Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROE:2012:BW5402

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
2 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 12/66
Instantie
Rechtbank Roermond
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringenWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toepassing artikel 9 Besluit dagloonregels bij twee dienstbetrekkingen en WW-uitkering

Eiser had twee dienstbetrekkingen waarbij hij niet gelijktijdig werkloos werd. Het UWV stelde het WW-dagloon vast met toepassing van artikel 9 van Pro het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, waarbij het loon uit de tweede dienstbetrekking in de plaats kwam van de niet vrij te laten uren uit de eerste dienstbetrekking. Eiser betwistte deze toepassing en stelde dat hij nooit een volledige uitkering voor zijn eerste recht had ontvangen, en dat een nabetaling van vakantie-uitkering ten onrechte buiten beschouwing was gelaten.

De rechtbank overwoog dat artikel 9 van Pro het Besluit juist van toepassing is bij meerdere dienstbetrekkingen en dat het loon uit de tweede dienstbetrekking bij het loon van de eerste moet worden opgeteld naar rato van de uren die in de plaats zijn gekomen. De nabetaling werd terecht buiten beschouwing gelaten omdat deze buiten de referteperiode viel. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is omdat het UWV het dagloon correct heeft vastgesteld.

De uitspraak benadrukt dat de vraag of deze vaststelling gevolgen heeft voor de omvang van het eerste WW-recht buiten het onderhavige geding valt. De rechtbank bevestigt daarmee de juiste toepassing van het wettelijke kader bij complexe situaties met meerdere dienstverbanden en deeltijdwerk.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van het WW-dagloon is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12 / 66
uitspraak van de meervoudige/enkelvoudige kamer van 2 mei 2012 in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. L.I. Olivier),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers nieuw recht op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) vastgesteld.
Bij besluit van 6 december 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2012. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Lagerwaard.
Overwegingen
1. Aan eiser is bij besluit van 16 oktober 2009 met ingang van 1 oktober 2009 een uitkering toegekend ingevolge de WW op basis van 22,80 uur per week met een dagloon van € 85,97 in verband met beëindigen van zijn werkzaamheden bij [werkgever 1]. Daarnaast verrichtte eiser vanaf 12 juni 2009 werkzaamheden voor het bedrijf [werkgever 2], aanvankelijk 8 uur en vanaf 1 april 2010, 9 uur per week. In de referte periode van 26 weken voorafgaand aan 1 oktober 2009 heeft eiser bij deze laatste werkgever gemiddeld 4,92 uur gewerkt. Dit heeft ertoe geleid dat eisers recht op WW-uitkering, gelet op de 8, respectievelijk 9 uur die hij per week is blijven werken, voor 3,08, respectievelijk 4,08 uur is beëindigd. Tegen deze beslissing zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
2. Per 27 juni 2011 is het dienstverband met [werkgever 2] beëindigd. Naar aanleiding van deze beëindiging is aan eiser per 27 juni 2011 een tweede recht op uitkering toegekend. De omvang van dat recht is vastgesteld op 9 uur per week en gebaseerd op een dagloon van
€ 51,91. Het dagloon is vastgesteld met toepassing van artikel 9 van Pro het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit).
3. Eiser heeft zich met dit besluit voor wat betreft de vaststelling van het dagloon niet kunnen verenigen. Hiertegen heeft hij -kort weergegeven- aangevoerd dat artikel 9 van Pro het Besluit toepassing mist, aangezien hij nimmer een volledige uitkering heeft ontvangen voor zijn eerste recht, maar daarop is gekort in verband met zijn werkzaamheden bij [werkgever 2], zodat er geen sprake is van uren die in de plaats gekomen zijn van zijn eerste WW-recht. Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de nabetaling ad € 352,88, zijnde vakantie-uitkering over de bonus, die [werkgever 2] aanvankelijk ten onrechte niet had uitgekeerd, door verweerder ten onrechte bij de dagloonberekening buiten beschouwing is gelaten.
4. In dit geschil ligt ter beoordeling voor of verweerder het dagloon juist heeft vastgesteld. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.
