ECLI:NL:RBOVE:2026:689

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
ak_25_551
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 23 lid 5 WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening beëindiging ZW-uitkering en afwijzing WIA-uitkering

Eiseres was sinds 2018 werkzaam als verzorgende IG en meldde zich in juli 2019 ziek na een incident met een patiënt waarbij zij letsel aan haar rechterhand opliep. Na diverse operaties bleef zij klachten houden. In mei 2021 besloot het UWV haar ZW-uitkering te beëindigen omdat zij volgens een tweedejaars beoordeling meer dan 65% van haar loon kon verdienen met andere functies. De aanvraag voor een WIA-uitkering werd afgewezen omdat de wachttijd niet was voltooid.

Eiseres verzocht in oktober 2023 om herziening van deze besluiten op grond van nieuwe medische rapporten en omstandigheden. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die tot herziening konden leiden. De rechtbank bevestigt dit oordeel en stelt dat het onderzoek van het UWV zorgvuldig was en dat het nieuwe medische rapport geen nieuwe feiten bevatte met betrekking tot de datum in geding.

De rechtbank oordeelt dat het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist of evident onredelijk is en dat de jurisprudentie over duuraanspraken niet van toepassing is omdat de ZW-uitkering al was geëindigd toen het verzoek werd ingediend. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en zij krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering en afwijzing van de WIA-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/551

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde 1],
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gemachtigde: [gemachtigde 2].

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om terug te komen op de beslissing van 20 mei 2021 waarmee haar ZW-uitkering werd beëindigd en de beslissing van 26 mei 2021 waarmee haar aanvraag voor een WIA-uitkering werd afgewezen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het verzoek terecht heeft afgewezen, omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zoals bepaald in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres krijgt dus geen gelijk.

Inleiding

1. Eiseres was sinds augustus 2018 werkzaam als verzorgende IG bij Stichting Cordaan. Op 8 juli 2019 heeft zij zich ziekgemeld nadat een patiënt, die suïcidale neigingen had en een pin uit een kast sloopte, op haar af kwam lopen. Hij greep haar rechterhand en trok eraan, terwijl er op dat moment geen collega in de buurt was. Haar pink stond daarna vreemd en zij is twee keer aan haar rechterhand geopereerd. Zij bleef desondanks klachten houden. Dit is tot op heden nog steeds zo.
1.1.
Na de ziekmelding heeft eiseres ziekengeld ontvangen van haar werkgever. Op
14 april 2021 heeft zij bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd. Vervolgens heeft het UWV in mei 2021 een zogenoemde tweedejaars ZW-beoordeling verricht. Met het besluit van 20 mei 2021 is besloten dat eiseres met ingang van 21 juni 2021 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat zij in theorie op basis van de functies baliemedewerker, medewerker bibliotheek en telefonist meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Haar verdiencapaciteit was daarbij vastgesteld op 71,79%.
1.2.
Met het besluit van 26 mei 2021 is de aanvraag van de WIA-uitkering afgewezen, omdat door de beëindiging van de ZW-uitkering per 21 juni 2021 de wachttijd van 104 weken (tot 5 juli 2021) niet is volgemaakt. Eiseres heeft tegen de besluiten van 20 mei 2021 en 26 mei 2021 geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Op 4 oktober 2023 heeft eiseres aan het UWV verzocht terug te komen op die twee besluiten vanwege nieuwe feiten en omstandigheden, ook voor de toekomst (duuraanspraak). Daarbij heeft zij haar patiëntdossier en een rapport van 26 september 2023 van neuroloog J.U.R. Niewold (hierna: Niewold) overgelegd. Ook is informatie van de revalidatiearts en van medisch adviseurs inzake de letselschadezaak bijgevoegd.
1.4.
Met het besluit van 30 april 2024 is de aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
1.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, zodat er niet met terugwerkende kracht op de beslissingen uit 2021 wordt teruggekomen. In het kader van de duuraanspraken is vastgesteld dat eiseres op de data in geding (21 juni 2021 en 5 juli 2021) wel meer beperkt was dan destijds in 2021 is vastgesteld. De aanvullende beperkingen zijn vastgesteld in de functionele mogelijkhedenlijst van 28 november 2024. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat de eerder geselecteerde functie telefonist niet langer geschikt is voor eiseres. Daarom is die functie vervangen door de functie receptionist. Op basis van de functies receptionist, baliemedewerker en medewerker bibliotheek is het verdienvermogen van eiseres per 21 juni 2021 vastgesteld op 71,74%. Omdat ook dit percentage hoger is dan 65% is de ZW-uitkering terecht beëindigd. De aanvraag voor de WIA-uitkering is hierdoor ook terecht afgewezen, omdat door de beëindiging de wachttijd niet is volgemaakt.
1.6.
Met het bestreden besluit van 20 december 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Het UWV heeft op 5 maart 2025 gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
Eiseres heeft op 3 april 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend en gereageerd op het verweerschrift. De zitting die gepland was op 1 mei 2025 is op verzoek van de gemachtigde van eiseres uitgesteld.
1.8.
Eiseres heeft op 14 april 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend. Het UWV heeft op 24 april 2025 gereageerd met een verweerschrift.
1.9.
Eiseres heeft op 15 augustus 2025 een aanvullend rapport van 11 maart 2025 van Niewold overgelegd. Vervolgens is de geplande zitting op 21 augustus 2025 op verzoek van het UWV uitgesteld, zodat de verkeringsarts bezwaar en beroep de gelegenheid kreeg om op het aanvullende rapport te kunnen reageren.
1.10.
Het UWV heeft op 3 september 2025 een rapport van 1 september 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.
1.11.
De rechtbank heeft het beroep op 13 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Standpunten van eiseres

