ECLI:NL:RBROT:2005:AU7130
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- R. Kruisdijk
- D.C.J. Peeck
- K. Werkhorst
- Rechtspraak.nl
Matiging bestuurlijke boete wegens overtreding Wet inzake de geldtransactiekantoren ondanks faillissement
Eiser kreeg een bestuurlijke boete van €87.125,- opgelegd wegens het zonder registratie verrichten van geldtransacties in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren (Wgt). Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de procedure werd eiser failliet verklaard. De rechtbank oordeelt dat het faillissement niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep, mede gelet op het EVRM.
De rechtbank stelt vast dat eiser beroeps- of bedrijfsmatig geldtransacties verrichtte zonder inschrijving in het register en zonder ontheffing, waardoor hij de Wgt heeft overtreden. De rechtbank onderzoekt of de boeteoplegging in strijd is met het una via-beginsel, gelet op een taakstraf die eiser accepteerde voor andere overtredingen, en concludeert dat de overtredingen niet hetzelfde feit betreffen.
De rechtbank vindt de boete in principe passend bij de ernst van de overtreding, maar matigt deze vanwege de financiële situatie van eiser, waaronder het faillissement en het feit dat hij leeft van een bijstandsuitkering. De boete wordt vastgesteld op €10.000,-. Tevens wordt verweerster veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank matigt de boete tot €10.000,- en verklaart het beroep ontvankelijk ondanks het faillissement van eiser.