ECLI:NL:RBROT:2008:BC6653
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling incidentele conclusie over ontbinding vennootschap en procedurele gevolgen
In deze civiele procedure tussen Dojo International Beheer B.V. en Postbank N.V. stond de vraag centraal of een door Postbank ingediende conclusie als incidentele vordering moest worden aangemerkt of als conclusie van antwoord. Postbank stelde dat Dojo was ontbonden en daardoor niet meer in haar vorderingen kon worden ontvangen. De rechtbank onderzocht de strekking van de conclusie en oordeelde dat deze niet als conclusie van antwoord kon worden beschouwd, maar als een incidentele vordering die eerst en vooraf behandeld moest worden.
De rechtbank kwam terug op een eerdere rolbeslissing en besloot de conclusie alsnog als incidenteel te behandelen, waarbij Postbank de gelegenheid kreeg om nader te antwoorden. Vervolgens beoordeelde de rechtbank de inhoudelijke grond van de vordering tot niet-ontvankelijkheid. Hoewel Dojo was ontbonden bij beschikking van de Kamer van Koophandel, bleef zij voortbestaan voor zover dit nodig was voor vereffening van haar vermogen. Omdat Dojo ten tijde van de ontbinding nog over een vordering beschikte, was zij niet opgehouden te bestaan en kon zij de procedure voortzetten.
De vordering van Postbank strandde daarom en werd afgewezen. De rechtbank veroordeelde Postbank in de proceskosten en bepaalde dat de procedure in de hoofdzaak zou worden voortgezet zonder verdere uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord door Postbank.
Uitkomst: De vordering van Postbank tot niet-ontvankelijkheid van Dojo wordt afgewezen en de procedure wordt voortgezet.