ECLI:NL:RBROT:2007:BB6040
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt over pandrecht ING op steigermaterialen van gefailleerde RMB
In deze zaak staat centraal of ING, die stil pandhouder was van steigermaterialen van RMB, door middel van een verhuurconstructie vuistpandhouder is geworden. RMB had een krediet en leasefaciliteit van ING, waarbij RMB pandrecht verleende op haar bedrijfsuitrusting, waaronder steigermaterialen. Na beëindiging van de huurovereenkomst van het bedrijfsterrein en het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst door Woudstra in opdracht van ING, verkreeg ING feitelijke macht over de steigermaterialen.
De curator van RMB betwist dat ING vuistpandhouder is geworden, onder meer omdat een deel van de steigermaterialen niet in eigendom was van RMB maar in huur, lease of onder eigendomsvoorbehoud. Hierdoor zou RMB niet bevoegd zijn geweest tot verpanding van die materialen. ING stelt echter dat zij door de verhuurconstructie feitelijke macht heeft verkregen en dat zij te goeder trouw was.
De rechtbank oordeelt dat ING als stille pandhouder niet beschermd is tegen beschikkingsonbevoegdheid van RMB voor die steigermaterialen die RMB niet in eigendom had. ING moet haar goede trouw bij het verkrijgen van feitelijke macht bewijzen. De rechtbank staat ING toe tegenbewijs te leveren en houdt verdere beslissing aan. Tevens wordt bepaald dat indien ING vuistpandhouder is, zij recht heeft op 90% van de opbrengst van de voorraad, met 10% boedelbijdrage voor de curator.
Uitkomst: ING wordt toegelaten tegenbewijs te leveren over haar goede trouw bij verkrijging van feitelijke macht en bij bewezen goede trouw als vuistpandhouder erkend met recht op 90% van de opbrengst.