5. Artikel 9, eerste lid van het Besluit luidt:
“Bij het vaststellen van het ZW- of WW-dagloon van de werknemer die tijdens het refertejaar in twee of meer dienstbetrekkingen stond, wordt slechts in aanmerking genomen het loon uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan de werknemer arbeidsongeschikt of werkloos is geworden, alsmede uit de overige dienstbetrekkingen naar de mate waarin die dienstbetrekking daarvoor in de plaats is gekomen.”.
Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel worden bij het vaststellen van het WW-dagloon van de werknemer die tijdens het refertejaar een uitkering genoot op grond van -voor zover relevant- de WW, het vastgestelde loon en de vakantiebijslag in aanmerking genomen naar de mate waarin de uitkering waarvoor het dagloon wordt vastgesteld, in de plaats is gekomen van de in het in aanmerking te nemen tijdvak genoten uitkering.
6. Uit deze artikelonderdelen volgt dat voor de bepaling van het dagloon achtereenvolgens dienen te worden vastgesteld:
1. het loon uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan de verzekerde werkloos is geworden (= [werkgever 2]);
2. het loon uit de overige dienstbetrekking (= WW-uitkering op grond van werkzaamheden bij [werkgever 1]) naar de mate waarin de dienstbetrekking vermeld onder 1 in de plaats is gekomen van die dienstbetrekking.
Vervolgens dient het bedrag verkregen door optelling van de inkomsten uit 1 en 2 te worden gedeeld door 261.
7. Niet in geschil is dat er tijdens het refertejaar sprake was van twee dienstbetrekkingen (= inkomstenverhoudingen), zodat er in beginsel sprake is van een situatie waar artikel 9 van Pro het Besluit op ziet. Voor eiser betekent dit dat, conform het hiervoor onder 6. is vermeld, bij het loon dat hij heeft verdiend in zijn laatste dienstbetrekking bij [werkgever 2] dient te worden opgeteld het loon dat hij in de referteperiode heeft verdiend bij [werkgever 1] (= WW-uitkering), voor zover de dienstbetrekking bij [werkgever 2] in de plaats is gekomen van die bij de eerste werkgever. Hiertoe dient het loon bij de eerste werkgever te worden vermenigvuldigd met de breuk waarbij de teller wordt gevormd door het aantal uren van het dienstverband van eiser bij [werkgever 2] en de noemer door het aantal uren van het dienstverband bij de eerste werkgever.
8. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 9 van Pro het Besluit. Vast staat immers dat er een korting heeft plaatsgevonden op het eerste WW-recht in verband met (gelet op het aantal in de referteperiode gemiddeld bij [werkgever 2] gewerkte uren) een aantal niet vrij te laten, gewerkte uren. In plaats van een WW-recht voor deze uren kwam het loon dat eiser in die 3,08, respectievelijk 4,08 uren verdiende bij [werkgever 2]. Voor deze niet vrij te laten uren komt thans een WW-uitkering in de plaats.
Het betoog van eiser voor wat betreft de vaststelling van de hoogte van het dagloon kan op dit punt derhalve niet slagen. Hierbij zij nog aangetekend dat de vraag of een en ander consequenties dient te hebben voor de omvang van het (eerste) recht op een WW-uitkering, de omvang van het onderhavige geding te buiten gaat, zodat de rechtbank dit niet haar oordeel kan betrekken.
9. Waar door eiser is aangevoerd dat verweerder ten onrechte de door [werkgever 2] gedane nabetaling buiten beschouwing heeft gelaten, kan dit betoog evenmin slagen, nu deze nabetaling, zoals niet in geschil en zoals ook blijkt uit de onderliggende stukken, buiten de referteperiode is gedaan. Op grond van vaste jurisprudentie (zie o.a CRvB 23-7-2009, LJN: BJ3954) is verweerder terecht uitgegaan van het loon dat eiser in de referteperiode daadwerkelijk heeft genoten/ontvangen en door de werkgever aan het UWV als premieplichtig loon is opgegeven en is de na de referteperiode gedane nabetaling terecht buiten de berekening gelaten.
10. Op grond van bovenstaande overwegingen concludeert de rechtbank tot ongegrondheid van het beroep.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.W. Gubbels-Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2012.
w.g. mr. P.C.W. Gubbels-Willems,
griffier w.g. mr. L.M.J.A. van Hövell tot Westerflier-Dassen,
rechter
Voor eensluidend afschrift:
de griffier,
Afschrift verzonden aan partijen op: 2 mei 2012
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.