ECLI:NL:RBROT:2010:BM2155

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
1068763
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 73 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot benoeming bijzondere curator afgewezen wegens onbevoegdheid kantonrechter

Partijen, die sinds 1996 een affectieve relatie hadden en sinds 1997 samenwoonden, zijn uit elkaar gegaan in augustus 2009. Uit deze relatie is een minderjarig kind geboren dat door de moeder wordt verzorgd en waarvoor partijen gezamenlijk gezag uitoefenen sinds 2004. De man verzocht de kantonrechter om een bijzondere curator te benoemen voor het kind.

De kantonrechter stelde vast dat het geschil betrekking heeft op de omgang van de vader met het kind en niet op het vermogen van de minderjarige. Gezien de gewijzigde wettekst van artikel 1:250 BW Pro is de kantonrechter niet bevoegd om een bijzondere curator te benoemen in deze zaak. De zaak is reeds aanhangig bij de familierechter die wel bevoegd is.

Daarom verklaarde de kantonrechter zich onbevoegd en verwees de zaak naar de rechtbank Rotterdam, Sector Civiel Recht. Partijen, die gewezen partners zijn, dienen ieder hun eigen proceskosten te dragen. De beschikking werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 16 maart 2010.

Uitkomst: Kantonrechter verklaart zich onbevoegd en verwijst verzoek tot benoeming bijzondere curator naar rechtbank sector civiel recht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector Kanton
Locatie Brielle
Beschikking op grond van artikel 1:250 BW Pro
inzake:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. A.A. van Ochten
t e g e n :
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
verweerster,
gemachtigde: mr. M. Bas.
[verzoeker] wordt aangeduid als “de man” en [verweerder] wordt aangeduid als “de vrouw”.
Het verloop van de procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:
1. verzoekschrift met bijlagen,
2. verweerschrift met bijlagen,
3. brief d.d. 26 februari 2010 van de man.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 maart 2010. De man is zonder advocaat verschenen. De vrouw en haar advocaat zijn verschenen. Partijen hebben de standpunten toegelicht. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.
De vaststaande feiten
Partijen hebben sinds eind 1996 een affectieve relatie gehad en hebben sinds juni 1997 met elkaar samengewoond. De relatie is beëindigd op 13 augustus 2009.
Uit de relatie is op [geboortedatum] het thans nog minderjarige kind [kind] geboren, verder te noemen: “het kind”. De man heeft het kind op 26 oktober 2000 erkend. Partijen oefenen sinds 16 december 2004 het gezamenlijk gezag uit.
Het kind woont bij de moeder.
Bij de rechtbank Rotterdam, Sector Civiel Recht, is onder nummer 340104 / F1 RK 09-2400 een procedure tussen partijen aanhangig. Het onderwerp daarvan betreft de hoofdverblijfplaats van het kind en de vaststelling van een omgangsregeling. De mondelinge behandeling vindt plaats op 12 mei 2010. Deze zitting kan niet worden uitgesteld.
Het verzoek
Het verzoek van de man luidt als volgt:
“Weshalve de man zich gewend tot de rechtbank Rotterdam sector kanton locatie Rotterdam met het eerbiedig verzoek bij beschikking, voorzover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, over het thans nog minderjarig kind [kind] geboren op [geboortedatum] te [woonplaats] een bijzonder curator te benoemen.``
Het verweer
De vrouw verzoekt de kantonrechter om de man niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek dan wel het verzoek af te wijzen, kosten rechtens.
De beoordeling
Partijen voeren over en weer de nodige argumenten aan, deels aan de hand van bescheiden. Hun stellingen worden hierna beoordeeld, indien en voorzover deze relevant zijn voor de uitkomst van de procedure.
Bij wet van 27 november 2008 (Staatsblad 500) is met ingang van 1 maart 2009 de tekst van artikel 1:250 BW Pro gewijzigd. De wettekst luidt sindsdien als volgt:
“Wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen dan wel van de voogd of de beide voogden in strijd zijn met die van de minderjarige, benoemt de rechtbank, danwel, indien het een aangelegenheid inzake het vermogen van de minderjarige betreft, de kantonrechter, of indien de zaak reeds aanhangig is, de desbetreffende rechter, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.” (onderstreping kantonrechter).
Ter zitting is aan de orde gekomen dat beide partijen de onderstreepte wijzigingen in de wettekst niet in ogenschouw hebben genomen. De man heeft bepleit dat de kantonrechter bevoegd is en dat het belang van het kind dicteert dat er zo spoedig mogelijk een bijzondere curator wordt benoemd. De vrouw heeft zich ter zitting beroepen op onbevoegdheid van de kantonrechter.
Gelet op de wettekst dient de kantonrechter zich onbevoegd te verklaren. Het geschil tussen partijen betreft de omgang van de vader met het kind en heeft niets uitstaande met het vermogen van de minderjarige. Bovendien is de zaak reeds aanhangig bij de familierechter die de bevoegdheid heeft om een bijzonder curator te benoemen.
Op grond van artikel 73 Rv Pro dient de kantonrechter de zaak te verwijzen naar de familierechter te Rotterdam.
Nu partijen gewezen partners zijn dienen zij de proceskosten ieder voor eigen rekening te houden.
De beslissing
De kantonrechter:
verklaart zich onbevoegd,
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Rotterdam, Sector Civiel Recht, zaaknummer 340104 / F1 RK 09-2400,
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zendt aan de rechtbank Rotterdam, Sector Civiel Recht o.v.v.
voormeld zaaknummer,
bepaalt dat partijen de proceskosten ieder voor eigen rekening dienen te houden.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.