ECLI:NL:RBROT:2004:AR6157
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs van verhoogd ziekteverzuim
Eiser, een 54-jarige man met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO, maakte bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om zijn uitkering niet te herzien. Hij stelde dat zijn wisselende belastbaarheid door jichtaanvallen en andere gezondheidsproblemen onvoldoende was meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig was. Medische rapporten, waaronder van een reumatoloog en bedrijfsarts, werden betrokken, maar gaven geen aanleiding tot een andere beoordeling. De functies die eiser kon vervullen waren eenvoudig en niet persoonsgebonden, waardoor vervanging bij kortdurend ziekteverzuim mogelijk is.
De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van een zodanig excessief ziekteverzuim dat een werkgever redelijkerwijs niet tot indienstneming kan overgaan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot niet-herziening van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard.