Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het verloop van de procedure
2.De standpunten van klager, de raadsman en de officier van justitie
3.De bevoegdheid van de rechtbank
4.De ontvankelijkheid
5.De beoordeling
verschillendeautosleutels aan de politie overhandigd. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 5 januari 2026 blijkt dat één van de sleutels bij een andere auto hoort dan de door klager gekochte auto en dat in de kofferruimte van de auto een witte kentekenplaat lag met het originele Nederlandse kenteken “ [kenteken 3] ”. Klager heeft verklaard dat hij de auto op 1 september 2025 via whatsapp heeft gekocht naar aanleiding van een advertentie op de Duitse website [internetsite] van [naam 2] . Klager heeft verklaard dat hij bij [belanghebbende] Nederland en het RDW navraag heeft gedaan naar de auto en dat aan hem door beide instanties is bevestigd dat er niets vreemds met de auto aan de hand was. Het contact met de verkoper verliep via whatsapp en een enkel telefoongesprek. De auto is uiteindelijk door een vriend van klager in [plaats 3] (Nederland) opgehaald en werd geleverd op een parkeerterrein door een man met een Syrisch uiterlijk, volgens de verkoper in Duitsland de zwager van hem. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2025 zou afgeleid kunnen worden dat de verkoop vermoedelijk in Eindhoven heeft plaatsgevonden. De identiteit van de verkoper noch die van de man die de auto heeft afgeleverd is afdoende gecontroleerd. Voor de auto is ter plekke een contant bedrag van € 36.000,= betaald. Volgens klager is dat een gangbare prijs voor de auto, gezien de schade die de auto had. Volgens [belanghebbende] ligt de prijs ver onder de marktwaarde, gezien de leeftijd en de kilometerstand van de auto. Volgens het onderzoeksrapport van de verzekeraar van [bedrijf 3] is de catalogusprijs circa €75.000,=. Wat betreft de door klager gestelde (aanzienlijke) schade aan de auto is zowel door [bedrijf 3] als door Hofman namens [belanghebbende] opgemerkt dat hen van enige schade aan de auto niets bekend is. Ook overigens blijkt uit het dossier niet van (aanzienlijke) schade aan de auto.
diefstalheeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van de diefstal, als zijn eigendom opeisen, tenzij de verkrijger als natuurlijke persoon niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf de zaak heeft gekocht van een persoon die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken, anders dan als veilinghouder, zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte.
.
.
6.De beslissing
ongegrond.
I.T.H. Praster, griffier, ondertekend door de rechter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.