ECLI:NL:RBROT:2007:BB0248
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontslag statutair directeur wegens bedrijfseconomische omstandigheden met toekenning schadevergoeding wegens kennelijke onredelijke opzegging
De eiser trad in 1978 in dienst en was sinds 1988 statutair directeur bij Bratlanta. In maart 2006 werd hij ontslagen wegens bedrijfseconomische omstandigheden, met opzegging per 1 augustus 2006. De eiser was 52 jaar oud en had een zeer langdurig en onberispelijk dienstverband.
De eiser stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was, onder meer vanwege een valse ontslagreden en het gevolgencriterium. De rechtbank stelde vast dat de functie van de eiser was komen te vervallen en dat Bratlanta als werkgever gerechtigd was de organisatie te herstructureren. Echter, de herplaatsingsinspanningen waren onvoldoende en niet overtuigend aangetoond.
De gang van zaken rond het ontslag was niet zorgvuldig, onder meer doordat de eiser niet in de gelegenheid werd gesteld om tijdens de algemene vergadering te worden gehoord. Gezien het langdurige dienstverband en het ontbreken van serieuze herplaatsingsmogelijkheden oordeelde de rechtbank dat de gevolgen van het ontslag voor de eiser te ernstig waren in verhouding tot het belang van Bratlanta.
De rechtbank kende daarom op grond van billijkheid een schadevergoeding toe van €160.000 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen. Bratlanta werd veroordeeld in de proceskosten. De primaire vordering van de eiser tot verklaring voor recht betreffende vennootschapsrechtelijke nietigheid van het ontslagbesluit werd ingetrokken.
Uitkomst: Bratlanta is veroordeeld tot betaling van een bruto schadevergoeding van €160.000 wegens kennelijk onredelijke opzegging.