ECLI:NL:RBROT:2008:BD8231
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke vernietiging boetebesluit bouwfraude GWW-sector wegens onvoldoende motivering en schending procesrechten
In deze bestuursrechtelijke procedure staat een boetebesluit van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) centraal, waarin Gebr. Schelvis Wegenbouwbedrijf B.V. en Gebr. Schelvis Beheer B.V. worden aangesproken wegens overtreding van artikel 6 van Pro de Mededingingswet en artikel 81 EG Pro-Verdrag. De boete betreft deelname aan een kartel in de GWW-sector in de periode 1998-2001.
De rechtbank oordeelt dat de NMa terecht een versnelde procedure hanteerde waarbij deelnemers een boetevermindering van 15% ontvingen indien zij afzagen van inhoudelijk verweer. De eiseres heeft vrijwillig aan deze procedure deelgenomen en erkende deelname aan het kartel, waardoor feiten en overtreding als vaststaand worden beschouwd. De rechtbank wijst het betoog af dat de rechten van verdediging zijn geschonden.
Wel wordt geoordeeld dat de NMa onvoldoende rekening heeft gehouden met het evenredigheidsbeginsel bij de boetegrondslag, met name door geen onderscheid te maken in mate van betrokkenheid en het gebruik van de aanbestedingsomzet 2001 als ijkjaar. Daarnaast is vastgesteld dat de NMa niet consequent is geweest in het toepassen van haar eigen beleid omtrent clementiekortingen, waardoor de eiseres mogelijk concurrentienadeel heeft. De rechtbank vernietigt het besluit vanwege het ontbreken van een motivering over de betalingsregeling, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De proceskosten worden aan de verweerder opgelegd.
Uitkomst: Het boetebesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over de betalingsregeling, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.