ECLI:NL:RBROT:2009:BK4435
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.F.L.M. van der Grinten
- L.A.C. van Nifterick
- H.J.M. van der Kaaij
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verschoning rechter niet-ontvankelijk na definitief terugtrekken
In deze bestuursrechtelijke procedure bij de rechtbank Rotterdam werd een verzoek tot verschoning van een rechter behandeld. De rechter had zich tijdens de tweede zitting op 28 oktober 2009 definitief teruggetrokken uit de behandeling van de zaken. De voorzitter van de meervoudige kamer had partijen hierover geïnformeerd en aangegeven dat een plaatsvervangend lid gezocht zou worden.
Het verzoek tot verschoning werd ingediend nadat de rechter zich al had teruggetrokken. De rechtbank oordeelde dat artikel 8:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat de procedure voor verschoning regelt, ervan uitgaat dat de rechter nog bij de behandeling betrokken is. Nu dat niet het geval was, was de grondslag voor het verzoek komen te vervallen.
De rechtbank stelde vast dat het middel van verschoning niet bedoeld is om een reeds uitgesproken terugtrekking te bevestigen. Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing werd uitgesproken door de meervoudige kamer voor verschoningszaken op 25 november 2009, in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter is niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechter zich al definitief had teruggetrokken.