ECLI:NL:RBROT:2009:BK3807
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevel tot zekerheidstelling voor proceskosten in handelszaak tussen FWW en GRC
In deze civiele procedure vordert GRC dat FWW, gevestigd in Australië, zekerheid stelt voor de betaling van proceskosten en mogelijke schadevergoeding. GRC baseert haar vordering op artikel 224 Rv Pro, dat buitenlandse eisers verplicht tot zekerheidstelling kan verplichten. FWW erkent de verplichting tot zekerheidstelling, maar betoogt dat de vordering te laat is ingesteld en dat het gevorderde bedrag te hoog is.
De rechtbank oordeelt dat de vordering tot zekerheidstelling tijdig is ingediend, ook al is deze pas na de getuigenverhoren ingesteld. FWW had immers rekening moeten houden met de mogelijkheid van een dergelijke vordering. De rechtbank stelt vast dat alleen zekerheid voor proceskosten aan de orde is, omdat geen feiten zijn gesteld die schadevergoeding rechtvaardigen.
Voor de hoogte van de zekerheidstelling wordt aansluiting gezocht bij het Liquidatietarief rechtbanken en hoven, waarbij het door GRC gevorderde bedrag van €7.000 passend wordt bevonden. De rechtbank beveelt FWW om deze zekerheid te stellen door middel van een bankgarantie en veroordeelt FWW in de kosten van het incident. De hoofdzaak wordt verwezen naar een rolzitting voor nadere procedurele afhandeling.
Uitkomst: FWW wordt bevolen een bankgarantie van €7.000 te stellen als zekerheid voor proceskosten.