2. Eiseres voert aan dat in 2021 geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden, omdat haar hand niet fysiek is onderzocht. Vanwege de coronamaatregelen vond het spreekuur plaats achter plexiglas. Door de arts is alleen gevraagd of zij een vuist en een cilindergreep kon maken en of zij daarbij pijn had. Ook voert eiseres aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de onderhavige procedure ten onrechte geen spreekuur heeft gehouden, maar alleen medische informatie heeft beoordeeld. Tot op heden kan zij haar hand niet gebruiken. Hierdoor kan zij in feite maar met één arm werken. Een dergelijke beperking leidt doorgaans tot volledige arbeidsongeschiktheid.
2.1.
Omdat Niewold op 13 september 2023 haar hand wel fysiek heeft onderzocht en meer beperkingen heeft vastgesteld op de datum in geding, stelt eiseres dat met betrekking tot de ZW-beslissing sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst zij naar de uitspraak van 14 januari 2015 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) met het kenmerk: ECLI:NL:CRVB:2015:1. Ook heeft zij een kopie van een bijlage uit een handboek van UWV [1] overgelegd. In de opsomming onder het kopje ‘Voorbeelden van nova: in de volgende situatie kan sprake zijn van nova’ staat: ‘Later medisch onderzoeksrapport waaruit veel meer beperkingen blijken’. Verder stelt eiseres dat het besluit evident onredelijk is.
2.2.
Voor wat betreft de WIA-beslissing stelt eiseres dat de jurisprudentie met betrekking tot duuraanspraken van toepassing is. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst zij op de uitspraak van 20 februari 2015 van de CRvB met het kenmerk: ECLI:NL:CRVB:2015:503.

