ECLI:NL:RBROT:2009:BJ9992
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek wegens onvoldoende geobjectiveerde vrees voor partijdigheidsgebrek
Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen drie rechters van de rechtbank Rotterdam die betrokken zijn bij haar strafzaak. Zij betoogt dat er sprake is van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid en onvoldoende onpartijdigheid, onder meer vanwege eerdere betrokkenheid van familieleden bij gerelateerde zaken, het horen van bepaalde getuigen zonder motivering, en het verhoor van een onbetrouwbare getuige die tevens haar ex-echtgenoot is.
De rechtbank heeft de aangevoerde gronden afzonderlijk en in samenhang beoordeeld. De eerdere betrokkenheid van de vader van een van de rechters bij een gerelateerde zaak werd niet als reden voor partijdigheid gezien, mede omdat de betrokken rechters zelf niet bij die zaak betrokken waren. Het ambtshalve horen van getuigen zonder motivering en het verhoor van de getuige ex-echtgenoot, ondanks diens wisselende verklaringen en eisen, rechtvaardigen volgens de rechtbank geen geobjectiveerde vrees voor vooringenomenheid.
Ook het afwijzen van het verzoek tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis en het toevoegen van een extra grond voor voorlopige hechtenis vormen geen geldige wrakingsgrond. De rechtbank benadrukt dat wraking niet kan worden gebruikt als middel tegen inhoudelijke rechterlijke beslissingen.
De rechtbank concludeert dat de feiten en omstandigheden geen zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor een objectief gerechtvaardigde vrees voor onvoldoende onpartijdigheid of vooringenomenheid. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geobjectiveerde vrees voor onvoldoende onpartijdigheid.