ECLI:NL:RBROT:2008:BF1951
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Positie van separatist bij bodemvoorrecht en bijdrage in algemene faillissementskosten
In deze zaak staat centraal de vraag of de curator in het faillissement van een besloten vennootschap (hierna: B.V.) onrechtmatig heeft gehandeld door niet de volledige opbrengst van de verkoop van verpande bedrijfsinventaris aan ING, als pandhouder en separatist, door te betalen.
De curator had de verkoop ongedaan gemaakt en de koopsom terugbetaald aan de koper. ING stelde dat zij recht had op integrale betaling van de opbrengst, zonder bijdrage in algemene faillissementskosten. De rechtbank overwoog dat artikel 57 lid 3 Faillissementswet Pro (Fw) de curator verplicht ook de belangen van bevoorrechte schuldeisers, zoals de ontvanger met bodemvoorrecht, te behartigen. Hierdoor kan ING als separatist toch bijdragen aan algemene faillissementskosten.
De rechtbank verwierp het beroep van ING op het gezag van gewijsde van een eerder Arnhemse vonnis voor zover het ging om de toepassing van artikel 57 lid 3 Fw Pro. De curator handelde volgens de rechtbank niet onredelijk of onzorgvuldig. De vordering van ING werd afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.
In reconventie vorderde de curator schadevergoeding wegens onrechtmatige beslaglegging door ING op zijn woonhuis, maar deze vordering werd eveneens afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank sprak het vonnis uit op 30 juli 2008, waarbij de curator niet persoonlijk aansprakelijk werd gesteld voor de gevorderde betaling aan ING.
Uitkomst: De vordering van ING wordt afgewezen en de curator wordt niet persoonlijk aansprakelijk gesteld.