Standpunten van het UWV

3. Volgens het UWV is het rapport van Niewold van 26 september 2023 wel een nieuw stuk in die zin dat het rapport niet eerder is ingebracht. Maar er is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb, omdat het rapport geen nieuwe medische gegevens bevat met betrekking tot de datum in geding. Daarom kan niet worden teruggekomen op de beëindigingsbeslissing van de ZW-uitkering.
3.1.
Omdat er geen aanleiding is om terug te komen op de beëindigingsbeslissing van de ZW-uitkering kan een zelfstandige beoordeling van de vraag of de wachttijd voor de
WIA-uitkering is volgemaakt achterwege blijven. Hiervoor wijst het UWV op artikel 23, vijfde lid, van de WIA en de uitspraak van 29 mei 2024 van de CRvB met het kenmerk: ECLI:NL:CRVB:2024:1072.
3.2.
In het verweerschrift van 5 maart 2025 en tijdens de zitting heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat tijdens de bezwaarprocedure ten onrechte een onderzoek heeft plaatsgevonden in het kader van duuraanspraken. De mogelijke ZW-uitkering zou immers zijn geëindigd op 5 juli 2021, terwijl eiseres op 4 oktober 2023 haar verzoek heeft ingediend. Op dat moment kon er geen sprake meer zijn van een lopende ZW-uitkering.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het UWV het verzoek van eiseres om terug te komen op de beslissing van 20 mei 2021 over de ZW-uitkering en de beslissing van 26 mei 2021 over de WIA-uitkering terecht heeft afgewezen.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht heeft besloten om niet terug te komen op die twee beslissingen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.2.
.Eiseres heeft op 4 oktober 2023 verzocht om terug te komen op beslissingen van
20 mei 2021 en 26 mei 2021. Die twee beslissingen staan in rechte vast, omdat er destijds geen bezwaar is gemaakt binnen de termijn die daarvoor is gegeven. Dit betekent dat die beslissingen in beginsel niet meer kunnen veranderen. Dit is zo bepaald omdat anders elke beslissing die in het verleden is genomen opnieuw beoordeeld zou moeten worden als iemand daar om vraagt. Dan zou een beslissing nooit meer echt vaststaan en dit gaat ten koste van de rechtszekerheid. Daarom kan een in rechte vaststaand besluit alleen nog veranderen als sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden [2] worden verstaan feiten en omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten en omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.3.
Op het verzoek van eiseres heeft het UWV beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de beroepsgronden toetst of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en goed gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
4.4.
De rechtbank overweegt allereerst dat zij eiseres niet volgt in haar stelling dat het onderzoek van het UWV onzorgvuldig is geweest omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen spreekuur heeft gehouden, maar alleen medische informatie heeft beoordeeld. De rechtbank kan het UWV volgen in het standpunt dat een lichamelijk of psychisch onderzoek door een verzekeringsarts op een fysiek spreekuur in dit geval geen meerwaarde zou hebben gehad, omdat het gaat om de beoordeling van een medische situatie in het verleden en de uitkomsten van een medisch onderzoek in 2024 weinig zeggen over de medische situatie van eiseres in 2021.
4.5.
De rechtbank overweegt verder dat het UWV het onderzoeksrapport van Niewold van 26 september 2023 terecht niet heeft aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Het rapport bevat weliswaar nieuwe medische gegevens, maar niet met betrekking tot de datum in geding. Niewold heeft eiseres in 2023 onderzocht en concludeert op dat moment dat sprake is van een zeer forse functiebeperking van de rechterhand. Daarbij geeft hij weliswaar aan dat deze beperkingen ook op de datum in geding al aan de orde waren, maar deze conclusie baseert hij enkel op de verklaring van eiseres. Dit is onvoldoende in het licht van het feit dat de bevindingen van Niewold in 2023 afwijken van de bevindingen van de verzekeringsarts in 2021. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat – anders dan eiseres stelt – uit het verslag van de verzekeringsarts in 2021 volgt dat er destijds wel degelijk een lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Het betoog dat dit onderzoek onvoldoende was, had destijds in een bezwaarprocedure naar voren gebracht kunnen worden en kan daarom niet worden aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb.
4.6.
Nu niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb, heeft het UWV het verzoek om terug te komen op de ZW-beslissing in beginsel af kunnen wijzen.
4.7.
De bestuursrechter kan aan de hand van wat eiseres heeft aangevoerd echter tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van het besluit evident onredelijk is. Bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is, ligt niet de vraag voor of het oorspronkelijke besluit onredelijk of onjuist is, maar de vraag of dat besluit onmiskenbaar onjuist is. Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is. [3]
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is. Dat eiseres na haar ziekmelding niet meer heeft kunnen werken zoals daarvoor en dat zij tot op heden forse beperkingen ondervindt bij het gebruik van haar hand is begrijpelijkerwijs zeer ingrijpend voor eiseres, maar betekent niet dat de beslissing van 20 mei 2021 over de beëindiging van haar ZW-uitkering onmiskenbaar onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft in het rapport van 28 november 2024 ook aan dat het erop lijkt dat de situatie in 2023 erger is dan deze in 2021 was. Van een onmiskenbaar onjuist besluit is niet gebleken. Ook anders-zins is de rechtbank niet gebleken dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is.
4.9.
Voor zover eiseres een beroep heeft gedaan op de duuraansprakenjurisprudentie overweegt de rechtbank dat het UWV in het verweerschrift terecht heeft aangegeven dat deze jurisprudentie hier niet van toepassing is. De ZW-uitkering van eiseres zou immers zijn geëindigd op 5 juli 2021, terwijl eiseres op 4 oktober 2023 haar verzoek heeft ingediend. Op dat moment kon er geen sprake meer zijn van een lopende ZW-uitkering. De beoordeling die in dit verband in het bestreden besluit is verricht, is dan ook ten onrechte verricht. Een en ander heeft echter geen invloed gehad op de uitkomst van de beoordeling van het herzieningsverzoek, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet hieraan gevolgen te verbinden.
4.10.
Nu het UWV op goede gronden heeft besloten niet terug te komen op de ZW-beslissing, is ook terecht besloten dat eiseres daardoor niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering omdat de wachttijd niet is volgemaakt [4] . De rechtbank is van oordeel dat het UWV in reactie op de beroepsgronden en door eiseres aangehaalde uitspraken van de CRvB uit 2015 terecht heeft gewezen op de uitspraak van de CRvB van 29 mei 2024 [5] . Daarom slagen ook die beroepsgronden niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Daarom krijgt zij het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bijlage 1 – Handboek AG/WIA: ten voordele terugkomen van een eerdere beslissing.
2.In de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie onder meer de uitspraak van de CRvB, 4 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1818
4.Artikel 23, vijfde lid van de Wet WIA.
5.Uitspraak met het kenmerk: ECLI:NL:CRVB:2024:1072