ECLI:NL:RBROT:2006:AX6398
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling werkgever tot affinanciering pensioenregeling na beëindiging dienstverband
De werknemer trad in 1995 in dienst en kreeg een pensioentoezegging die inging per datum indiensttreding. Na een ontslag op staande voet werd het dienstverband in 2002 beëindigd via een neutrale ontbinding. De werkgever en werknemer sloten een schikking waarbij onder meer werd overeengekomen dat reeds betaalde pensioenpremies over 2002 niet zouden worden teruggevorderd en dat partijen finale kwijting aan elkaar verleenden.
De werknemer vorderde vervolgens dat de werkgever de affinancieringsverplichting van de pensioenregeling zou nakomen door een bedrag van €28.356,- te storten. De werkgever verweerde zich met het argument dat deze verplichting door de schikking was afgekocht en dat nakoming in strijd zou zijn met redelijkheid en billijkheid.
De kantonrechter oordeelde dat de affinancieringsverplichting dwingendrechtelijk is en dat uit de schikking niet blijkt dat de werknemer afstand van dit recht had gedaan. Ook was er geen sprake van strijd met redelijkheid en billijkheid. De vordering tot betaling werd daarom toegewezen, inclusief een dwangsom bij niet-nakoming. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag en de proceskosten.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van €28.356,- voor affinanciering pensioenregeling met dwangsom bij niet-nakoming.