ECLI:NL:RBROT:2003:AH9240
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onjuiste mandaatverlening en onvoldoende matiging
Eiser kreeg een boete van ƒ 1.000,- opgelegd wegens het bewaren van niet-voorverpakte eetwaar boven de toegestane temperatuur van 7°C, wat microbiologisch bederf kan veroorzaken. Na bezwaar en beroep werd de boete door verweerder verlaagd naar € 450,-, maar de rechtbank oordeelde dat het besluit tot wijziging (besluit II) onrechtmatig was omdat het hoofd van de Keuringsdienst niet bevoegd was tot mandaatverlening.
De rechtbank stelde vast dat eiser de overtreding niet betwistte, maar dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met bijzondere omstandigheden zoals de financiële situatie van eiser. De rechtbank oordeelde dat verweerder de matigingsbevoegdheid te beperkt interpreteerde en dat de financiële draagkracht van eiser wel degelijk een relevante omstandigheid is.
De rechtbank vernietigde daarom alle boetebesluiten en veroordeelde de Staat tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van € 644,-. Tevens werd verwezen naar de mogelijkheid tot hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de boetebesluiten en veroordeelt verweerder in de proceskosten.