ECLI:NL:RBROT:2008:BC9881
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstand wegens gezamenlijke huishouding met financiële verstrengeling
Verzoeker heeft een aanvraag voor bijstand op grond van de WWB ingediend, welke door verweerder is afgewezen omdat verzoeker een gezamenlijke huishouding voert met [B]. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker en [B] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en dat er sprake is van financiële verstrengeling die verder gaat dan het delen van woonlasten. Zo heeft verzoeker geen eigen bankrekening en maakt gebruik van de bankrekening van [B], waarop ook zorgtoeslag wordt gestort en premies voor de ziektekostenverzekering worden betaald.
Verzoeker betwist de gezamenlijke huishouding en stelt dat de relatie zuiver commercieel is en dat hij huur betaalt via een auto-overdracht. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat de motieven van [B] om zijn rekening ter beschikking te stellen niet relevant zijn voor het oordeel over financiële verstrengeling. Ook het ontbreken van een afsluitbare woonruimte en het ontbreken van bewijs van huurbetaling ondersteunen de conclusie van wederzijdse verzorging.
De voorzieningenrechter laat de vraag of een voorschot op bijstand passend is vanwege het ontbreken van intentie om te verhuizen in het midden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoeker kan bij gewijzigde omstandigheden een nieuwe aanvraag indienen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gezamenlijke huishouding.