ECLI:NL:RBROT:2010:BN0028
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- O.E.M. Leinarts
- P.H. Veling
- L.A.C. van Nifterick
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot wraking politierechter wegens vermeende vooringenomenheid afgewezen
Verzoeker, verdacht van het aanzetten tot haat en belediging van Joden, diende een wrakingsverzoek in tegen de politierechter wegens vermeende vooringenomenheid. Verzoeker stelde dat de rechter zich al een oordeel had gevormd over zijn persoon en geloofsovertuiging, mede door het stellen van vragen over zijn geestelijk welbevinden en het beperken van zijn uitleg over zijn geloof.
De rechtbank oordeelde dat de rechter uit hoofde van zijn functie wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat de aangevoerde feiten geen zwaarwegende aanwijzingen bevatten voor vooringenomenheid. De afwijkende volgorde van ondervraging en het vasthouden aan het oordeel op basis van het Wetboek van Strafrecht, ondanks verwijzingen naar de Bijbel, werden als niet onbegrijpelijk en niet onhandig maar onvoldoende voor wraking beschouwd.
De politierechter had vragen gesteld over mogelijke psychische problematiek om te voorkomen dat achteraf twijfel zou ontstaan over de toerekeningsvatbaarheid van verzoeker. Dit werd niet als onredelijk of bevooroordeeld gezien. De wrakingskamer concludeerde dat verzoeker geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid had en wees het wrakingsverzoek af.
De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer voor wrakingszaken van de rechtbank Rotterdam op 2 juli 2010, waarbij de voorzitter en twee rechters het verzoek ongegrond verklaarden.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de politierechter is afgewezen wegens het ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.