ECLI:NL:RBROT:2007:BA7841
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontslag curator wegens schijn van belangenverstrengeling en financieel nadeel boedel
In het faillissement van D is door A en B een verzoek ingediend tot ontslag van de curator op grond van artikel 73 Faillissementswet Pro. Verzoekers stelden dat de curator opdrachten had verstrekt aan een onderneming waarbij E, een middellijk bestuurder van D, betrokken was, waardoor een schijn van belangenverstrengeling was ontstaan. Tevens zou de curator de boedel financieel hebben benadeeld door het voeren van een procedure.
De curator voerde verweer dat de verzoekers niet ontvankelijk waren omdat zij geen schuldeisers waren, dat de opdrachten klein en lang geleden waren verstrekt en dat de rechter-commissaris toestemming had gegeven. De rechter-commissaris adviseerde tot ontslag van de curator.
De rechtbank oordeelde dat B niet ontvankelijk was, maar A wel. De curator had de schijn van belangenverstrengeling gewekt door opdrachten te verstrekken aan de onderneming waarbij E betrokken was, terwijl E mogelijk aansprakelijk gesteld zou worden wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. De omvang en het tijdstip van de opdrachten deden niet ter zake. De rechtbank stelde vast dat de onafhankelijkheid van de curator niet langer gewaarborgd was en wees het verzoek tot ontslag toe.
De rechtbank stelde mr. S aan als opvolgend curator en bepaalde dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot ontslag van de curator toe wegens schijn van belangenverstrengeling en financieel nadeel van de boedel.