ECLI:NL:RBROT:2008:BF9056
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken wettelijke basis voor openbaar vervoerverbod tramlijn 2
Aan verdachte werd ten laste gelegd dat hij zich in tramlijn 2 van de RET bevond terwijl hem was opgelegd gedurende acht weken die lijn niet te gebruiken. Verdachte stelde dat hij niet wist van het verbod, en dat hij het papier met de aanwijzing niet in ontvangst had genomen. De kantonrechter oordeelde dat artikel 73 van Pro de Wet Personenvervoer 2000 (WPv) geen wettelijke grondslag biedt voor een dergelijk langdurig openbaar vervoerverbod.
De kantonrechter sloot aan bij een eerder vonnis van de politierechter Rotterdam (18 oktober 2006) en stelde dat de wetgever niet heeft voorzien in een bevel als het onderhavige. De langdurige inbreuk op de persoonlijke bewegingsvrijheid past niet bij de situaties die tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel aan de orde waren. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat alleen artikel 98 WPv Pro voorziet in een preventief openbaar vervoerverbod, maar overtreding daarvan is niet strafbaar gesteld.
De kantonrechter voegde toe dat het belang van ordehandhaving in het openbaar vervoer erkend wordt en dat het vooralsnog mogelijk lijkt om personen die de orde verstoren het gebruik van het openbaar vervoer te ontzeggen. Het niet naleven van een aanwijzing om het vervoer te verlaten is wel strafbaar, maar het opleggen van een langdurig verbod niet. Daarom werd verdachte vrijgesproken wegens ontbreken van wettelijke basis.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat artikel 73 WPv geen wettelijke basis biedt voor het opgelegde openbaar vervoerverbod.