ECLI:NL:RBROT:2010:BL9482
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en ontvankelijkheid bij samenloop vorderingen in wegvervoer onder CMR-verdrag
In deze civiele zaak tussen Speed Trans B.V. en Estron B.V. staat centraal de vraag welke rechter bevoegd is en of de vorderingen ontvankelijk zijn, gezien de samenloop van procedures in Nederland en Duitsland onder het CMR-verdrag en Brussel I-Vo.
Speed Trans vordert betaling van vrachtfacturen en stelt dat Estron aansprakelijk is voor diefstalschade tijdens het vervoer van elektronische apparaten. Estron voert aan dat zij reeds eerder een Klage bij het Landgericht Darmstadt had ingediend over dezelfde materie, waardoor de Nederlandse rechter volgens artikel 31 lid 2 CMR Pro niet bevoegd of de vorderingen niet ontvankelijk zouden zijn.
De rechtbank oordeelt dat artikel 31 lid 2 CMR Pro niet over bevoegdheid maar over ontvankelijkheid gaat en dat de Nederlandse rechter in beginsel bevoegd is. Estron moet bewijzen dat haar Duitse procedure eerder aanhangig is gemaakt dan de Nederlandse. De rechtbank houdt de beslissing aan en beveelt bewijslevering. De voorlopige voorziening wordt aangehouden totdat hierover is beslist.
De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor bewijslevering en verdere besluitvorming. De rechtbank wijst erop dat de vrachtvordering van Speed Trans niet hetzelfde onderwerp heeft als de Duitse procedure en dat aanhouding wegens samenhang niet aan de orde is.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en beveelt bewijslevering over de eerdere aanhangigheid van de Duitse procedure.