ECLI:NL:RBROT:2010:BN8502
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Teruggeleiding minderjarige naar Polen wegens internationale kinderontvoering
De vader verzocht de rechtbank Rotterdam om de teruggeleiding van zijn minderjarige kind naar Polen, omdat de moeder het kind zonder zijn toestemming naar Nederland had gebracht. Partijen probeerden middels crossborder mediation een regeling te treffen en sloten een spiegelovereenkomst met voorlopige afspraken over zorg en contact.
De rechtbank oordeelde dat de overbrenging van het kind naar Nederland ongeoorloofd was volgens artikel 3 van Pro het Haagse Verdrag, omdat het gezagsrecht gezamenlijk werd uitgeoefend en de vader geen toestemming had gegeven. Er waren geen gegronde weigeringsgronden zoals ernstig gevaar voor het kind of verzet van het kind.
De rechtbank wees het verzoek tot opname van de vaststellingsovereenkomst in de beschikking af wegens onbevoegdheid, aangezien dit onder de Poolse rechter valt volgens Brussel IIbis. De terugkeer werd gelast uiterlijk 2 januari 2011, rekening houdend met de schoolvakantie en gemaakte afspraken.
De beslissing is direct uitvoerbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen twee weken. De zaak benadrukt het belang van het Haagse Verdrag bij internationale kinderontvoeringen en de rol van mediation in dergelijke conflicten.
Uitkomst: De rechtbank gelast de terugkeer van de minderjarige naar Polen uiterlijk 2 januari 2011.