat, anders dan [eiseres] lijkt te menen, het besluit van 26 maart 2024 niet ter beoordeling van de rechtbank voorligt in onderhavige beroepsprocedure.
2.6.
Bij besluit van 28 februari 2024 heeft het college beslist om de verbeurde dwangsom van € 12.000,- van [eiseres] in te vorderen.
2.7.
Tegen het besluit van 28 februari 2024 heeft [eiseres] bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen hangende het bezwaar. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen in een uitspraak van 4 juli 2024 [1] .
2.8.
Het college heeft vervolgens het bestreden besluit van 24 februari 2025 genomen.
Het bestreden besluit
3. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat er geen milieumelding is gedaan en dat het rapport over de bodemkwaliteit niet is ontvangen door de Omgevingsdienst IJsselland en/of de gemeente Hardenberg. Volgens het college betekent dit dat niet is voldaan aan de aan [eiseres] opgelegde lasten onder dwangsom en dat van rechtswege dwangsommen zijn verbeurd voor een bedrag van in totaal € 12.000,-. Volgens het college kan een betrokkene in de procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de lasten onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Naar de mening van het college heeft het besluit tot oplegging van de lasten onder dwangsom formele rechtskracht en zijn er in het bezwaarschrift geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het evident is dat geen overtreding heeft plaatsgevonden of dat [eiseres] evident geen overtreder is.
Overwegingen
Ontvankelijkheid van het beroep
4. In een brief van 1 januari 2026 heeft [eiseres] meegedeeld dat zij de enige procespartij is die dit beroep heeft ingesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat uitsluitend [eiseres] (en niet ook [naam 1]) beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank volgt het college niet in het ter zitting ingenomen standpunt dat [eiseres] niet binnen de beroepstermijn beroep heeft ingesteld. Uit het door de toenmalige gemachtigde ingediende beroepschrift van 19 maart 2025 volgt dat (ook) namens [eiseres] beroep is ingesteld. Het bezwaar tegen het invorderingsbesluit van 28 februari 2024 is voorts ook mede namens [eiseres] gemaakt, waarmee voldaan is aan artikel 7:1 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank acht het door [eiseres] ingestelde beroep dan ook ontvankelijk.
Een uitzonderlijk geval?
5. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) [2] dat een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene evident geen overtreder is.
6. [eiseres] kan zich niet vinden in de lasten onder dwangsom. Volgens haar hebben op de locatie nooit bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden en zijn de rapporten van de toezichthouders onjuist. Verder hadden de lasten onder dwangsom aan [naam 1] Vastgoed en Verhuur BV en niet aan [eiseres] opgelegd moeten worden en is evident geen sprake van een overtreding. [eiseres] vindt de lasten onder dwangsom onduidelijk en rechtsonzeker. Op de zitting heeft [eiseres] naar voren gebracht dat de lasten onder dwangsom en de invordering gebaseerd zijn op de resultaten van een ondermijningsactie en niet op de resultaten van een periodieke controle. Dit is naar haar mening niet toegestaan.
7. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] deze betogen tegen de oplegging van de lasten onder dwangsom naar voren had kunnen brengen. Deze beroepsgronden kunnen slechts met succes tegen het invorderingsbesluit worden aangevoerd als evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene evident geen overtreder is. Daarvan is geen sprake, aangezien [eiseres] ten tijde van het opleggen van de lasten onder dwangsom stond ingeschreven op het adres [adres] en daar haar bedrijf uitoefende. In wat [eiseres] verder naar voren heeft gebracht zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat evident geen overtreding heeft plaatsgevonden. Van een uitzonderlijk geval als bedoeld in rechtsoverweging 5 is dan ook geen sprake. Voor zover [eiseres] heeft beoogd te betogen dat [naam 1] ten tijde van de procedure tot oplegging van de lasten onder dwangsom last had van een burn-out, maakt dit niet dat de lasten onder dwangsom in de voorliggende procedure alsnog inhoudelijk beoordeeld kunnen worden. Destijds is door een medewerker namens [eiseres] wel bezwaar gemaakt tegen de lasten onder dwangsom en niet valt in te zien waarom desgewenst niet ook door iemand anders namens [eiseres] beroep had kunnen worden ingesteld tegen het op het bezwaar genomen besluit.
Is sprake van een overtreding van de lasten?
8. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [3] dient aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd.
9. Uit een controlerapport van 9 november 2023 van een medewerker Toezicht en Handhaving van de Omgevingsdienst IJsselland volgt dat op 9 november 2023 is gecontroleerd of [eiseres] een melding voor het beëindigen van het bedrijf heeft ingediend en of zij een bodemonderzoek heeft ingediend in verband met het beëindigen van de inrichting. Uit deze controle is gebleken dat er geen melding en geen bodemonderzoek zijn ingediend.
10. [eiseres] heeft niet betwist dat geen melding en geen bodemonderzoek zijn ingediend. Zij heeft zich wel op het standpunt gesteld dat besluiten in de periode van 19 september 2019 tot en met december 2023 zonder rechtsgeldig mandaat zijn genomen. Voor zover [eiseres] hiermee heeft beoogd te betogen dat de controle van 9 november 2023 onbevoegdelijk heeft plaatsgevonden, volgt de rechtbank dat niet. Uit een op 19 december 2017 [4] gepubliceerd besluit volgt dat het college extern mandaat heeft verleend aan de Omgevingsdienst IJsselland. Met een op 14 april 2020 gepubliceerd besluit [5] heeft het college een gewijzigd geüniformeerd mandaatregister van de Omgevingsdienst IJsselland vastgesteld. De rechtbank is niet gebleken dat de mandatering aan de Omgevingsdienst IJsselland gebreken vertoont. Het controlerapport van 9 november 2023 is door een daartoe bevoegde medewerker van de Omgevingsdienst IJsselland opgesteld en het onderzoek is voldoende zorgvuldig en volledig geweest. Op basis van het controlerapport van 9 november 2023 heeft het college terecht geconcludeerd dat de last was overtreden en dit rapport kon aan het besluit tot invordering ten grondslag worden gelegd.
Bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien?
11. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [6]
12. [eiseres] heeft aangegeven dat zij zich niet kan vinden in het invorderingsbesluit, maar heeft – behalve wat naar voren is gebracht tegen de lasten onder dwangsom – geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die zich richten tegen de invordering. De rechtbank acht dan ook geen bijzondere omstandigheden aanwezig op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien.
Conclusie en gevolgen
13. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Het bestreden besluit blijft in stand. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Deze procedure heeft zaaknummer ZWO 24/2347.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 februari 2019 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2019:466.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juni 2024 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2024:2594.
4.Gemeenteblad 2017, 221191.
5.Gemeenteblad 2020, 94109.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 december 2025 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2025:6163.