ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8977
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WAO-uitkering ondanks geschil over arbeidsbeperkingen
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV waarin werd bepaald dat zijn WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 25-35%, ongewijzigd zou worden voortgezet. Hij voerde aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende was en dat hij meer beperkingen ondervindt, onder meer vanwege longklachten en het grillige karakter van zijn ziekte, pseudo-jicht.
De Raad overwoog dat het verzekeringsartsonderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld, mede gelet op de medische stukken en het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad zag geen aanleiding voor het inschakelen van een extra deskundige.
Verder oordeelde de Raad dat het UWV voldoende passende functies had voorgelegd binnen de belastbaarheid van appellant, ondanks zijn verwijzing naar WSW-arbeid. Ook de klacht over werken in een stoffige omgeving werd ongegrond verklaard omdat het UWV terecht geen beperkingen op dat punt had aangenomen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en voortzetting WAO-uitkering op basis van 25-35% arbeidsongeschiktheid bevestigd.